
Jurisprudentie
BC0372
Datum uitspraak2007-12-18
Datum gepubliceerd2007-12-21
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2007/445
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-21
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2007/445
Statusgepubliceerd
Indicatie
Ex-werkneemster/uitzendkracht bij gemeente vordert schadevergoeding van wethouder in privé omdat deze zich onrechtmatig gedragen zou hebben, onder meer doordat hij er de hand in zou hebben gehad dat zij haar woning moest verlaten en zij geen werk meer kreeg bij de gemeente. Het hof wijst – net als de rechtbank – de vorderingen af.
Uitspraak
18 december 2007
derde civiele kamer
rolnummer 2007/445
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Arrest
in de zaak van:
[appellante],
appellante,
wonende te [woonplaats],
procureur: mr. B. Willemsen,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
procureur: mr. P.J.M. van Wersch.
1 Het geding in eerste aanleg
Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 20 december 2006 en 14 februari 2007 die de rechtbank Arnhem tussen appellante (hierna te noemen: [appellante]) als eiseres en geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde heeft gewezen; van het laatste vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 [appellante] heeft bij exploot van 2 maart 2007 (gevolgd door een herstelexploot van gelijke datum) [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van 14 februari 2006 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.
2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] vier grieven tegen dat vonnis aangevoerd en toegelicht en gevorderd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, kort gezegd, haar vorderingen weergegeven in de inleidende dagvaarding alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de beide instanties.
2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente over het desbetreffende bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van het te wijzen arrest tot de dag van volledige betaling.
2.4 Partijen hebben hun zaak ter terechtzitting van het hof van 31 oktober 2007 doen bepleiten, [appellante] door haar procureur, [geïntimeerde] door mr. F.J.P. Delissen, advocaat te Nijmegen. Beide advocaten hebben een pleitnotitie in het geding gebracht.
2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.
3 De vaststaande feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.14 feiten vastgesteld. [appellante] heeft met haar eerste grief geklaagd over die vaststelling. Zoals uit de hierna volgende bespreking van de grief zal blijken, faalt zij. Het hof zal dan ook van de door de rechtbank vastgestelde feiten uitgaan.
4 De motivering van de beslissing in hoger beroep
4.1 [appellante] keert zich met haar eerste grief tegen de vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep. Zij is van mening dat de rechtbank geen feiten mocht ontlenen aan de door de gemeente bij conclusie van antwoord overgelegde vonnissen van 2 maart 2005 gewezen door de rechtbank Arnhem in de zaak van [appellante] tegen de gemeente [plaatsnaam] (verder: de gemeente) en van 12 augustus 2005 gewezen door de kantonrechter in Nijmegen in de zaak van [appellante] tegen Randstad Uitzendbureau (verder: Randstad).
4.2 De grief faalt. [geïntimeerde] heeft deze vonnissen bij conclusie van antwoord in het geding gebracht en de vonnissen maakten daarmee als producties deel uit van de processtukken. [appellante] heeft ook op die stukken kunnen reageren. Gesteld noch gebleken is dat zij de inhoud van deze producties heeft betwist. Ook in hoger beroep heeft zij dat niet gedaan. Anders dan [appellante] heeft aangevoerd, brengt de omstandigheid dat de vonnissen bij het wijzen van het bestreden vonnis nog niet onherroepelijk waren, niet mee dat de rechtbank niet uit de inhoud van de overgelegde vonnissen mocht putten. Bovendien gaat het bij de desbetreffende rechtsoverwegingen in het bestreden vonnis (rov. 2.10 en 2.11) louter om een (feitelijk juiste) weergave van de vorderingen in die procedures, een letterlijk citaat uit een dragende rechtsoverweging in een van de zaken en de (juiste) weergave van de afloop van de eerste aanleg van de beide zaken. Opmerking verdient verder dat [appellante] in de inleidende dagvaarding zelf melding heeft gemaakt van die twee procedures. De rechtbank heeft ten slotte - terecht - ook geen gezag van gewijsde aan die twee vonnissen toegekend.
4.3 Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende.
[appellante] is van 7 mei 2001 tot 2 september 2002 in opdracht van Randstad, waar zij toen in loondienst was, gedetacheerd geweest als secretaresse bij het projectbureau Directie Grondgebied (DGG) van de gemeente. [geïntimeerde] was in die periode (en is ook nu nog) wethouder van de gemeente.
Op 2 september 2002 heeft de gemeente de detacheringsovereenkomst met Randstad opgezegd. [appellante] is toen bij de gemeente vertrokken.
[appellante] heeft op 2 september 2002 ondervonden dat de sloten van de door haar bewoonde, door de gemeente [plaatsnaam] aan een derde verhuurde woning aan de [adres] waren vervangen en dat haar huisraad op 3 en 7 september 2002 op straat is gezet.
[geïntimeerde] heeft op of omstreeks 8 oktober 2002 contact opgenomen met de politie [plaatsnaam] in verband met geruchten dat hij een relatie met [appellante] zou hebben en dat hij zijn invloed als wethouder zou hebben misbruikt bij de beslissing de detachering van [appellante] bij de gemeente te beëindigen en haar uit haar woning te zetten. [geïntimeerde] heeft de politie toen een kopie van de brief van 8 oktober 2002 van de directeur van DGG, [A.], aan Randstad, overhandigd waarin onder meer is te lezen dat [appellante] [geïntimeerde] op hinderlijke wijze achtervolgt en dat [A.] er bij Randstad op aandringt het ertoe te leiden dat [appellante], die toen nog in dienst was van Randstad, dat gedrag zou staken. De politie heeft [geïntimeerde] toen geadviseerd geen aangifte wegens stalking door [appellante] te doen.
In maart 2005 is [appellante] benaderd door haar nieuwe werkgever, Uitzendbureau Start, voor een nieuwe functie bij de gemeente. [B.], hoofd concernadministratie, tevens afdelingshoofd van de gemeente, heeft op 18 maart 2005 een gesprek met [appellante] gevoerd. Zij heeft diezelfde dag van Start te horen gekregen dat zij bij de gemeente kon beginnen. Op 28 maart 2005 heeft Start haar echter meegedeeld dat de gemeente heeft laten weten dat [appellante] niet gewenst was bij de gemeente.
4.4 [appellante] heeft de gemeente voor de rechtbank Arnhem gedagvaard en schadevergoeding gevorderd op grond van de stelling dat de gemeente de detachering in september 2002 ten onrechte en op oneigenlijke gronden heeft beëindigd, zonder haar over eventueel disfunctioneren tevoren te waarschuwen. De rechtbank heeft de vordering bij vonnis van 2 maart 2005 afgewezen. [appellante] heeft hoger beroep tegen dat vonnis ingesteld bij dit hof, maar dat hoger beroep is ter rolle van 9 januari 2007 ambtshalve doorgehaald.
[appellante] heeft op 8 april 2005 de gemeente voorts in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem en gevorderd, samengevat, dat de gemeente wordt bevolen zich te onthouden van negatieve uitlatingen over haar op straffe van een dwangsom en wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot op de aan haar verschuldigde schadevergoeding, groot € 10.000,-. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 26 april 2005 de gemeente veroordeeld een bedrag van € 1.000,- aan [appellante] te betalen, de gemeente in de kosten veroordeeld en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Ook heeft [appellante] Randstad gedagvaard voor de rechtbank Arnhem en schadevergoeding gevorderd op grond van de stelling dat Randstad zich niet als goed werkgever - en daarmee onrechtmatig jegens [appellante] - heeft gedragen door de oren teveel naar de gemeente te laten hangen. Na verwijzing van de zaak door de rechtbank naar de kantonrechter in Nijmegen, heeft deze de vorderingen bij vonnis van 12 augustus 2005 afgewezen met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding. [appellante] heeft hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter ingesteld. Het hof heeft dat vonnis bij arrest van 20 maart 2007 bekrachtigd.
4.5 [appellante] vordert in deze zaak, ingeleid bij dagvaarding van 17 november 2006, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 9.673,52 plus P.M. en € 16.710,78 wegens materiele schade en € 20.000,- wegens immateriële schade, telkens vermeerderd met wettelijke rente. Het eerste bedrag heeft betrekking op - tot de dag van de inleidende dagvaarding - gederfd inkomen, het tweede op schade als gevolg van de ontruiming op 2 september 2002 van de door [appellante] bewoonde, aan de gemeente toebehorende woning aan de [adres]. Het derde bedrag betreft de schade die [appellante] heeft geleden als gevolg van het feit dat haar carrière bij de overheid is belemmerd dan wel onmogelijk is gemaakt, het in diskrediet brengen van haar goede naam, de omstandigheid dat haar vertrouwen in mensen ernstig is geschaad en de omstandigheid dat [geïntimeerde] (tegen haar wil) contact met haar blijft zoeken. Zij legt aan deze vorderingen ten grondslag dat [geïntimeerde] zich jegens haar op onrechtmatige wijze heeft gedragen en uit dien hoofde voor de genoemde schade aansprakelijk is. De rechtbank heeft de stellingen van [appellante] aldus uitgelegd, dat [geïntimeerde] haar op onrechtmatige manier heeft zwart gemaakt of heeft tegengewerkt, zodat zij wordt belemmerd in het vinden van een werkkring, vooral bij de overheid, en bij het vinden van woonruimte, waardoor zij vermogensschade en ander nadeel heeft geleden en lijdt.
