Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0430

Datum uitspraak2007-12-13
Datum gepubliceerd2007-12-18
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/3592 AW en 06/3593 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ontslag ambtenaar wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.


Uitspraak

06/3592 AW en 06/3593 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [Appellant], tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2006, 05/3784 en 06/274, (hierna: aangevallen uitspraken), in de gedingen tussen: appellant en de Minister van Algemene Zaken, (hierna: minister) Datum uitspraak: 13 december 2007 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B. Benard, advocaat te ’s-Gravenhage. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Boogers, advocaat te ’s-Gravenhage, alsmede door mr. R. Kuit en J.H.L. van Staveren, beiden werkzaam bij het ministerie van Algemene Zaken. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Appellant is sedert 30 juli 2001 in vaste dienst aangesteld bij het Rijk en te werkgesteld bij het ministerie van Algemene Zaken in de functie van handyman. Op 12 juli 2004 is omtrent het functioneren van appellant een beoordeling vastgesteld, waarbij de functievervulling in haar geheel zowel wat betreft kwantiteit als kwaliteit werd beoordeeld met een A: schoot duidelijk tekort. 1.2. Bij besluit van 16 juni 2005 is aan appellant met ingang van 1 oktober 2005 ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. 2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen het in bezwaar gehandhaafde beoordelingsbesluit en het in bezwaar gehandhaafde ontslagbesluit ongegrond verklaard. 3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende. 4. De beoordeling 4.1. Appellant heeft aangevoerd dat de beoordeling slechts door één beoordelaar is opgemaakt, terwijl dit volgens het toepasselijke beoordelingsvoorschrift bij voorkeur door twee beoordelaars dient te geschieden. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (CRvB 23-09-2004, LJN AR2704 en TAR 2004, 159) zal niet te snel kunnen worden afgeweken van de hoofdregel dat meer dan één beoordelaar wordt aangewezen. Of in het toepasselijke beoordelingsvoorschrift nu is bepaald dat de beoordeling “bij voorkeur”, dan wel “in de regel” door twee beoordelaars geschiedt, maakt hierbij, naar het oordeel van de Raad, geen verschil. De Raad acht de door de minister gegeven redenen om in het onderhavige geval van de hoofdregel af te wijken niet onaanvaardbaar. Vanwege de platte organisatie van het ministerie van Algemene Zaken zou - nu geen andere functionaris aanwezig was onder wiens directe verantwoordelijkheid appellant werkte - de beoordelingsautoriteit als mede-beoordelaar hebben moeten optreden. De Raad acht voldoende aannemelijk dat deze op een te grote afstand van appellant stond om tot een adequate (mede)beoordeling in staat te zijn. De Raad heeft, evenals de rechtbank, daarbij tevens in aanmerking genomen dat, anders dan in het geval dat aan de orde was in de hiervoor aangeduide uitspraak, bij de beoordeling een informant is betrokken, die in het bijzonder in staat geacht kon worden de technische vaardigheden van appellant te beoordelen en die door appellant zelf in een eerder stadium als een meer objectieve bron van informatie was gekenschetst. 4.2. Evenals de rechtbank ziet de Raad in de ter beschikking staande stukken geen aanknopingspunt voor het oordeel dat appellants leidinggevende niet in staat was om op verantwoorde wijze een objectieve beoordeling omtrent het functioneren van appellant op te stellen. Appellant heeft de Raad niet kunnen overtuigen van de juistheid van zijn - niet onderbouwde - stelling dat er sprake was van een zodanige animositeit dat de beoordeling niet meer op voldoende objectieve wijze kon plaatsvinden. De hierop gebaseerde grief slaagt dus niet. 4.3. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van een beoordeling overweegt de Raad dat die volgens zijn vaste jurisprudentie (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954, TAR 1998, 191) is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in geval van negatieve oordelen het betrokken bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust. Daarbij is niet beslissend of elk feit ter adstructie van een waardering boven elke twijfel verheven is, en zelfs is niet van door-slaggevend belang of bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat er om of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen de evenbedoelde toetsing kunnen doorstaan. 