Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0467

Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
ZaaknummersR04/1153
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vervolg op AU9767. Tegenbewijs is niet geleverd. Beslissing ten aanzien de vernietiging van vier vaststellingsovereenkomsten bekrachtigd.


Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 19 december 2007 Rekestnummer. : R04/1153 Rekestnr. rechtbank : F2 RK 04-384 [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep, hierna te noemen: de man, procureur mr. E.J. van der Wilk, tegen [verweerster], wonende te [woonplaats], verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt. HET VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP Het hof verwijst voor de loop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 18 januari 2006, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij die beschikking is de man toegelaten om door middel van het doen horen van getuigen tegenbewijs te leveren tegen het in rechtsoverweging 20 van voornoemde beschikking neergelegde vermoeden dat de vrouw bij het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomsten van 29 juni 2001 en 2 april 2003 heeft gedwaald. Op 29 juni 2006, 9 oktober 2006, 10 oktober 2006, 31 oktober 2006 en op 4 juli 2007 zijn getuigen door het hof gehoord. Van deze getuigenverhoren is telkens afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. Bij afzonderlijke beschikking van 29 november 2006 heeft het hof bepaald dat de getuige [getuige 1] inzake een aantal door mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, de advocaat van de vrouw, ter zitting van 10 oktober 2006 gestelde vragen met betrekking tot [verzoeker] en [getuige 6] een beroep op haar verschoningsrecht toekomt. Bij afzonderlijke beschikking van 18 april 2007 heeft het hof het beroep van de getuige [getuige 2] op zijn geheimhoudingsplicht terzake het verzoek van het hof de in de beschikking genoemde bescheiden aan het hof te doen toekomen, afgewezen. Op verzoek van het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een brief van 14 november 2006 met bijlagen van [getuige 1]; - een brief van 20 december 2006 met bijlagen van [getuige 2]; - een brief van 23 januari 2007 van [getuige 3]; - een brief van 24 januari 2007met bijlage van [getuige 4]; - een brief van 3 mei 2007 met bijlagen van [getuige 2]. Bij brief van 4 juli 2007 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om – indien zij daar behoefte aan hebben – een conclusie na enquête te nemen. Bij brief van 25 september 2007 heeft mr. Sliepenbeek, de advocaat van de vrouw, aangegeven geen behoefte te hebben om een conclusie na enquête te nemen, en hij verzoekt het hof een eindbeschikking te geven. Van de zijde van de man is geen reactie op de brief van het hof ingekomen. VERDERE BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP 1. Bij tussenbeschikking van het hof van 18 januari 2006 is de man toegelaten om door middel van het doen horen van getuigen tegenbewijs te leveren tegen het in rechtsoverweging 20 van die beschikking neergelegde vermoeden dat de vrouw bij het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomsten van 29 juni 2001 en 2 april 2003 heeft gedwaald. Aanleiding daartoe was de (door het hof als een bewijsaanbod opgevatte) stelling van de raadsman van de man in hoger beroep dat de notaris, die betrokken is geweest bij het opstellen van de overeenkomst van 29 juni 2001, en ook andere adviseurs de strekking van de overeenkomsten aan de vrouw hebben uitgelegd. 2. Door het hof zijn zeven getuigen gehoord, waaronder de vrouw als partijgetuige. De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen om als partijgetuige te worden gehoord. 3. Op 29 juni 2006 is gehoord de getuige prof. dr. [getuige 2], fiscalist en civiel jurist. Hij heeft het volgende verklaard: “Ik heb niet met [verweerster] gesproken over de akte van huwelijkse voorwaarden die zij was aangegaan bij het sluiten van het huwelijk van [verweerster] en de heer [verzoeker]. Ik heb niet met [verweerster] gesproken over aanpassingen in de bestaande akte van huwelijkse voorwaarden.” Met betrekking tot de bijlage “Mazars voorstel tot vaststelling verrekeningsvordering voortvloeiende uit de huwelijkse voorwaarden van [partijen]” heeft [getuige 2] het volgende verklaard: “[verweerster] heeft mij geen opdracht gegeven om dit overzicht op te stellen en ik heb dit overzicht ook niet met haar besproken.” Voorts heeft [getuige 2] verklaard: “In de grote vaststellingsovereenkomst is de aangifte van [verzoeker] en [verweerster] betrokken, maar dat hebben wij niet met mevrouw besproken.”