Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0465

Datum uitspraak2007-11-29
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/66 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schatting WAO. Juistheid belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.


Uitspraak

06/66 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 november 2005, 04/3445 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene] en appellant. Datum uitspraak: 29 november 2007 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2007. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. B. de Pijper, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door R.A.P. Reede, werkzaam bij de Stichting WAO/WSW Advies te 's-Hertogenbosch. II. OVERWEGINGEN In verband met, onder meer, hartklachten ontving betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Betrokkene is op 14 oktober 2003 door de verzekeringsarts L. Kalb gezien. Betrokkene deelde Kalb mede dat hij werd gehinderd door ernstige moeheid maar dat het wat betreft de hartklachten redelijk ging. Verzekeringsarts Kalb heeft de beperkingen die hij voor betrokkene nodig achtte in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) neergelegd. Uit de FML blijkt dat Kalb betrokkene heeft beperkt wat betreft persoonlijk functioneren, onder meer deadlines, handelingstempo en productiepieken en voorts enige energetische beperkingen heeft opgelegd. De arbeidsdeskundige H.J. de Lange heeft op basis van de FML voor betrokkene geschikte functies geselecteerd en op 16 december 2003 met betrokkene en zijn partner gesproken. In dat gesprek heeft betrokkene De Lange medegedeeld dat hij op 18 december 2003 zou worden gecatheteriseerd naar aanleiding van een bezoek aan de cardioloog op 25 november 2003. Arbeidsdeskundige De Lange heeft de verzekeringsarts geraadpleegd; deze was volgens De Lange van oordeel dat in verband met die catheterisatie geen andere beperkingen behoefden te worden opgelegd. De Lange heeft vervolgens betrokkene meegedeeld dat hij geschikt werd geacht voor een aantal met name genoemde functies, waarmee hij een zodanig inkomen zou kunnen verdienen dat hij voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO was. De arbeidsdeskundige De Lange heeft een en ander bevestigd in een brief van 17 december 2003, waarin betrokkene de beslissing werd aangezegd dat de uitkering ingevolge de WAO met ingang van 18 februari 2004, twee maanden en een dag na de datum van de brief, zou worden herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat de echtgenote van betrokkene telefonisch op 23 december 2003 en op 12 januari 2004 heeft gesproken met H.J. De Lange, waarbij is medegedeeld dat betrokkene drie vernauwingen in de kransslagader had en zou moeten worden gedotterd. De Lange heeft hierover blijkens een telefoonnotitie op 12 januari 2004 overleg gehad met de verzekeringsarts die volgens De Lange van oordeel was dat een dotterbehandeling een dagbehandeling was en dat dit niets zou veranderen. Bij besluit van 15 januari 2004 heeft appellant de uitkering ingevolge de WAO van appellant met ingang van 18 februari 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Betrokkene is op 21 januari 2004 gedotterd, waarbij drie zogeheten "stents" (spiraalvormig veertjes om de kransslagader open te houden) zijn geplaatst. Betrokkene heeft tegen de herziening van zijn uitkering ingevolge de WAO bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz informatie opgevraagd bij de behandelend cardioloog van betrokkene. Volgens die cardioloog, die zich in zijn brief van 19 augustus 2004 aan Deitz beroept op een behandelingsprotocol, diende betrokkene nog minimaal twee maanden de tijd te krijgen voor herstel c.q. revalidatie vanaf de datum van de dotterbehandeling. De korte uitloopperiode, waartoe is besloten achtte die cardioloog dan ook onjuist. Bezwaarverzekeringsarts Deitz is het daarmee niet eens en motiveert dit in zijn rapport van 6 oktober 2004 als volgt: "Belanghebbende is bekend met coronarialijden. Hiervoor is hij in januari 2004 behandeld middels een PTCA-procedure. Hierbij worden er via een van de lies slagaders langs de binnenkant van de grote lichaamsslagader aan de bovenzijde van het hart de openingen opgezocht van de kransslagaderen van het hart