4.4. Met inachtneming hiervan is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de negatieve kwalificaties in de beoordeling over het geheel genomen met voldoende objectieve gegevens en concrete voorbeelden zijn onderbouwd. Ook indien een aantal van de in het dossier opgesomde voorbeelden van disfunctioneren vallen buiten de beoordelings-periode, dan nog blijft er voldoende over om de beoordeling te onderbouwen. 4.5. De door appellant overgelegde verklaringen van een aantal op het ministerie werkzame ambtenaren acht de Raad, evenals de rechtbank, niet zodanig dat deze de beoordeling kunnen aantasten. Deze verklaringen betreffen in het algemeen positieve ervaringen met appellant op slechts een beperkt gebied en zijn niet afkomstig van personen die zich een goed beeld konden vormen van het functioneren van appellant over de gehele lijn. De algemene strekking van deze verklaringen stemt ook overeen met de beoordeling op het gezichtspunt: contacten/gedrag, te weten dat appellant zich gedraagt als een vriendelijk en aardig persoon en dat in sociaal opzicht zijn gedrag jegens klanten en collega’s correct is. 4.6. Het hoger beroep met betrekking tot de beoordeling slaagt niet. 5. Het ontslagbesluit 5.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet ongeschiktheid worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Blijkens de verkorte beoordeling van 16 oktober 2002, de beoordeling van 12 juli 2004 en de zich in het dossier bevindende gespreksverslagen en instructies heeft het functioneren van appellant van meet af aan steeds ter discussie gestaan. Zoals hiervoor is overwogen berust de beoor-deling van 12 juli 2004 niet op onvoldoende gronden. Voor de Raad is daarmee in voldoende mate vast komen te staan dat appellant niet beschikt over de voor de functie vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling. De minister was mitsdien bevoegd om hem op grond daarvan eervol ontslag te verlenen. 5.2. De Raad is van oordeel dat van een ongeoorloofde uitbreiding van de ontslaggronden in bezwaar geen sprake is geweest. Weliswaar heeft de minister in het primaire ontslag-besluit overwogen dat de stageperiode bij het ministerie van Financiën buiten beschouwing is gelaten, doch deze uitlating moet zo worden verstaan dat zij slechts betrekking heeft op de beoordeling. Deze overweging is immers een rechtstreekse reactie op de stelling in de brief van appellant van 27 mei 2005, dat, zoals ook door de bezwaar-commissie was geadviseerd, bij de beoordeling de stageperiode buiten beschouwing behoort te worden gelaten. De bezwaaradviescommissie heeft in haar advies in het kader van het ontslagbesluit er terecht op gewezen dat bij het ontslag, anders dan bij de beoordeling, het functioneren van appellant over de hele periode van de aanstelling aan de orde is. De Raad merkt hierbij op dat, nu het ontslag is gegeven op grond van ongeschiktheid voor de betrekking van handyman bij het ministerie van Algemene Zaken, het functioneren in een andere betrekking bij een ander ministerie nauwelijks, en slechts indirect, enig gewicht in de schaal kan leggen. Blijkens de motivering van het ontslagbesluit in bezwaar heeft deze periode ook nagenoeg geen rol gespeeld. In het onderhavige geval is de ongeschiktheid van appellant ook zonder de stageperiode erbij te betrekken naar het oordeel van de Raad voldoende onderbouwd. 5.3. Evenals de rechtbank ziet de Raad niet in dat appellant aan de brief van 20 april 2005 het vertrouwen kon ontlenen dat de minister hem op grond van de uitgebrachte beoor-deling geen ontslag zou verlenen. In deze brief is aan appellant in het kader van een organisatiewijziging medegedeeld dat zijn functie en daaraan gekoppelde rechtspositie geen wijziging zullen ondergaan. Appellant kon en mocht uit deze brief slechts opmaken dat zijn baan niet wegens de reorganisatie in gevaar zou komen. Het na deze brief door de minister uiten van een voornemen tot ontslag wegens ongeschiktheid is daarmee niet in strijd. 6. Gelet op het vorenoverwogene slaagt ook het hoger beroep met betrekking tot het ontslag niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. 7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraken. Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2007. (get.) J.C.F. Talman. (get.) K. Moaddine. HD