Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0409

Datum uitspraak2007-12-12
Datum gepubliceerd2007-12-18
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Dordrecht
Zaaknummers59407
Statusgepubliceerd


Indicatie

De vordering jegens gedaagde 1 zal worden afgewezen. Niet is komen vast te staan dat gedaagde 1 heeft gehandeld in strijd met hetgeen van haar als redelijk handelend en redelijk bekwaam tussenpersoon mocht worden verlangd, nu haar rol slechts hierin bestond dat zij bemiddelde bij het aangaan van een kredietovereenkomst welke werd afgesloten ter financiering van de deelname aan het beleggingsfonds. Ten aanzien van gedaagde 2 geldt dat het beroep op vernietiging van de kwijtingsbedingen niet opgaat, zodat eisers, nu uit deze bedingen blijkt dat eisers kwijting hebben verleend aan gedaagde 2 en de met haar gelieerde (rechts)personen, niet ontvankelijk zijn in hun vordering jegens gedaagde 2.


Uitspraak

vonnis RECHTBANK DORDRECHT Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 59407 / HA ZA 05-2334 Vonnis in vrijwaring van 12 december 2007 in de zaak van 1. [eiser 1], wonende te Sliedrecht, 2. [eiser 2], wonende te Sliedrecht, eisers, procureur mr. J.H. Silfhout, tegen 1. de naamloze vennootschap CITRUS SOLID PRIVATE FUND N.V., gevestigd te 's-Gravenhage, gedaagde, procureur mr. J.A. Visser, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ASSULINE B.V., gevestigd te Wilnis, gedaagde, procureur mr. V.J. Groot. Partijen zullen hierna [eisers ] en CSPF c.s. genoemd worden. Eisers zullen afzonderlijk worden aangeduid als [eiser 1] en [eiser 2]. Gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid als CSPF en Assuline. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord van Assuline - de conclusie van antwoord van CSPF - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek van Assuline - de conclusie van dupliek van CSPF Voor zover partijen in hun processtukken bedragen in guldens vermelden, zal de rechtbank in de rechtsoverwegingen van dit vonnis de bedragen eveneens in guldens vermelden. Bedragen in het dictum worden vermeld in euro’s. 2. De feiten 2.1. NieuweMeer Adviesgroep (hierna: NieuweMeer) is met ingang van 12 september 2001 onderdeel gaan uitmaken van Assuline. 2.2. In 1998 heeft [eisers ] een folder van CSPF ontvangen, betreffende de mogelijkheid via certificaten van aandelen te participeren in een sinaasappelplantage in Costa Rica. [eisers ] heeft daarop voor aanvullende informatie contact opgenomen met CSPF. 2.3. [eiser 1] heeft zich bij contracten van 21 augustus 1998, contractnummers 980821.01 en 980821.02 (hierna: de CSPF-contracten), verbonden om deel te nemen in CSPF voor respectievelijk een bedrag van FL. 19.500,- en FL. 17.500,-. 2.4. In de ‘Toelichting Citrus Rendements Plan’ staat – onder meer – het volgende vermeld: ‘(…) Samenwerking met IDM Bank (100% dochter van ABN-AMRO) In overleg met de IDM Bank is het mogelijk uw deelname bedrag te financieren. (…)’ 2.5. Ter financiering van deze deelname hebben [eisers ] - door tussenkomst van NieuweMeer - bij IDM Financieringen B.V. (hierna: IDM) een doorlopend krediet van FL 37.000,- (€ 16.789,87) afgesloten. 2.6. Blijkens een door [eiser 1] ondertekend formulier, te weten een Overboeking Doorlopend Krediet heeft [eiser 1] op 25 augustus 1998 aan IDM opdracht gegeven het in 2.5. genoemde bedrag van FL. 37.000,- over te boeken op een rekening van Stichting Adm. TrustCitrus Solid Private Fund te Alphen a/d Rijn. 2.7. In de CSPF-contracten staat – onder meer – het volgende vermeld: ‘(…) 6. Aansprakelijkheid (….) Deelnemer verklaart door ondertekening van dit formulier af te zien van alle aanspraken tot vergoeding van schade of anderszins jegens C.S.P.F. N.V. (…) wegens al dan niet vermeende onjuistheden in de verstrekte informatie en/of documentatie (…)’ 2.8. Een geschrift, te weten een op 8 september 