4.6 [appellante] heeft in de inleiding van de memorie van grieven geklaagd over de gang van zaken tijdens de voor de rechtbank gehouden comparitie van partijen en daaraan de conclusie verbonden dat reeds om die reden het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Allereerst heeft de rechter volgens [appellante] gezegd dat hij met [geïntimeerde] te doen had. [geïntimeerde] heeft dit ontkend. Hoe dat zij, als de rechter dit gezegd zou hebben en als dit al grond zou kunnen opleveren om aan de onpartijdigheid van de rechter te twijfelen (dat kan het hof zonder nadere gegevens, zoals de context waarin de woorden zijn gebezigd, niet beoordelen), geldt dat de zaak in hoger beroep opnieuw wordt beoordeeld. Verder heeft de rechter volgens [appellante] bij het afsluiten van de zitting een tussenvonnis met een bewijsopdracht aan [appellante] in het vooruitzicht gesteld, zodat zij verrast werd door het bestreden vonnis, dat een eindvonnis bleek te zijn. [geïntimeerde] heeft dit eveneens betwist. Het hof stelt vast dat het proces-verbaal van comparitie geen aanwijzing geeft voor de juistheid van het standpunt van [appellante]. Maar ook wat dit betreft geldt dat de zaak in hoger beroep opnieuw wordt beoordeeld. [appellante] heeft ten slotte opgemerkt dat het proces-verbaal vermeldt dat ter gelegenheid van de comparitie een griffier aanwezig was, wat volgens haar niet het geval was. Dit laatste berust op kennelijk onjuiste lezing van het proces-verbaal. Het proces-verbaal vermeldt de namen en de handtekeningen van de rechter en de griffier. Het hof wil wel aannemen dat de griffier niet de hele zitting heeft bijgewoond, maar daarmee is niet gezegd dat het proces-verbaal inhoudelijk onjuist is. Kennelijk is de griffier wel aanwezig is geweest bij het opnemen van de verklaringen van partijen, die beide partijen ook hebben ondertekend. [appellante] heeft verder opgemerkt dat de handtekeningen onder het proces-verbaal “anders” zijn dan die onder het bestreden vonnis. De handtekening van de rechter die het vonnis heeft gewezen, is evenwel kennelijk dezelfde als die onder het proces-verbaal van comparitie. Dat, ten slotte, de handtekening van de griffier onder het vonnis een andere is dan die vermeld onder het proces-verbaal heeft uitsluitend met de organisatie van de rechtbank te maken; de griffier die het vonnis mede heeft ondertekend is kennelijk een andere dan die tijdens (een gedeelte van) de comparitie aanwezig was. De klachten kunnen niet leiden tot vernietiging van het vonnis.
4.7 Met de tweede grief keert [appellante] zich allereerst tegen de uitleg die de rechtbank in de rechtsoverwegingen 4.2, 4.3 en 4.4 heeft gegeven aan de door [appellante] aan haar vorderingen ten grondslag gelegde stellingen. De klacht van [appellante] betreft gelet op de toelichting, goed beschouwd, niet zozeer die uitleg, als wel de omstandigheid dat de rechtbank niet in aanmerking heeft genomen de liefdesrelatie die volgens [appellante] tussen partijen heeft bestaan en de stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] haar is blijven lastig vallen, zodat zij genoodzaakt was hem tot twee maal toe bij brief van haar advocaat te sommeren daarmee op te houden. Het gaat er echter om of [geïntimeerde] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk kan worden geacht voor de drie hiervoor genoemde schadeposten. Voor die beoordeling acht het hof de vraag of tussen partijen een liefdesrelatie heeft bestaan, zoals [appellante] heeft gesteld, maar [geïntimeerde] heeft betwist, evenals de rechtbank op zichzelf niet van belang. De rechtbank heeft inderdaad geen aandacht besteed aan het beweerdelijk lastig vallen van [appellante]. Dat kan [appellante] echter niet baten. Zij heeft immers onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, die meebrengen dat [geïntimeerde] met dat lastig vallen (wat hij overigens heeft ontkend) het oogmerk heeft gehad [appellante] immateriële schade te berokkenen of zodoende [appellante] in haar eer of goede naam heeft geschaad of op andere wijze in haar persoon heeft aangetast. In de door [appellante] ter toelichting van haar stellingen overgelegde sommatie van 1 maart 2006 is enkel te lezen dat [geïntimeerde] [appellante] regelmatig opzoekt op haar werkplek bij [...] en dat [appellante] dat niet prettig vindt. In de door haar overgelegde brief van 7 juli 2006 staat vervolgens dat [appellante] er verheugd over is dat zij na 1 maart 2006 [geïntimeerde] niet meer onder ogen heeft hoeven komen.