en worden hierin bestaande vernauwingen verholpen, door een ballonnetje in de kransslagaderen op te blazen, wat gevolgd wordt door het plaatsen van een stent (een veelal metalen spiraalvormig veertje) om de slagader open te houden. Dat laatste is ook bij belanghebbende gebeurd. Vervolgens dient de wond in de lies te genezen. Dat duurt in het algemeen enkele dagen en binnen ongeveer een week mag de betrokken patiënt weer alles doen, wat hij of zij kan. Ik kan de stelling van de cardioloog in dat verband dan ook niet volgen, dat de bestreden beslissing onjuist zou zijn vanwege deze ingreep, drie weken voorafgaand aan de datum in geding. Ter ondersteuning kan er gedurende een periode van een aantal weken hartrevalidatie plaatsvinden om het vertrouwen in eigen kunnen te vergroten en om de angst voor opnieuw optreden van klachten te leren beheersen en te verminderen. Deze hartrevalidatie bestaat uit gespecialiseerde fysiotherapie, die meestal in het ziekenhuis plaatsvindt en die ook buiten werktijd mogelijk is (in de vroege ochtend of in de avonduren. Ondanks dat belanghebbende dergelijke revalidatie schijnt te hebben gehad, kan ik vanwege deze behandelingen geen beperking in het toegestane arbeidsvolume onderbouwen vanuit verzekeringsgeneeskundig standpunt." Bij besluit van 8 november 2004, verder: het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat uitgaande van de datum 18 februari 2004 betrokkenes belastbaarheid juist is vastgesteld, dat de functies voor betrokkene in medisch opzicht geschikt zijn en appellant terecht heeft geoordeeld dat betrokkene op de datum in geding voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank heeft niettemin het bestreden besluit vernietigd op grond van de volgende overwegingen, waarin appellant "verweerder" en betrokkene "eiser" wordt genoemd: "De bij een herziening in acht te nemen zorgvuldigheid brengt mee dat aan eiser na de confrontatie met de opvatting dat hij ongeschikt is voor zijn eigen werk maar geschikt voor ander passend werk een zogeheten uitlooptermijn wordt gegund. In deze periode wordt eiser de tijd gegund om zich in te stellen op de na de herziening van zijn uitkering nieuw ontstane situatie. Ingevolge vaste rechtspraak is een termijn korter dan twee maanden vanaf de dag waarop de betrokkene met voormelde opvatting is geconfronteerd en op de hoogte is gebracht van de voor hem bestaande arbeidsmogelijkheden en de dag met ingang waarvan de herziening plaatsvindt niet in overeenstemming met een zorgvuldige wetstoepassing. De rechtbank meent dat de in casu door verweerder gehanteerde uitlooptermijn niet als een redelijke uitlooptermijn kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan van eiser niet worden verwacht dat hij zich tijdens een ziekenhuisopname en de daarop volgende revalidatieperiode instelt op de door de herziening van zijn uitkering nieuw ontstane situatie. De revalidatieperiode is immers bedoeld om vertrouwen in eigen kunnen te vergroten en om de angst voor opnieuw optreden van klachten te leren beheersen en te verminderen. Verweerder had hiermee naar het oordeel van de rechtbank rekening moeten houden door de uitlooptermijn eerst in te laten gaan op de dag na de beëindiging van de revalidatieperiode van twee maanden. Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen." In het aanvullend beroepschrift heeft appellant onder meer het volgende aangevoerd: "Een korte ziekenhuisopname gevolgd door een (niet intensieve) ondersteunende revalidatie geeft ons inziens geen aanleiding om een langere uitlooptermijn in acht te nemen. De revalidatie geeft volgens de bezwaarverzekeringsarts geen beletsel om passende arbeid te aanvaarden. Naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts is er geen enkele aanleiding om aan te nemen dat er per 18 februari 2004 zwaardere beperkingen golden dan al door de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 oktober 2003 (gedingstuk 50) waren vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts overweegt dat de toestand van betrokkene door de ingreep in januari 2004 niet slechter wordt, maar hooguit beter na een korte herstel; periode van circa een week (gedingstuk 5, pagina 6). Daarbij is volgens de bezwaarverzekeringsarts in de FML al in ruime mate rekening gehouden met de door betrokkene geclaimde psychische en fysieke beperkingen. De revalidatie houdt geen verband met een verslechtering van betrokkenes gezondheidstoestand, maar is gericht op verdere verbetering." Ter zitting van de Raad is door betrokkene en zijn raadsman desgevraagd onweersproken medegedeeld dat betrokkene na de dotterbehandeling gedurende twee maanden twee maal per week een revalidatiebehandeling heeft ondergaan en dat dergelijke behandelingen in het ziekenhuis, waar betrokkene wordt behandeld, niet buiten werktijd kunnen worden gevolgd. De Raad oordeelt als volgt. Omdat uitsluitend appellant hoger beroep heeft ingesteld, is dat hoger beroep beperkt tot het oordeel van de rechtbank over de uitlooptermijn. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om over de vraag of de in dit geval in achtgenomen uitlooptermijn strijdigheid met het zorgvuldigheidsbeginsel oplevert, anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. Het gestelde in het aanvullend beroepschrift van appellant ziet eraan voorbij dat het geven van een uitlooptermijn vooronderstelt dat, zowel ten tijde van de aanzegging ervan maar ook na afloop van die termijn op de datum van effectuering van de herziening van de uitkering, de belastbaarheid van een betrokkene correct is vastgesteld en dat de functies voor betrokkene geschikt zijn. In het onderhavige geval heeft tijdens de uitlooptermijn een in het licht van appellantes hartkwaal niet onbelangrijke medische ingreep plaatsgevonden die direct verband hield met de ziekte op basis waarvan betrokkene uitkering ontving en waarmee bij de beoordeling van zijn verdiencapaciteit voorafgaand aan die ingreep ten tijde van de aanzegging geen, althans naar het oordeel van de Raad onvoldoende gemotiveerd, rekening kon worden gehouden en ook niet is gehouden. Een betrokkene behoeft er dan na zo'n ingreep niet zonder meer van uit te gaan dat de hem bij de aanzegging verstrekte informatie over zijn belastbaarheid en zijn arbeidsmogelijkheden gelijk is gebleven. Dat is zeker niet het geval indien, zoals in dit geval uit de stukken blijkt, de behandelend specialist, zich daarbij beroepend op een behandelprotocol, een andere opvatting heeft over de noodzaak van revalidatie na die medische ingreep dan een bezwaarverzekeringsarts. Uit de stukken is de Raad niet gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts bij zijn oordeelsvorming dat geen langere uitlooptermijn noodzakelijk is, enige aandacht heeft geschonken aan dit behandelprotocol. Zijn stelling dat ook buiten arbeidstijd gerevalideerd kan worden, wordt ontkracht door de mededeling van betrokkene ter zitting dat dit in zijn ziekenhuis niet mogelijk was. Bovendien ziet deze stellingname eraan voorbij dat het bij de beoordeling van de uit een oogpunt van zorgvuldigheid in acht te nemen uitlooptermijn niet gaat om de vraag of iemand naast werk overdag ook nog 's avonds kan revalideren -tijdens de uitlooptermijn werkt betrokkene immers niet- maar om de vraag of van betrokkene naast bedoelde revalidatie ook kon worden gevergd, zich te oriënteren op de arbeidsmarkt en op zijn verdienmogelijkheden en zulks op basis van informatie over zijn verdiencapaciteit die niet berust op zijn actuele medische toestand na een majeur medisch incident als hiervoor vermeld. De Raad komt daarom evenals de rechtbank tot de conclusie dat een intrekking van de uitkering met ingang van 18 februari 2004 in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Nu het oordeel van de rechtbank over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in hoger beroep niet aan de orde kan komen, volstaat de Raad met de overweging dat het oordeel van de rechtbank dat betrokkene een uitlooptermijn van twee maanden te rekenen vanaf de einddatum van de revalidatieperiode moet worden gegund, hem niet onjuist is voorgekomen. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking. Omdat de Raad niet is gebleken van proceskosten, die in een ambtshalve uit te spreken proceskostenveroordeling kunnen worden betrokken, is er geen reden voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten; Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,- wordt geheven. Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007. (get.) K.J.S. Spaas. (get.) M.C.T.M. Sonderegger. JL