Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0358

Datum uitspraak2007-11-27
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 07/2926
Statusgepubliceerd


Indicatie

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de motivering die thans ten grondslag ligt aan het besluit op bezwaar niet draagkrachtig is. Verweerders motivering die heeft geleid tot de conclusie dat verzoeksters geen beroep kunnen doen op de overgangsbepaling van artikel 30, tweede lid, van de planvoorschriften van het geldende bestemmingsplan “Maarsenbroek Werkgebied” volgt de voorzieningerechter niet. In dit artikel is juist tot uitdrukking gebracht dat bij de vraag of het gebruik in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan (“Maarssenbroeksedijk”), ook het overgangsrecht van dat voorheen geldende bestemmingsplan moet worden betrokken. Verzoeksters en verweerder hebben zich echter nog niet uitgelaten over de vraag of het gebruik in overeenstemming was met het voorheen geldende overgangsrecht. De voorzieningenrechter doet derhalve niet tevens uitspraak op het beroep.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 07/2926 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 november 2007 inzake Rova Beheer B.V. en Avor Beheer B.V., gevestigd te Maarssen, verzoeksters, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen, verweerder. Inleiding 1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 27 september 2007, waarbij het bezwaar van verzoeksters tegen het besluit van 5 juni 2007 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit zijn verzoeksters gelast de exploitatie van Robs Bouwmarkt op het perceel Nijverheidsweg 1 te Maarssen voor 21 juni 2007 te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 100.000,-. 1.2 Het verzoek is op 13 november 2007 ter zitting behandeld, waar namens verzoeksters [belanghebbende] is verschenen, bijgestaan door mr. P.H. Revermann. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Goris, werkzaam bij de gemeente Utrecht en bijgestaan door mr. drs. H.A. Samuels Brusse, advocaat te Utrecht. Tevens is ter zitting verschenen [vergunninghouder], bijgestaan door mr. M.W. Huijbers, advocaat te Utrecht, die tevens namens Praxis B.V. aanwezig was. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Voor de feiten die op deze procedure betrekking hebben en het relevante wettelijk kader verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2007 (met registratienummer SBR 07/1582). In deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter overwogen dat, met name gelet op de door verzoeksters overgelegde beslissing op bezwaar van 24 januari 1996, verweerders redenering dat Robs Bouwmarkt niet onder het overgangsrecht valt onvoldoende overtuigend was. 2.4 In het thans bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de vrijstelling die bij besluit van 1 april 1981 is verleend voor de Karwei Bouwmarkt op het perceel Nijverheidsweg 1 een vrijstelling is van het gebruiksverbod van het in 1981 geldende bestemmingsplan "Maarssenbroek". Deze vrijstelling kan volgens verweerder niet gelden als een vrijstelling van het nadien, in 1985, in werking getreden bestemmingsplan "Maarssenbroeksedijk", omdat in dat nieuwe bestemmingsplan dat specifieke gebruiksverbod niet meer geldt. Het gebruik als bouwmarkt op het betreffende perceel was dus in strijd met het bestemmingsplan "Maarssenbroeksedijk" en valt derhalve niet onder het in artikel 30 opgenomen overgangsrecht van het huidige bestemmingsplan "Maarsenbroek Werkgebied". 2.5 Verzoeksters hebben gesteld dat de in 1981 verleende vrijstelling nog wel geldig is. Tijdens het bestemmingsplan "Maarssenbroeksedijk" dat in 1985 in werking is getreden, is de vrijstelling op grond van het overgangsrecht van dat nieuwe bestemmingsplan blijven gelden, omdat het betreffende pand bij de inwerkingtreding in 1985 al in gebruik was als bouwmarkt. Ook bij het huidige bestemmingsplan "Maarsenbroek Werkgebied", in werking getreden op 8 december 2006, valt de vrijstelling voor het betreffende pand onder het overgangsrecht, nu tot op heden het pand is gebruikt als bouwmarkt. Tot 2002 door Karwei Bouwmarkt, vervolgens door Runner Meubelen en vanaf 6 december 2006 door Robs Bouwmarkt. 2.6 Anders dan verzoeksters hebben betoogd, is bij besluit van 1 april 1981 van het college uitsluitend vrijstelling verleend van het gebruiks- en/of bouwverbod van het toen geldende bestemmingsplan "Maarssenbroek". Een dergelijk besluit tot vrijstelling heeft geen betrekking op planvoorschriften van bestemmingsplannen die daarna in werking zijn getreden. Gebruik dat in strijd is met een nadien in werking getreden bestemmingsplan wordt beschermd door het overgangsrecht. 