4.8 Wat de met deze grief tevens aan de orde gestelde kosten van ontruiming of uitzetting van de woning aan de [adres] betreft, is het hof van oordeel dat ook in hoger beroep onduidelijk is gebleven welk concreet verwijt [appellante] [geïntimeerde] nu eigenlijk maakt. [appellante] stelt in de memorie van toelichting een aantal retorische vragen over de rol van [geïntimeerde] bij de ontruiming (zoals: “wie heeft dan zoveel macht om haar woning te ontruimen zonder voorafgaand een procedure te volgen, sterker nog, zonder [appellante] hiervan mededeling te doen?”) en verwijst verder naar de inleidende dagvaarding, waaruit de betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de uitzetting zou moeten blijken. Het hof kan daarin wat de ontruiming betreft alleen vinden dat [geïntimeerde] in zijn functie van wethouder van de gemeente, belast met onder meer het woningbeleid, verantwoordelijk zou zijn voor de uitzetting. Daargelaten dat een handelen in de hoedanigheid van wethouder, dus als orgaan van de gemeente, eerst en vooral zou moeten leiden tot aansprakelijkheid van de gemeente, [appellante] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor deze schadepost (in privé) kunnen leiden. [appellante] heeft in de inleidende dagvaarding gesteld dat zij op september 2002 de woning niet meer in kon, omdat de sloten waren vervangen. Gesteld noch gebleken is echter dat [geïntimeerde], die onweersproken heeft gesteld dat de verhuur van het gemeentelijke woningbestand niet tot zijn portefeuille behoorde, daarin de hand heeft gehad. De tweede grief faalt eveneens.
4.9 De derde grief heeft betrekking op rechtsoverweging 4.5 van het vonnis waarvan beroep, waarin de rechtbank is ingegaan op de stelling dat [geïntimeerde] [B.] heeft beïnvloed bij zijn beslissing [appellante] in 2005 niet op detacheringsbasis aan te nemen. [appellante] klaagt er vooral over dat zij niet tot bewijslevering is toegelaten, terwijl zij dit, anders dan de rechtbank heeft overwogen, tijdens de comparitie heeft aangeboden. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat wat [appellante] over deze kwestie heeft gesteld, niet meer dan speculatief is, zodat er geen aanleiding was om [appellante] tot bewijslevering toe te laten. [appellante] heeft in dit verband in de inleidende dagvaarding enkel het volgende gesteld ([appellante] verwijst daar naar de behandeling van het door haar tegen de gemeente gevoerde kort geding):
“De behandelend rechter heeft op de zitting tot drie maal toe de naam van [geïntimeerde] genoemd als zijnde de persoon die binnen de gemeente ervoor had gezorgd dat [appellante] die baan niet kreeg. De heer [B.] weigerde dit noch te bevestigen noch te ontkennen. Hieruit kan gekonkludeerd worden dat [geïntimeerde] zijn invloed op een voor [appellante] onrechtmatige wijze heeft uitgeoefend.”
