Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0403

Datum uitspraak2007-12-14
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/2549 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid medische en arbeidskundige grondslag. Geschiktheid geselecteerde functies.


Uitspraak

06/2549 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 april 2006, 05/2887 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 14 december 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2007. Appellante is verschenen, vergezeld door haar partner en bijgestaan door mr. Klinkert. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn. II. OVERWEGINGEN Appellante heeft sinds 1987 recht op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Ingaande 11 november 2003 heeft het Uwv aan appellante vanwege verergerde whiplash klachten ten gevolge van een aanrijding de WAO-uitkering verleend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante tijdens het spreekuur op 19 juli 2004 heeft de verzekeringsarts H. Oderkerk een neuropsychologisch expertise noodzakelijk geacht. Bij rapport van 9 september 2004 heeft de klinisch neuropsycholoog dr. E.J.T. Matser het volgende opgemerkt: “Onderzochte is een 45-jarige vrouw die een milde achteruitgang toont wat betreft haar cognitieve prestaties. Betrokkene toont een milde toename van concentratiestoornissen en een toename van vertraging betreffende de informatieverwerking bij een boven gemiddelde intelligentie. Wanneer taken een beroep doen op tijdsdruk en snelheid van mentaal handelen zijn de prestaties beneden de eigen- en de normscores.” Als uitleg voor de kwalificatie van de term “mild” schrijft de neuropsycholoog het volgende: "Mild betreft geen spreektaal maar is een neurologische classificatie waarbij klachten in ernst worden geschat. Bij milde klachten zijn personen niet op ADL niveau gestoord wat betreft de neurocognitieve functies maar hebben ze problemen met complexe taken uit te voeren. De term ernstig wordt gebruikt bij ziektebeelden waarbij personen ook op ADL niveau hinder hebben van neurologische stoornissen (zoals oa. bij een vergevorderd Alzheimer dementie beeld)." Na ontvangst van de neuropsychologische expertise heeft de verzekeringsarts in zijn vervolgrapportage van 29 november 2004 overwogen dat er bij appellante voldoende objectieve gegevens zijn om uit te gaan van verminderde mogelijkheden op het gebied van persoonlijk functioneren en dynamische en statische handelingen. Appellante is aangewezen op werkzaamheden, waarbij ze niet continue haar aandacht moet richten of aanspraak moet doen op haar geheugen. Ze is aangewezen op werk c.q. taken waarin geen sprake is van combinatie van tijdsdruk en snelheid van mentaal handelen. Op het fysieke vlak is appellante aangewezen op rugsparende werkzaamheden. Als er rekening wordt gehouden met bovenstaande beperkingen is er geen indicatie voor een urenbeperking, aldus de verzekeringsarts. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige E. van de Sloot een drietal functies geselecteerd als voor appellante gangbaar te achten arbeid. Deze functies worden naar zijn oordeel gekenmerkt door de afwezigheid van overmatige werkdruk in combinatie met mentaal handelen en waarbij voldoende regelvrijheid aanwezig is om diverse handelingen af te wisselen waardoor niet eenzijdig continue aandacht moet worden gericht. Het betreft verder fysiek licht werk waarbij geen conflicten behoeven te worden gehanteerd. Bij primair besluit van 8 februari 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 9 april 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Appellante heeft als bezwaar tegen dit besluit geuit dat het haar onmogelijk is om acht uur per dag te werken. Zij heeft haar standpunt onder meer geadstrueerd aan de hand van een uitgebreid dagverhaal, waaruit naar voren komt dat zij het voor haar functioneren noodzakelijk acht enkele malen per dag structurele rustmomenten in te lassen. Daarnaast is er een op verzoek van gemachtigde van appellante opgesteld schrijven van 13 juni 2005 van neuropsycholoog Matser ingebracht waarin deze, naast een samenvatting van zijn eerdergenoemde onderzoekgegevens, meldt van mening te zijn dat appellante op dit moment in staat lijkt 20 uur per week te werken (4 uur per dag). Indien appellante deze balans van inspanning niet goed vast zou houden dan ontwikkelt zij te snel overbelastingsverschijnselen die interfereren met mentale en fysieke duurbelasting. De bezwaarverzekeringsarts A. Deitz heeft naast zijn eigen lichamelijk onderzoek van appellante na de hoorzitting de nieuwe medische informatie in zijn beschouwing betrokken en hierin geen aanleiding gezien een urenrestrictie noodzakelijk te achten. De bezwaarverzekeringsarts stelt dat het wel zo mag zijn dat appellante meerdere keren per dag rust neemt en in bed gaat liggen, zoals uit het uitvoering gedocumenteerde dagverhaal blijkt, maar vanuit medisch oogpunt zijn deze extra rusttijden niet echt noodzakelijk. Er is hierdoor zelfs een ongewenste mate van deconditionering ontstaan. Dat de neuropsycholoog deze urenbeperking wel adviseert wordt niet ondersteund door de geobjectiveerde medische feiten. Bij besluit van 29 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat het Uwv ten onrechte van oordeel is dat een medische urenbeperking niet aan de orde is. Volgens appellante is deze visie medisch onverantwoord, want deze leidt tot overbelasting en is nadelig voor haar pogingen tot reïntegratie naar werkzaamheden voor twintig uur per week. De Raad overweegt als volgt. Ten aanzien van de door de neuropsycholoog Matser noodzakelijk geachte urenbeperking is de Raad van oordeel dat deze niet in verhouding staat tot zijn eerdere omschrijving en uitleg van appellantes cognitieve beperkingen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de voorgehouden functies geen complexe taken kennen die een dusdanige zware mentale inspanning van appellante zouden vergen dat daardoor haar arbeidsprestaties zo laag zouden komen te liggen dat gesteld kunnen worden dat het onredelijk zou zijn dit van haar of van een werkgever te verwachten. Dit mede ook gezien in het licht van appellantes opleidings-niveau en het lage niveau van deze functies. Van de zijde van appellante is ter zitting aangegeven dat de (bezwaar)verzekeringsartsen naar haar mening geen of in ieder geval te weinig rekening gehouden hebben met haar dagverhaal. Ten aanzien hiervan merkt de Raad op dat de verzekeringsartsen beiden het dagverhaal in hun beschouwing betrokken hebben. De Raad is voorts van oordeel dat het dagverhaal zelf enkel en alleen nooit van doorslaggevende betekenis kan zijn voor het aannemen van (volledige) arbeidsongeschiktheid of de noodzaak van een urenbeperking, maar zijn betekenis heeft bij het licht van de overige omtrent een verzekerde bekende gegevens van medische en feitelijke aard. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 december 2007. (get.) D.J. van der Vos. (get.) T.R.H. van Roekel. JL