1999 door [eiser 1] ondertekende ‘Kwijtingsverklaring Citrus Solid Fund’, vermeldt – onder meer - het volgende: ‘(…) De ondergetekende (…) [eiser 1] (…) Verklaart: 1. te hebben kennisgenomen van “Samenvatting feiten Citrus Solid Fund”(zoals opgenomen in bijlage 1 bij de notulen van de informatiebijeenkomst participanten d.d. 23 augustus 1999), betreffende de oorzaken en achtergronden van de huidige financiële problemen van Naranja Beheer BV en de Funds, de maatregelen die ertoe moeten leiden dat deze problemen het hoofd kunnen worden geboden (actieplan) en de gevolgen die een en ander zal hebben voor het te verwachten rendement van zijn of haar deelneming, (…) 4. finale kwijting te verlenen aan de Stichtingen, het bestuur van de Stichtingen, de Funds, Naranja Beheer BV, de heer [betrokkene] en de heer [betrokkene] en andere in het prospectus/ beleggingsmemorandum vermelde (rechts)personen, voor hetgeen hij (mogelijk) uit hoofde van schadevergoeding in verband met het bovenstaande van (één van) hen te vorderen heeft of mocht krijgen (…)’ 2.9. Bij ‘Onderhandse akte van overdracht van certificaten van aandelen Citrus Solid Private Fund NV’, op 31 maart 2001 ondertekend door [eiser 1] als verkoper en [betrokkene] als koper en door de heren [betrokkene] en [betrokkene] namens CSPF, de in 2.2. genoemde aandelen in CSPF verkocht voor een bedrag van in totaal FL. 5.000,-. Punt 9 van voormelde akte bepaalt dat de “verkoper” (lees: [eiser 1]) finale kwijting verleent aan ‘de Stichtingen Administratie- en Trustkantoren Citrus Solid Private Fund respectievelijk Citrus Solid Corporate Fund, het bestuur van deze stichtingen, de funds behorende tot het beleggingsvehikel Citrus Solid Fund en de directie in de persoon van [betrokkene], voor hetgeen verkoper (mogelijk) uit hoofde van schadevergoeding in verband met de betrokkenheid (in de ruimste zin) van genoemden met het beleggingsvehikel Citrus Solid Fund van het bovenstaande van (één van) hen te vorderen heeft of mocht krijgen.’ 2.10. In ieder geval vanaf juli 1999 hebben [eisers ] niet meer voldaan aan de betalingsverplichtingen voorvloeiende uit de kredietovereenkomst met IDM. 2.11. In de hoofdzaak, rolnummer 56971/04-2784, zijn [eisers ] gedagvaard door IDM op grond van niet nakoming van hun betalingsverplichtingen voortvloeiende uit de met IDM gesloten kredietovereenkomst. Bij eindvonnis van 27 juni 2007 heeft de rechtbank de vordering in conventie toegewezen en de door [eisers ] ingestelde reconventionele vordering afgewezen. 3. De vordering 3.1. [eisers ] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, CSPF c.s. zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen al hetgeen waartoe [eisers ] in de procedure in de hoofdzaak jegens IDM zullen worden veroordeeld, met veroordeling van CSPF c.s. in de kosten van dit geding, alsmede in de kosten van de hoofdzaak, met dien verstande dat wanneer de één betaalt, de ander daardoor van haar betalingsverplichting zal worden bevrijd. De stellingen van [eisers ] jegens Assuline: 3.2. Met betrekking tot de vordering jegens Assuline/NieuweMeer stellen [eisers ] dat Assuline/NieuweMeer als tussenpersoon is tekortgeschoten in de nakoming van haar (contractuele) verplichtingen. Zij heeft gehandeld in strijd met hetgeen in de omstandigheden van haar als redelijk handelend en redelijk bekwaam tussenpersoon mocht worden verwacht, door: (i) de financiële situatie waarin [eisers ] zich bevonden veel rooskleuriger voor te stellen dan dat deze was; (ii) [eisers ] niet te wijzen op de risico’s welke zijn verbonden aan het beleggen met geleend geld; (iii) zich er niet van te vergewissen of de bij het CSPF betrokken personen en het door CSPF uitgegeven foldermateriaal betrouwbaar was. Voor de als gevolg van deze tekortkomingen bij [eisers ] ontstane schade is NieuweMeer/Assuline jegens [eisers ] aansprakelijk. Het