. Daarnaast heeft [getuige 2] verklaard: “Het motief om het tussentijds verrekenbeding uit de akte van huwelijkse voorwaarden te halen is hierin gelegen dat er sprake is van een onzekere gebeurtenis. Dat is niet met [verweerster] besproken.” en: “Op vragen van mr. Sliepenbeek deel ik u mede dat ik nooit met [verweerster] heb gesproken.”. 4. Op 9 oktober 2006 is gehoord de getuige de heer [getuige 3], registeraccountant. Hij heeft het volgende verklaard: “Ik heb nimmer met de heer [verzoeker] noch met [verweerster] over de inhoud van de akte van huwelijkse voorwaarden gesproken. Ik heb nimmer inhoudelijk met [verweerster] gesproken. Ik heb haar zelfs nimmer ontmoet.”. Voorts heeft hij verklaard: “Ik heb geen informatie aan [verweerster] verstrekt over de inkomsten van partijen tijdens het huwelijk. Ik heb aan [verweerster] geen vermogensoverzichten verstrekt of inkomensoverzichten. Ik wist niet dat er een vaststellingsovereenkomst werd opgesteld”. 5. Op 9 oktober 2006 is eveneens gehoord de getuige de heer [getuige 4], belastingadviseur, die het volgende heeft verklaard: “Wat is uw relatie tot [verweerster]? Ze was de echtgenote van de heer [verzoeker]. Ik had geen specifieke relatie met haar. Ze was nooit bij besprekingen die ik met de heer [verzoeker] voerde. Ik heb haar nooit ontmoet.” en: “Ik ken de inhoud van de akte van huwelijkse voorwaarden van de heer [verzoeker] en [verweerster] niet.”. 6. Op 10 oktober 2006 is als getuige gehoord mr. [getuige 1], notaris. Zij heeft het volgende verklaard: “De concept vaststellingsovereenkomst en de bijlage van Mazars zijn naar partijen gestuurd met het verzoek deze door te lezen en wanneer er geen vragen waren kon de akte worden gepasseerd. In de brief stond wel vermeld ‘Mocht u nog vragen en/of opmerkingen hebben, aarzelt u dan niet contact met mij op te nemen’. De brief was geadresseerd aan [partijen], [adres]. In de brief was geen uitleg gegeven over de akte en de daarbij behorende bijlage noch was er uitleg gegeven over de problemen van verrekenbedingen in de praktijk. In de brief was voorts vermeld: ‘Hierbij ontvangt u de ontwerpen van de vaststellingsovereenkomsten en de testamenten, één en ander zoals met u en de [getuige 6] besproken’. Uit het dossier kan ik afleiden dat er te mijner kantore een bespreking is geweest tussen mijzelf, de heer [x], de [getuige 6] en de heer [verzoeker]. [verweerster] was niet bij die bespreking. Ik heb geen afzonderlijk gesprek gehad met [verweerster].”. Voorts heeft [getuige 1] verklaard: “Het passeren van de akte van 29 juni 2001 heeft plus minus één uur geduurd. Ik heb de akte bij het passeren daarvan niet integraal voorgelezen. Ik heb in normaal Nederlands de akte besproken en de daarbij behorende bijlage.” en voorts: “Tijdens mijn gesprek met [verweerster] en de heer [verzoeker] zijn de akte van huwelijkse voorwaarden aan de orde geweest. Globaal heb ik geadviseerd om de akte aan te passen om meer duidelijkheid te verschaffen. Dit in verband met de rechtspraak op het gebied van het verrekenbeding. In deze zaak heb ik echter niet specifiek geadviseerd inzake de akte van huwelijkse voorwaarden en de uitwerking van de verrekeningsvordering.”. Tevens heeft [getuige 1] verklaard: “Ik weet niet of ik met partijen de beperkte ratio van de vaststellingsovereenkomst heb besproken” en “Ik weet niet of ik aan partijen met zoveel woorden heb gezegd dat na het passeren van mijn akte nog een verrekeningsvordering bleef staan.”. 7. Op 31 oktober 2006 is als getuige gehoord mr. [getuige 5], kandidaat-notaris. Deze getuige heeft verklaard: “Ik heb niet met de heer [verzoeker] noch met [verweerster] het estateplanningsadvies en/of de vaststellingsovereenkomsten die u mij toonde besproken. De vaststellingsovereenkomsten uit het jaar 2003 die u mij toonde zijn wel door mij opgesteld, dat zie ik aan de layout.” en: “Ik heb ter zake de overige vaststellingsovereenkomsten geen direct contact gehad met de heer [verzoeker] noch met [verweerster].”. 8. [verweerster] is op 31 oktober 2006 gehoord als partijgetuige en heeft als volgt verklaard: “Ik heb geen informatie vooraf gekregen van notaris [getuige 1] inzake de vaststellingsovereenkomst van 29 juni 2001 die u mij toonde noch over mijn huwelijkse voorwaarden. Ik weet zeker dat ik niet op mijn huisadres de conceptakte van 29 juni 2001 heb ontvangen. 29 juni 2001 was mijn laatste werkdag bij Wagner en Partners. Ik deed daar alle voorkomende werkzaamheden. Om 11.00 uur die ochtend belde mijn man, die werkzaam was op de vijfde verdieping, dat wij om 13.00 uur / 13.15 uur bij notaris [getuige 1] een akte moesten passeren. Notaris [getuige 1] was gevestigd tegenover ons kantoor en huurde het pand van één van de vennootschappen van [verweerster] Holding B.V..”