Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0418

Datum uitspraak2007-12-10
Datum gepubliceerd2007-12-18
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
ZaaknummersAWB 07/57, 07/58, 07/59
Statusgepubliceerd


Indicatie

In geschil is de toegepaste wegingsfactor. De rechtbank is van oordeel dat het hanteren van een beleid waarin de zwaarte van een zaak louter wordt bepaald aan de hand van het in geschil zijnde belastingbedrag (het financiële belang) kennelijk onredelijk is.


Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Procedurenummer : AWB 07/57 07/58 07/59 Inzake : [eiser] te [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts. tegen : de heffingsambtenaar van het Waterschapsbedrijf Limburg te Roermond, verweerder. 1. Procedureverloop Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 december 2006 het bezwaar van eiser tegen de aanslagen waterschapsheffingen 2004, 2005 en 2006, respectievelijk gedateerd 30 september 2005, 30 september 2005 en 31 januari 2006, gegrond verklaard. Verweerder heeft in die uitspraak aan eiser een kostenvergoeding op grond van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht toegekend, waarin verweerder de wegingsfactor 0,25 heeft gehanteerd. Eisers gemachtigde heeft tegen bovengenoemde uitspraak op bezwaar bij schrijven van 5 januari 2007, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum, beroep ingesteld. Het beroep richt zich uitsluitend tegen de door verweerder bepaalde omvang van de proceskostenvergoeding en dan met name de daarbij gehanteerde wegingsfactor 0,25. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend, waarin hij zich op het nadere standpunt heeft gesteld dat de wegingsfactor 0,5 dient te zijn. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2007, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen L.M.G.M. Teeuwen. 2. Geschil In geschil is of verweerder in de berekening van het bedrag van de kostenvergoeding in de bezwaarfase wegens beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand op goede gronden de wegingsfactor 0,25 voor “zeer lichte zaken” heeft toegepast. 3. Beoordeling van het geschil Verweerder heeft de voormelde wegingsfactor gebaseerd op een door verweerder gehanteerd beleid, waarin is vastgelegd dat de te hanteren wegingsfactor afhankelijk is van het financiële belang van de zaak. Verweerder zelf heeft in het verweerschrift overigens reeds aangegeven dat de factor 0,25 niet de juiste is vanwege het aan de orde zijnde financiële belang, maar dat deze 0,5 had dienen te zijn. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat laatstgenoemde factor de juiste factor is, althans volgens het door verweerder gevoerde beleid. Anders dan door verweerder is aangevoerd, brengt het vorenstaande derhalve reeds met zich dat het beroep gegrond is te achten. De rechtbank ziet zich naar aanleiding van het geschil tussen partijen echter nog voor de vraag gesteld of het beleid van verweerder en met name de daarin neergelegde systematiek voor het bepalen van de zwaarte van een zaak, die uitsluitend gebaseerd is op het financiële belang van de zaak, in overeenstemming is te achten met het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb danwel de uitwerking die daaraan is gegeven in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp). Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb luidt, voor zover voor dit geschil van belang, als volgt: “De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.” In het vierde lid is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Voormelde algemene maatregel van bestuur is het Bpb. Verweerder heeft zijn beleid aldus geformuleerd dat het gewicht van de zaak wordt bepaald aan de hand van het bedrag van de in het geding zijnde belastingaanslag. Bij het bepalen van de hoogte van de bedragen en daaraan verbonden wegingsfactoren is aansluiting gezocht bij het voormalige Besluit proceskosten fiscale procedures en de daarbij behorende bijlage (Besluit van 22 december 1993, Staatsblad 1993, 762). De in dat besluit vermelde bedragen zijn omgerekend naar bedragen in euro’s en naar boven afgerond tot ronde bedragen. Dat besluit is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 29 oktober 1998 (Staatsblad 1998, 621), houdende aanpassing van het fiscale procesrecht aan de Algemene wet bestuursrecht en wijziging van een aantal fiscale en andere wetten, waarbij onder meer artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken is vervallen en het Bpb ook van toepassing is geworden op fiscale procedures. Bij besluit van 1 februari 1999 (Staatsblad 1999, 51) is het Bpb aangepast aan die nieuwe situatie. In de nota van toelichting bij dat besluit is onder meer vermeld: “Gezien de met de Wet herziening van het fiscale procesrecht beoogde harmonisatie, kon de specifieke regeling die het BPF bevatte voor de bepaling van het gewicht aan de hand van het financiële belang van een fiscale zaak zonder bezwaar opgaan in de algemene regeling in het BPB voor de bepaling van het gewicht van een zaak. De aanduidingen «zeer licht» tot «zeer zwaar» van de vijf gewichtscategorieën in de bijlage, onderdeel C1, bij het BPB bieden ook in fiscale zaken voldoende aanknopingspunt.” In de Nota van Toelichting bij het Besluit van 25 februari 2002 tot wijziging van het Bbp in verband met de vergoeding van kosten van bezwaar en administratief beroep (hierna: de Nota van Toelichting, Staatsblad 2002, 113) is aangegeven dat het bestuursorgaan de bevoegdheid heeft om in uitvoeringsvoorschriften vast te leggen op welke wijze de wegingsfactoren als bedoeld onder C1. van de bijlage bij het Bpb worden gehanteerd. Ter uitvoering van deze bevoegdheid heeft de ambtenaar belast met de heffing van het Waterschapsbedrijf Limburg “beleidsregels inzake de toepassing van wegingsfactoren in fiscale procedures” opgesteld. Artikel 3 van deze beleidsregels geeft invulling aan het begrip wegingsfactoren, zoals dat ook is opgenomen onder C1. van de bijlage bij het Bpb. In het hierna volgende zal de rechtbank toetsen of dit beleid van verweerder niet kennelijk onredelijk is. Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken dienen te worden vergoed, voorzover eiser daarom heeft verzocht en het bestreden besluit is herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De Nota van Toelichting vermeldt dat de hoogte van de bij de berekening van deze kosten van toepassing zijnde wegingsfactor steeds in overeenstemming dient te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het hanteren van een beleid waarin de zwaarte van een zaak louter wordt bepaald aan de hand van het in geschil zijnde belastingbedrag kennelijk onredelijk is. Immers, de hoogte van het in geschil zijnde belastingbedrag is in beginsel niet bepalend voor de bewerkelijkheid en gecompliceerdheid van een zaak en kan derhalve niet, of in elk geval niet alleen, zonder nadere motivering als maatstaf worden gebruikt voor de werkbelasting van de rechtsbijstandverlener en de daarmee voor eiser samenhangende kosten. Verweerder had dan ook niet onderhavige zaken als “zeer licht” mogen aanmerken, alleen omdat het belastingbedrag dat in geschil was binnen categorie A van artikel 3 van verweerders beleidsregels viel. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 februari 2007 (te vinden op www. rechtspraak.nl, LJN: BA1012) en de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2003 (LJN: AI1404) en van het Hof ‘s-Gravenhage van 19 juli 2005 (LJN: AU3099). Verweerder heeft zich ter zitting nog beroepen op een uitspraak van rechtbank Almelo van 27 februari 2007 (LJN: AZ9636), waarin de rechtbank de gemeentelijke beleidsregels omtrent het bepalen van de proceskostenvergoeding, die zich ook uitsluitend baseerden op het financiële belang van de zaak, heeft toegepast, zonder de juistheid van die beleidsregels te toetsen. De onderhavige rechtbank volgt die uitspraak van de rechtbank Almelo, zoals blijkt uit het bovenstaande, echter niet. Uit het voorgaande volgt dat de door de heffingsambtenaar van het Waterschapsbedrijf Limburg vastgestelde beleidsregels, voor zover betrekking hebbend op de voor de toepassing van de wegingsfactoren van belang zijnde vaststelling van de zwaarte van de zaak, kennelijk onredelijk zijn te achten. Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven dat afwijking van het vastgelegde beleid door verweerder niet plaatsvindt zodat, naar het oordeel van de rechtbank, ten onrechte enkel en alleen het financiële belang van de zaak de wegingsfactor bepaalt en er geen ruimte is voor het meewegen van andere factoren. De rechtbank acht het beleid van verweerder in dit verband dan ook kennelijk onredelijk . De op dat beleid gebaseerde, bestreden uitspraak van 20 december 2006, voor zover betrekking hebbend op de hoogte van de toegekende kostenvergoeding in bezwaar, komt gezien het voorgaande dan ook voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet vervolgens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt. Met verwijzing naar hetgeen de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 2 maart 2006 (LJN: AV3988) met betrekking tot de toepassing van wegingsfactoren heeft overwogen, neemt de rechtbank eveneens als uitgangspunt dat behandeling van een zaak in de bezwaarprocedure in beginsel behoort tot de categorie “gemiddeld” (wegingsfactor 1), tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken. In dat laatste geval ligt het op de weg van degene die zich er op beroept om de afwijking te onderbouwen. Nu verweerder de hoogte van de gehanteerde wegingsfactor zonder nadere motivering alleen heeft gebaseerd op de hoogte van het in geschil zijnde belastingbedrag en verder geen feiten of omstandigheden heeft genoemd die deze keuze kunnen onderbouwen, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom onderhavige zaak, in afwijking van het uitgangspunt dat een zaak in beginsel als “gemiddeld” moet worden aangemerkt, als “(zeer) licht” aangemerkt zou moeten worden. Onder die omstandigheden dienen deze zaken als “gemiddeld” te worden aangemerkt. De rechtbank stelt derhalve de vergoeding van kosten die eiser in verband met de behandeling van de bezwaren redelijkerwijs heeft moeten maken op de voet van het Bpb en de daarbij behorende bijlage, in goede justitie vast op € 161,= wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt maal € 161,=, wegingsfactor 1[gemiddeld gewicht van de zaken/ minder dan 4 samenhangende zaken]). De rechtbank verklaart het beroep, gelet op het vorenoverwogene, gegrond. 4. Proceskosten en griffierecht De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in het kader van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,= (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) als kosten van verleende rechtsbijstand maal de wegingsfactor 1 (gemiddeld gewicht van de zaken/minder dan 4 samenhangende zaken). De rechtbank zal tevens bepalen dat het griffierecht van € 38,= aan eiser wordt vergoed. 5. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt in de zaken 07/57, 07/58 en 07/59 de uitspraken op bezwaar; stelt de door verweerder aan eiser te betalen proceskostenvergoeding van de bezwaarfase vast op een bedrag van € 161,=, veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser van de beroepsfase ten bedrage van €644,= en wijst het Waterschapsbedrijf aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden aan eiser; gelast dat het Waterschapsbedrijf het betaalde griffierecht van € 38,= vergoedt aan eiser. Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. K.M.J. van der Vorst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2007. Voor eensluidend afschrift, de (wnd.) griffier, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 12 december 2007. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ te ’s Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Partijen kunnen ook beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Dit is echter alleen mogelijk indien de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.