verweer van Assuline: 3.3. Assuline heeft een beroep op verjaring gedaan. Voorts voert zij aan dat van Assuline/NieuweMeer geen bemoeienis mag worden verwacht ten aanzien van de bestemming van het door haar tussenkomst geleende geld. Assuline/NieuweMeer heeft het aanvraagformulier ingevuld aan de hand van de door [eisers ] gegeven antwoorden op de vragen in dat formulier. Het lag niet op de weg van Assuline/NieuweMeer om [eisers ] te waarschuwen voor de risico’s van het beleggen met geleend geld. Zij heeft slechts bemiddeld bij de totstandkoming van de kredietovereenkomst mer IDM. Bovendien is Assuline niet gehouden een betrouwbaarheidsonderzoek te doen naar de bij CSPF betrokken personen of het door laatstgenoemde uitgegeven foldermateriaal. 3.4. Daarnaast voert Assuline aan dat er geen causaal verband bestaat tussen de beweerdelijk door haar/NieuweMeer gemaakte fouten of tekortkomingen en de gestelde schade. De stellingen van [eisers ] jegens CSPF: 3.5. Aan de vordering jegens CSPF leggen [eisers ] ten grondslag dat: i) het door CSPF uitgegeven foldermateriaal en het beleggersmemorandum diverse onjuistheden bevat en onvolledig is; ii) CSPF toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen; iii) CSPF aansprakelijk is voor de fouten van de door haar ingeschakelde hulppersonen, waaronder Naranja en de farm manager; iv) CSPF zich (ook) tijdens de uitvoering van de overeenkomst met [eisers ] schuldig heeft gemaakt aan misleiding; Het verweer van CSPF: 3.6. CSPF heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van [eisers ] in hun vordering allereerst opgeworpen dat [eisers ]/[eiser 1] tot drie keer toe expliciet afstand hebben gedaan van hun recht om CSPF aansprakelijk te stellen voor de geleden schade. Bovendien zijn de vorderingen van [eisers ] verjaard. Op grond hiervan kunnen [eisers ] niet in hun vordering worden ontvangen. 3.7. Voorts heeft CSPF betoogd dat haar informatiemateriaal juist en volledig was. Zij heeft de rendementen niet gegarandeerd. Daarbij was de aansprakelijkheid voor onjuistheden in de informatie contractueel uitgesloten. CSPF was niet gehouden een reservering op te nemen ten behoeve van mogelijke beroepen op terugkoopgaranties. Ook is CSPF niet aansprakelijk voor hulppersonen, nu er geen relatie als bedoeld in artikel 6:171 BW bestond met Naranja of andere door [eisers ] genoemde (rechts)personen. 4. De beoordeling Ten aanzien van Assuline: Verjaring 4.1. Weliswaar is het beroep op verjaring pas bij dupliek gedaan, maar nu CSPF in haar conclusie van antwoord hetzelfde verweer heeft gevoerd en [eisers ] daar in hun conclusie van repliek op hebben gereageerd, gaat de rechtbank ervan uit dat hun reactie op dit identieke verweer niet anders is. Het beroep op verjaring (ex artikel 3:310 BW) wordt verworpen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. 4.2. Op 31 maart 2001 hebben [eisers ] de aandelen in CSPF verkocht aan [betrokkene] voor een bedrag van FL. 5.000,-, zodat het ervoor kan worden gehouden dat [eisers ] eerst op dit moment bekend zijn geworden met de schade. Weliswaar was er reeds in 1999 aanleiding tot zorg met betrekking tot de waarde van de belegging in CSPF, maar er was destijds (nog) geen sprake van schade. Immers, tijdens de vergadering van certificaathouders op 12 oktober 1999 werd het reddingsplan gepresenteerd, waarvan de bedoeling nu juist was eventuele schade te voorkomen. 4.3. Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat ten tijde van het instellen van de vordering jegens Assuline – 26 april 2005 - de verjaringstermijn nog niet was verlopen. Tekortkoming in de nakoming 4.4. In het licht van de gemotiveerde betwisting van Assuline dat het krediet ook zou zijn verstrekt en [eisers ] in dezelfde vermogenspositie zou zijn komen te verkeren indien bij het invullen van het aanvraagformulier ten behoeve van het krediet niet de beweerdelijke (door Monster gestelde) fouten waren gemaakt, hadden [eisers ] hun stelling dat Assuline haar verplichtingen niet is nagekomen door de financiële situatie van [eisers ] veel rooskleuriger voor te stellen dan dat deze was, zodat ten onrechte aan [eisers ] het krediet is verstrekt, nader feitelijk (cijfermatig) moeten onderbouwen. Dit hebben zij echter niet gedaan, zodat aan die stelling voorbij moet worden gegaan. 