Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0424

Datum uitspraak2007-11-30
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/1409 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid belastbaarheid.


Uitspraak

06/1409 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 februari 2006, 05/774 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 30 november 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007, waar appellante, met voorafgaande kennisgeving, niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn. II. OVERWEGINGEN Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten. Appellante, geboren [in] 1948, is werkzaam geweest in de gehandicaptenzorg. Terwijl zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet (WW) ontving, heeft zij zich op 25 september 2000 ziek gemeld vanwege psychische klachten. Na afloop van de wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Op 28 oktober 2003 heeft zij zich, terwijl zij naast haar WAO-uitkering een WW-uitkering ontving, ziek gemeld wegens rugklachten. Op 20 juli 2004 heeft de verzekeringarts H. Oderkerk, nadat hij informatie van de huisarts had verkregen, rapport uitgebracht. In dit rapport is hij tot de conclusie gekomen dat appellante als gevolg van haar klachten beperkingen heeft ten aanzien van dynamisch en statisch handelen, alsmede fysieke omgevingseisen. Met inachtneming van deze beperkingen heeft hij de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 5 november 2004 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk maar nog wel voor een aantal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 25 tot 35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellante bij besluit van 8 november 2004 meegedeeld dat haar uitkering met ingang van 9 januari 2004 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In bezwaar heeft appellante naar voren gebracht dat zij als gevolg van haar klachten – met name haar rugklachten – meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. In zijn rapport van 3 februari 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts I.F.D. van den Bold zich kunnen verenigen met de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 24 februari 2005 vastgesteld dat een tweetal aan de schatting ten grondslag gelegde functies bij nader inzien vanwege de opleidingseisen niet geschikt is voor appellante. Aan de hand van een nieuwe schatting, waarbij tevens het maatmanloon is gecorrigeerd, heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw berekend op 25 tot 35%. Bij besluit van 28 februari 2005 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. In beroep heeft appellante wederom gesteld dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Voorts heeft zij gesteld dat het Uwv haar geschiktheid voor de geselecteerde functies niet in voldoende mate heeft gemotiveerd. In het daaropvolgende verweerschrift heeft het Uwv aangegeven dat als ingangsdatum van de herziening dient te gelden 9 januari 2005 en niet, zoals abusievelijk in het primaire besluit is opgenomen, 9 januari 2004. Nadat het beroep ter zitting was behandeld en de rechtbank met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek had heropend, heeft het Uwv bij besluit van 18 oktober 2005 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (hierna: besluit 2). Daarbij is bepaald dat, in overeenstemming met een tweetal rapporten d.dis. 6 oktober 2005 en 10 oktober 2005 van de bezwaar-registerarbeidsdeskundige A.A.J.M. Kamp, met ingang van de in geding zijnde datum de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante nader wordt vastgesteld op 35-45%. De rechtbank heeft met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb het nadere besluit van 18 oktober 2005 in het onderhavige geding betrokken. Bij schrijven van 1 november 2005 heeft appellante te kennen gegeven zich ook niet met het nadere besluit van 18 oktober 2005 te kunnen verenigen, waarna van zijde van het Uwv nog een toelichting op dit besluit is gekomen door middel van een nader rapport d.d. 16 november 2005 van de voornoemde bezwaar-registerarbeidsdeskundige. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige component van het besluit van 18 oktober 2005 en heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daarnaast is het verzoek van appellante om schadevergoeding afgewezen en heeft de rechtbank beslist over proceskosten en griffierecht. In hoger beroep heeft appellante haar eerdere in de procedure naar voren gebrachte gronden herhaald. De Raad overweegt als volgt. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ten onrechte geen oordeel gegeven over besluit 1. Deze uitspraak kan dan ook wegens strijd met artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder c Awb niet in stand blijven. De Raad ziet aanleiding het beroep tegen besluit 1 met toepassing van artikel 27 van de Beroepswet zelf al te doen. Besluit 1 is weliswaar door het Uwv ingetrokken, maar appellant heeft een verzoek gedaan om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb zodat zij ingevolge vaste rechtspraak van de Raad belang heeft behouden bij een oordeel van de rechter over besluit 1. Nu het Uwv besluit 1 heeft ingetrokken omdat dit besluit niet langer juist acht, zal de Raad het beroep van appellante tegen besluit 1 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Met betrekking tot besluit 2 overweegt de Raad als volgt. De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen de beschikking over informatie uit de behandelende sector en ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat het onderzoek dat deze artsen hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellante onzorgvuldig is geweest. De Raad is op grond van de gedingstukken evenmin tot de conclusie kunnen komen dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. Dit betekent dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust. Voorts is de Raad van oordeel dat het Uwv de geschiktheid van appellante voor de aan het besluit van 18 oktober 2005 ten grondslag gelegde functies in voldoende mate heeft gemotiveerd. Daarvoor verwijst de Raad naar de verschillende zich onder de gedingstukken bevindende rapporten van de (bezwaarregister-)arbeidsdeskundigen. Voor zover appellante heeft betoogd dat de functie van productiemedewerkster voedingsmiddelen industrie niet voldoet aan de actualiteitseis verwijst de Raad naar het rapport d.d. 6 oktober 2005 van voornoemde Kamp, waaruit blijkt dat deze functie op de datum in geding actueel is. Gelet op het vorenstaande is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de herziening van de WAO-uitkering van appellante met ingang van 9 januari 2005 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% op goede gronden berust. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft dit verzoek om schadevergoeding afgewezen, zulks naar het oordeel van de Raad ten onrechte. Het Uwv heeft (aanvankelijk) vanaf 9 januari 2005 te weinig uitkering betaald. Uit ’s Raads uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314 (LJN: ZB1495) volgt dat de eerste dag waarop het Uwv in casu over het bedrag van de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente verschuldigd is, gesteld moet worden op 1 februari 2005, alsook dat deze rente verschuldigd is tot aan de dag der algehele voldoening toe. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, die worden begroot op € 322,--. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens voor zover daarin is beslist over proceskosten en griffierecht; Verklaart het inleidende beroep tegen het besluit van 8 november 2004 alsnog gegrond en vernietigt dat besluit; Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2005 ongegrond; Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade als hiervoor aangegeven; Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007. (get.) D.J. van der Vos. (get.) W.R. de Vries. JL