. Voorts heeft zij verklaard: “Ik heb maximaal 45 minuten met de notaris gesproken. De notaris heeft het stuk slechts beperkt voorgelezen en heeft geen nadere toelichting gegeven op deze akte noch op de akte van huwelijkse voorwaarden. Zij heeft mij niet gewezen op de consequenties (gevolgen) van deze akte voor mij. Zij heeft mij de gevolgen niet aan de hand van voorbeelden uitgelegd. Ik heb koffie gehad, we hebben over de kinderen gesproken en over mijn laatste werkdag. Bij het passeren van de akte was behoudens de notaris en mijn echtgenoot niemand aanwezig.” en voorts: “Ik ben niet bij professor [getuige 2] geweest”.. De getuige heeft tevens verklaard: “Mr. Wagemans confronteert mij met de verklaring van notaris [getuige 1] waarin zij stelt dat zij wel de conceptakte naar mij heeft toegestuurd. Dat is niet waar. Mr. Wagemans confronteert mij met de verklaring van notaris [getuige 1] waarin zij stelt dat zij de akte aan mij en mijn echtgenoot heeft uitgelegd. Zij heeft dat niet aan mij uitgelegd. Zij heeft een algemeen verhaaltje gehouden over de kinderen en mijn laatste werkdag. Ik weet dit zeker.” en: “Ik opende altijd de post thuis. Ook op 29 juni 2001 opende ik de post en daar was niets bijzonders bij. Ook toen heb ik de conceptakte niet ontvangen.”. 9. Op 4 juli 2007 is de [getuige 6], directeur van [naam] Beheer B.V., als getuige gehoord. Hij heeft verklaard: “Ik heb niet met [verweerster] gesproken over de akte van huwelijkse voorwaarden.” en: “Ik heb nooit face to face met [voornaam] ([verweerster]) gesproken over haar akte van huwelijkse voorwaarden. Voorts heb ik nooit met haar gesproken over het in de akte van huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding. Voorts heb ik niet met haar gesproken over de vaststellingsovereenkomsten.” 10. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de man er niet in is geslaagd door het doen horen van getuigen tegenbewijs te leveren tegen het in rechtsoverweging 20 van de tussenbeschikking van het hof van 18 januari 2006 neergelegde vermoeden dat de vrouw bij het ondertekenen van de vier vaststellingsovereenkomsten heeft gedwaald. Uit de getuigenverklaringen is immers niet gebleken dat de notaris en/of (één van) de andere adviseurs die betrokken zijn geweest bij het opstellen van de overeenkomsten, de strekking van de vaststellingsovereenkomsten van 29 juni 2001 en 2 april 2003 aan de vrouw hebben uitgelegd. Het hof acht het, de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting mede in aanmerking nemende, derhalve voldoende aannemelijk dat de vrouw heeft gedwaald ten aanzien van de inhoud en strekking van de vier tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomsten. 11. De man heeft meer subsidiair nog gesteld dat de vrouw door de vaststellingsovereenkomsten niet is benadeeld, nu hetgeen daarin tot uitdrukking wordt gebracht – namelijk dat er niets te verrekenen viel omdat er geen overgespaarde inkomsten waren – in overeenstemming was met de werkelijkheid. Gelet op de aan het hof overgelegde stukken, het verhandelde ter zitting en onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen 11 en 12 van de tussenbeschikking van het hof van 18 januari 2006 oordeelt het hof te dien aanzien als volgt. De man heeft zijn stelling niet met financiële stukken onderbouwd noch op andere wijze aannemelijk gemaakt. Het hof zal dan ook aan deze stelling van de man voorbij gaan. 12. Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen ten aanzien van de vernietiging van de vier vaststellingsovereenkomsten alsmede ten aanzien van de veroordeling van partijen om, kort gezegd, over te gaan tot verrekening van het op 20 februari 2004 aanwezige vermogen. Hetgeen voorts door partijen naar voren is gebracht behoeft geen verdere bespreking meer, nu dit niet tot een ander oordeel zal leiden. 13. In het vorenstaande alsmede in het feit dat de man - hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - op geen enkele zitting bij het hof is verschenen, ook niet als partijgetuige, ziet het hof aanleiding om de man te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep. In deze kosten zijn begrepen de door de gehoorde getuigen gemaakte kosten zoals deze blijken uit de getuigenverklaringen: - prof. dr. [getuige 2]: € 2.218,16 - de heer [getuige 3]: € 595,- - de heer [getuige 4]: € 892,50 - mr. [getuige 1]: € 1.904,- - mr. [getuige 5]: € 1.115,89. 14. Derhalve wordt als volgt beslist. BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de moeder tot deze uitspraak begroot op € 2.923,-: - vastrecht: € 241,-; - kosten procureur: € 2.682,-; veroordeelt de man voorts, onder verwijzing naar rechtsoverweging 13, de kosten van de gehoorde getuigen te betalen voor een totaalbedrag van € 6.725,55. Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Dusamos en Kamminga, bijgestaan door mr. Buiting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2007.