4.5. Het standpunt van [eisers ] dat op Assuline/NieuweMeer een waarschuwingsplicht zou rusten ten aanzien van de risico’s van beleggen deelt de rechtbank niet. Allereerst zijn [eisers ] zelf, na lezing van een folder omtrent een belegging in een sinaasappelplantage in Costa Rica, in contact getreden met CSPF om hun interesse in deze beleggingsvorm kenbaar te maken. Los van enige bemoeienis of advisering van NieuweMeer is vervolgens de overeenkomst tussen [eisers ] en CSPF tot stand gekomen. Slechts voor wat betreft de financiering van de deelname kwam NieuweMeer als tussenpersoon van IDM aan bod. De positie van NieuweMeer kan dan ook, in tegenstelling tot hetgeen door [eisers ] is betoogd, niet worden vergeleken met die van de tussenpersonen in de Legio Lease zaken. Bij de Legio Lease zaken gaat het immers om aandelenlease, waarbij het beleggen met geleend geld uitgangspunt is. De belegging en de kredietverstrekking zijn daarbij onlosmakelijk onderdeel van één product. Uit de folder van CSPF en de CSPF-contracten kan niet worden afgeleid dat het hier een dergelijk product betreft, aangezien de belegging en de kredietverstrekking los van elkaar staan. Of en hoe de belegger zijn deelname wilde financieren stond hem geheel vrij. Van een ondoorzichtige constructie zoals dat bij de aandelenlease-transacties wel het geval was, kan hier evenmin worden gesproken, nu het [eisers ] geheel duidelijk was, althans kon zijn, dat zij een geldlening hadden afgesloten ter financiering van de belegging in CSPF. 4.6. Nu NieuweMeer niet als tussenpersoon voor een aanbieder van een aandelenlease of een soortgelijk beleggingsproduct handelde, kon van haar niet verwacht worden, laat staan dat zij verplicht was de cliënt te waarschuwen voor de risico’s die beleggen met geleend geld met zich mee kunnen brengen. De rol van NieuweMeer bestond slechts hierin dat zij bemiddelde bij het aangaan van een kredietovereenkomst. Dat het middels dit krediet vrijgekomen geld was bestemd voor de belegging in CSPF en dat NieuweMeer daar wellicht van op de hoogte was doet daarbij niet ter zake. Al evenmin is van belang dat NieuweMeer mogelijk door CSPF is verzocht contact op te nemen met [eisers ]. 4.7. Gelet op het hiervoor overwogene rust op NieuweMeer al evenmin de plicht zich er van te vergewissen of de bij het CSPF betrokken personen en het door CSPF uitgegeven foldermateriaal betrouwbaar waren/was. 4.8. Dit alles leidt ertoe dat niet is komen vast te staan dat Assuline/NieuweMeer heeft gehandeld in strijd met hetgeen van haar als redelijk handelend en redelijk bekwaam tussenpersoon mocht worden verlangd. 4.9. Met het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de stellingen van [eisers ] niet tot aansprakelijkheid uit wanprestatie kunnen leiden, zodat de vordering jegens Assuline in al haar onderdelen zal worden afgewezen. Ten aanzien van CSPF: Kwijting 4.10. [eisers ] hebben erkend partij te zijn bij de drie in r.o. 2.7, 2.8 en 2.9 aangehaalde overeenkomsten waarin kwijtingsbedingen zijn opgenomen. Zij voeren echter aan dat deze bedingen algemene voorwaarden in de zin van artikel 6:231 aanhef en sub a BW vormen en op grond van het bepaalde in artikel 6:233 aanhef en sub a BW onredelijk bezwarend zijn en dienen te worden vernietigd. 