2.7 Artikel 30, tweede lid, onder 2.1, van de planvoorschriften van het geldende bestemmingsplan "Maarssenbroek Werkgebied" bepaalt het volgende. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond ten tijde van het van kracht worden van het verbod tot gebruik in strijd met de aan die gronden en bouwwerken gegeven bestemming en dat in enigerlei opzicht afwijkt van dit plan mag worden voortgezet. In artikel 30, tweede lid, onder 2.3, van de planvoorschriften is het volgende bepaald. Het in lid 2.1 bepaalde is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, waaronder begrepen de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan. 2.8 De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn motivering die heeft geleid tot de conclusie dat verzoeksters geen beroep kunnen doen op de overgangsbepaling van artikel 30, tweede lid, van de planvoorschriften van het geldende bestemmingsplan "Maarsenbroek Werkgebied". Met de zinsnede "waaronder begrepen de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan" in artikel 30, tweede lid, onder 2.3 van de planvoorschriften is juist tot uitdrukking gebracht dat bij de vraag of het gebruik in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan ("Maarssenbroeksedijk"), ook het overgangsrecht van dat voorheen geldende bestemmingsplan moet worden betrokken. Indien het betreffende gebruik in overeenstemming was met het voorheen geldende overgangsrecht, was het niet in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan. Ten aanzien van gebruik dat in overeenstemming was met het voorheen geldende overgangsrecht, geldt niet de uitzondering van artikel 30, tweede lid, onder 2.3 van de planvoorschriften. Voor dat gebruik kan dan ook wel een beroep worden gedaan op het overgangsrecht van artikel 30, tweede lid, onder 2.1 van de planvoorschriften. De voorzieningenrechter ziet overigens ondersteuning voor dit standpunt in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 23 mei 2007 (www.rechtspraak.nl, LJN: BA5515, rechtsoverweging 2.40.6). De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn stelling dat een dergelijke uitleg in strijd is met het systeem van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Dat op de gemeenteraad onder deze omstandigheden in beginsel de verplichting rust het gebruik positief te bestemmen, betekent niet dat er geen overgangsrecht nodig is als vangnet voor legaal gevestigde rechten. 2.9 Gelet op het voorgaande is de motivering die thans ten grondslag ligt aan het besluit op bezwaar niet draagkrachtig. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kan het besluit op bezwaar dan ook niet (ongewijzigd) in stand blijven. De voorzieningenrechter ziet, mede gelet op de betrokken belangen, aanleiding het besluit van 27 september 2007 en het besluit van 5 juni 2007 te schorsen. 2.10 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding tevens uitspraak te doen op het beroep. Voor de beslechting van dit geschil is namelijk van belang of de wijzigingen van het gebruik van het pand vóór de inwerkingtreding van het nu geldende bestemmingsplan, in overeenstemming waren met het overgangsrecht van artikel 22, tweede lid, van de planvoorschriften van bestemmingsplan "Maarssenbroeksedijk". Verzoeksters en verweerder hebben zich echter nog niet uitgelaten over de vraag of het gebruik in overeenstemming was met het voorheen geldende overgangsrecht. Daarbij zal van belang zijn of sprake is geweest van planologisch relevante wijzigingen van het gebruik die hebben geleid tot een grotere strijdigheid met bestemmingsplan "Maarssenbroeksedijk". Partijen kunnen - zo nodig na een gewijzigd besluit op bezwaar - in beroep hun standpunt hierover naar voren brengen en (met stukken) onderbouwen. 2.11 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeksters in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het verzoek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Beslissing De voorzieningenrechter: 3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; 3.2 schorst de besluiten van verweerder van 27 september 2007 en 5 juni 2007 3.3 bepaalt dat de gemeente Maarssen het door verzoeksters betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,- aan hen vergoedt; 3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- te betalen door de gemeente Maarssen. Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2007. De griffier: De voorzieningenrechter: mr. G. Delissen mr. R.P. den Otter Afschrift verzonden op: