Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0392

Datum uitspraak2007-11-30
Datum gepubliceerd2007-12-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/306 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAO-uitkering.


Uitspraak

06/306 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 januari 2006, 05/3589 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 30 november 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.E.L.Th. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een commentaar op het hoger beroep van J.A.M.M. Sijben, bezwaarverzekeringsarts, ingezonden. Voormelde gemachtigde heeft bij brieven van 16 januari 2006 aanvullingen gegeven op het hoger beroep. Bovengenoemde gemachtigde heeft bij brief van 3 oktober 2007 nog een nadere toelichting op het standpunt van appellant gegeven. Het Uwv heeft bij schrijven van 17 oktober 2007 op voormelde brieven gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007. Appellant en zijn gemachtigde waren, met voorafgaand bericht, niet aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A.C.M. van de Pol. II. OVERWEGINGEN Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende. Appellant heeft zich op 6 november 2003 ziek gemeld in verband met knieklachten en klachten van psychische aard. Het Uwv heeft bij besluit van 24 december 2004 geweigerd hem na afloop van de wettelijke wachttijd per 4 november 2004 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) omdat de mate van arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op minder dan 15%. Aan dit besluit ligt onder meer een onderzoek door J.M. Nieuwenhuis, arts, ten grondslag. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 14 september 2005 (hierna: het bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1. In de loop van het beroep bij de rechtbank heeft het Uwv bij besluit van 18 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit 2) het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard, onder meer omdat met recht bezwaar was gemaakt tegen de overschrijding van de termijn waarbinnen het primaire besluit genomen had moeten worden; de weigering om een WAO-uitkering toe te kennen is daarbij echter in stand gelaten. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede gericht geacht tegen het bestreden besluit 2 en tevens geoordeeld, dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een zelfstandige beoordeling van het bestreden besluit 1 en het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. In hoger beroep zijn namens appellant in verband met bestreden besluit 2 grieven van medische en arbeidskundige aard naar voren gebracht. Tevens is gesteld, dat de bezwaarverzekeringsarts heeft verzuimd appellant zelf te onderzoeken terwijl daartoe voldoende aanleiding bestond. Naderhand is daaraan toegevoegd, dat het medisch onderzoek in de primaire fase niet is verricht door een geregistreerd verzekeringsarts. Het Uwv heeft in reactie daarop in voormelde brief van 17 oktober 2007 erkend dat de arts Nieuwenhuis voornoemd niet is geregistreerd als verzekeringsarts en dat het deswege aan het primaire onderzoek klevende gebrek niet in de bezwaarfase is geheeld, omdat de bezwaarverzekeringsarts zich heeft beperkt tot dossieronderzoek. De Raad oordeelt als volgt. De Raad constateert, dat appellant er bezwaar tegen heeft gemaakt dat het medisch onderzoek dat op 1 november 2004 heeft plaatsgevonden niet is verricht door een geregistreerd verzekeringsarts en dat het Uwv deze omissie heeft erkend alsmede, dat dit gebrek in bezwaar niet is hersteld. De Raad onderschrijft (ook) dit laatste: er is in bezwaar volstaan met bestudering van het dossier en de overige gegevens, terwijl er, gelet op het genoemde gebrek en de voorhanden zijnde gegevens met name met betrekking tot de psychische situatie van appellant, voldoende reden bestond om - minimaal - tot een eigen onderzoek van appellant over te gaan. Het voorgaande betekent, dat, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 18 juli 2007, LJN BA9905 en 22 augustus 2007, LJN BB2542, USZ 2007, 295, het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond moet worden verklaard en dat dit besluit wegens strijd met de artikel 3:2 van de Awb vernietigd dient te worden. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen. De uitspraak van de rechtbank komt, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep, te begroten op € 644,- in beroep en € 322,- in hoger beroep. Tevens dient het Uwv het betaalde griffierecht in beide instanties te vergoeden. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep, ten bedrage van in totaal € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het betaalde griffierecht in beide instanties ten bedrage van € 37,- en € 106,- aan appellant vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 november 2007. (get.) D.J. van der Vos. (get.) W.R. de Vries. JL