4.11. De rechtbank volgt dit standpunt in ieder geval niet voor wat betreft het in punt 4 van de ‘Kwijtingsverklaring’ van 8 september 1999 opgenomen kwijtingsbeding (zie r.o. 2.8). De ‘Kwijtingsverklaring’ maakt deel uit van het door CSPF gepresenteerde reddingsplan, waarbij, zoals uit de benaming van genoemde verklaring al blijkt, het door [eiser 1] verlenen van kwijting aan CSPF en aan haar gelieerde (rechts)personen de kern van de van de overeengekomen verplichtingen vormt. Zonder het in punt 4 genoemde beding zou de ‘Kwijtingsverklaring’ niet tot stand zijn gekomen, nu het tot de essentie van de overeenkomst behoort. Het kan derhalve worden aangemerkt als ‘kernbeding’ in de zin van artikel 6:231 sub a BW, en vormt als zodanig de uitzondering die in voornoemd artikel wordt genoemd. Ook al zou later zijn gebleken dat de door CSPF te leveren tegenprestatie - het reddingsplan - niet de gewenste uitwerking heeft gehad, dan nog mag de rechtbank deze kernverplichting niet vanwege vermeend bezwarend karakter vernietigen, omdat de uitsluiting van de beoordeling door de rechter van de (on)redelijkheid van dergelijke kernprestaties ingevolge artikel 6:231 sub a BW juist is bedoeld om de rechter niet te doen treden in een beoordeling van de redelijkheid van de waardeverhouding van de over en weer te leveren kernprestaties. 4.12. Ten aanzien van de andere bedingen (zoals weergegeven onder r.o. 2.7 en 2.9) zal het beroep van [eisers ] op vernietiging eveneens worden afgewezen. De rechtbank is, veronderstellenderwijs er van uitgaande dat deze kwijtingsbedingen als algemene voorwaarden kunnen worden gekwalificeerd – zoals [eisers ] betogen en CSPF betwist-, van oordeel dat hetgeen [eisers ] hebben gesteld ten aanzien van de gang van zaken bij de totstandkoming van de CSPF-contracten, het reddingsplan en de verkoop van hun participaties, te vaag en te weinig concreet is om een beroep op vernietiging te rechtvaardigen. Uit deze stellingen blijkt immers onvoldoende dat de bedingen, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend zijn, zoals bedoeld in artikel 6:233 sub a en aanhef BW. 4.13. Overigens hebben [eisers ] bij het aangaan van de overeenkomsten kunnen beschikken over de volledige tekst van de contracten, zodat CSPF op dit punt niets te verwijten valt. Ook kan van een beding als de onderhavige in het kader van een beleggingsovereenkomst niet gezegd worden dat dit zo ongebruikelijk is dat een cliënt daarop niet bedacht hoeft te zijn. Tevens is de tekst van het onderhavige beding volkomen duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. 4.14. Nu het beroep op vernietiging niet opgaat en uit de (bedingen in de) overeenkomsten blijkt dat [eisers ] kwijting hebben verleend aan CSPF en de met haar gelieerde (rechts)personen, zijn [eisers ] niet ontvankelijk in hun vordering jegens CSPF. De overige stellingen en verweren kunnen derhalve onbesproken blijven. Conclusie 4.15. De vordering jegens Assuline zal, gelet op het eerder overwogene, worden afgewezen. [eisers ] zijn voorts niet ontvankelijk in hun vordering jegens CSPF. 4.16. Als in het ongelijk gestelde partij zullen [eisers ] worden veroordeeld in de proceskosten van partijen. De kosten aan de zijde van CSPF worden begroot op: - vast recht € 500,00 - salaris procureur € 904,00 (2 punten × tarief II € 452,00) Totaal € 1.404,00 De kosten aan de zijde van Assuline worden begroot op: - vast recht € 500,00 - salaris procureur € 904,00 (2 punten × tarief II € 452,00) Totaal € 1.404,00 5. De beslissing De rechtbank I. verklaart [eisers ] niet-ontvankelijk in hun vordering jegens CSPF; II. wijst de vordering jegens Assuline af; III. veroordeelt [eisers ] in de kosten van dit geding, aan de zijde van CSPF begroot op € 1.404,00; IV. veroordeelt [eisers ] in de kosten van dit geding, aan de zijde van Assuline begroot op € 1.404,00; V. verklaart de kostenveroordeling jegens Assuline uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Japenga en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2007.?