Die conclusie volgt echter bepaald niet uit het - door [geïntimeerde] gemotiveerd betwiste - citaat. Het hof merkt verder op dat in de brief van de gemeente van 8 oktober 2002 aan Randstad twee redenen voor beëindiging van de detachering van [appellante] worden genoemd, te weten de omstandigheid dat [appellante] vanaf het begin van de detachering met diverse mensen op de afdeling waar zij werkzaam was conflicten heeft (gehad) en dat zij bijnamen hanteerde voor de medewerkers van de afdeling, die voor een deel zeer beledigend waren. In het tussen [appellante] en Randstad gewezen vonnis van de kantonrechter van 12 augustus 2005 is te lezen dat Randstad in september 2002 zelfstandig onderzoek heeft gedaan naar de beëindiging van de detachering van [appellante] bij de gemeente en haar naar aanleiding daarvan op 11 september 2002 een officiële waarschuwing heeft gegeven. Die komt erop neer dat [appellante] zich voortaan diende te onthouden van intimiderend of beledigend gedrag tegenover collega’s of leidinggevenden en dat zij privé-aangelegenheden zoveel mogelijk buiten het werk diende te houden. [appellante] heeft deze feiten niet (gemotiveerd) betwist. Die maken minst genomen aannemelijk dat de gemeente in 2005 goede grond had niet meer met [appellante] in zee te gaan. Ook als het hof als vaststaand zou aannemen dat [geïntimeerde] in 2005 zijn invloed heeft aangewend om de detachering [appellante] niet te laten plaats vinden, is dat gelet op die voorgeschiedenis, zonder nadere gegevens die [appellante] niet heeft verstrekt, nog niet onrechtmatig jegens haar. De derde grief faalt eveneens.
4.10 De vierde grief is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.8 tot en met 4.11 van het vonnis. De rechtbank heeft daarin het verwijt van [appellante] besproken dat [geïntimeerde] op 11 en 14 oktober 2002 in het openbaar zou hebben verklaard dat [appellante] hem stalkte en dat hij daarvan aangifte zou hebben gedaan. [appellante] voert allereerst aan dat niet sprake was van een gerucht over een relatie tussen partijen, maar van een vaststaand feit. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen, acht het hof de vraag of partijen een relatie met elkaar hebben gehad, niet van belang. Vast staat wel dat er op zeker moment een gerucht over die relatie is ontstaan en over mogelijk machtsmisbruik van de zijde van [geïntimeerde]. Daarbij kan in het midden blijven of [geïntimeerde] die geruchten in de wereld heeft gebracht (wat overigens niet bijzonder voor de hand lijkt te liggen), nu [appellante] zelf stelt dat het in beide gevallen om een vaststaand feit gaat. Wezenlijk voor de beoordeling van de vorderingen is of er grond was voor het verwijt van [appellante] dat [geïntimeerde] in het openbaar heeft verklaard dat [appellante] zich schuldig maakte aan stalking, een strafbaar feit. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.11 geheel. Wat [appellante] in de toelichting op de grief aanvoert, kan niet tot een ander oordeel leiden. De grief deelt in het lot van de overige grieven.
4.11 Tijdens het pleidooi heeft [appellante] “vraagtekens geplaatst” bij de rol van [geïntimeerde] bij de problemen die zij heeft ondervonden bij de inschrijving van haar nieuwe woonadres (het hof neemt aan:) in de Gemeentelijke Basis Administratie van de gemeente. [appellante] verwijt [geïntimeerde] met zoveel woorden zijn politieke invloed te hebben aangewend, tengevolge waarvan de bestuursrechtelijke procedure over de inschrijving voor haar negatief is afgelopen; de beslissing in die procedure zou zijn gegeven door een partijgenoot van [geïntimeerde]. “Kortom, ook in de bestuursrechtelijke procedure bleek geen onpartijdige rechter voorhanden”, aldus [appellante]. Het hof gaat aan dit betoog voorbij, reeds omdat dat niet uitmondt in een daarop toegesneden vordering.
4.12 [appellante] heeft tijdens het pleidooi bewijs aangeboden van haar stellingen, die er alle op neerkomen dat [geïntimeerde] “een rol” heeft gespeeld bij de beëindiging van haar detachering, bij het verspreiden van de geruchten en bij de uitzetting uit de woning. Nu zij geen feiten en omstandigheden heeft gesteld, die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, gaat het hof aan het aanbod voorbij.
Slotsom
De grieven falen alle, zodat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad, zoals [geïntimeerde] heeft gevorderd, en vermeerderd met de niet bestreden wettelijke rente daarover.
Beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het door de rechtbank Arnhem op 14 februari 2007 tussen partijen gewezen vonnis;
veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] bepaald op € 4.893,- voor salaris van de procureur en € 1.136,- wegens vast recht, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na betekening van dit arrest tot de dag van volledige betaling;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Ginkel, Strens-Meulemeester en Van Acht en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2007.