
Jurisprudentie
BC0357
Datum uitspraak2007-12-14
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 07/3221
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 07/3221
Statusgepubliceerd
Indicatie
Nu tijdens een gesprek tussen verweerder en verzoeker op 31 oktober 2007 vrijwel alle vragen die verzoeker in zijn brief van 12 oktober heeft gesteld zijn beantwoord en het schriftelijke verslag van dat gesprek aan verzoeker is gezonden heeft verweerder hem voorafgaand aan het geplande gesprek met Hoffmann voldoende geïnformeerd. De dienstopdracht om aan dat gesprek met Hoffmann mee te werken is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook redelijk.
Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummer: SBR 07/3221
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 december 2007
inzake
[verzoeker],
wonende te Maarssen,
verzoeker,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen,
verweerder.
Inleiding
1.1 Het verzoek heeft betrekking op verweerders besluit van 7 november 2007 waarbij aan verzoeker de dienstopdracht is gegeven om op 19 november 2007 te verschijnen voor een gesprek met de onderzoekers van Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. en medewerking te verlenen aan dat onderzoek.
1.2 Het verzoek is op 30 november 2007 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R.R. Ismail, advocaat te Maarssen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemeentesecretaris], werkzaam bij de gemeente Maarssen. Het verzoek is gelijktijdig behandeld met de verzoeken van twee collega's van verzoeker.
Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.
2.3 Ten aanzien van verzoeker, die tot zijn schorsing van 5 november 2007 werkzaam was bij de afdeling Samenleving, is het vermoeden gerezen dat hij betrokken is bij een fraudezaak. Verweerder heeft Hoffmann op 19 april 2005 opdracht gegeven een nader onderzoek in te stellen. Dat onderzoek is op 26 mei 2005 door de Rijksrecherche overgenomen. Hierbij is verweerder te verstaan gegeven dat het eigen onderzoek diende te worden gestaakt. Recentelijk is het strafrechtelijke onderzoek afgerond. Ten aanzien van verzoeker is geen strafvervolging ingesteld.
Op 8 oktober 2007 heeft verweerder besloten het in mei 2005 door Hoffmann gestarte onderzoek te heropenen, teneinde de zaak tot op de bodem uit te zoeken. Verweerder kan niet kennis nemen van alle onderzoeksresultaten van de Rijksrecherche en wil ook andere vragen stellen en feiten onderzoeken dan de Rijksrecherche. Omdat verzoeker geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging voor een gesprek met Hoffmann op 7 november 2007 heeft verweerder verzoeker gesommeerd op 19 november 2007 alsnog te verschijnen en mee te werken aan het disciplinaire onderzoek.
2.4 Bij brief van 15 november 2007 heeft verweerder de voorzieningenrechter laten weten de datum waarop aan de dienstopdracht invulling dient te zijn gegeven op te schorten tot de dag waarop door de voorzieningenrechter uitspraak is gedaan.
2.5 De voorzieningenrechter overweegt dat in beginsel van een ambtenaar kan worden verwacht dat hij meewerkt aan een onderzoek naar diens eventuele betrokkenheid bij fraude. In dat verband is een opdracht tot het verschijnen op een gesprek niet onredelijk. Voor de beantwoording van de vraag of verweerder in het geval van verzoeker in redelijkheid tot de bestreden dienstopdracht heeft kunnen besluiten is het volgende van belang.
2.6 Verzoeker is voordat het onderzoek is overgenomen door de Rijksrecherche niet door Hoffmann gehoord. Hij heeft bij brief van 24 mei 2005 wel een uitnodiging voor een gesprek ontvangen, maar vanwege de overname van het onderzoek door de Rijksrecherche is dat gesprek door verweerder geannuleerd. Het onderzoek van de Rijksrecherche is inmiddels afgerond. Verzoeker is door de Rijksrecherche niet voor dat onderzoek benaderd.
2.7 Bij brief van 9 oktober 2007 heeft verweerder verzoeker op de hoogte gesteld van de heropening van het onderzoek door Hoffmann en aangekondigd dat hij zou worden uitgenodigd voor een gesprek. Verzoeker heeft daarop bij brief van 12 oktober 2007 gereageerd en met betrekking tot een 8-tal punten om schriftelijke informatie vooraf gevraagd. Uit verzoekers brief van 22 oktober 2007 blijkt dat verweerder tijdens een telefonisch onderhoud op 17 oktober 2007 heeft aangegeven slechts een mondelinge toelichting te willen geven. Verzoeker heeft vervolgens bij brief van 26 oktober 2007 laten weten dat hij, onder protest, op het gesprek van 31 oktober 2007 zal verschijnen. Van dat gesprek is een verslag gemaakt.
2.8 Uit dat verslag blijkt dat verweerder heeft aangegeven dat uit het onderzoek van Hoffmann en het onderzoek van de Rijksrecherche is gebleken dat bij de fraudezaak meerdere personen betrokken kunnen zijn. Een van die personen is verzoeker omdat hij goederen heeft afgenomen van het bedrijf TIM. Destijds heeft verweerder naar alle medewerkers een mail gestuurd met het verzoek te laten weten of iemand privé zaken met TIM had gedaan. Verzoeker heeft daar toen niet op gereageerd. Omdat het onderzoek in een vroeg stadium is overgenomen door de Rijksrecherche is dit nog nooit met verzoeker besproken. Verweerder wil daar nu alsnog meer duidelijkheid over verkrijgen.
2.9 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder tijdens het gesprek op 31 oktober 2007 voldoende duidelijk heeft aangegeven op grond waarvan verzoeker bij het onderzoek van Hoffmann wordt betrokken en welke verzoeker betreffende feiten volgens verweerder nader onderzoek behoeven. Nu tijdens dat gesprek vrijwel alle vragen die verzoeker in zijn brief van 12 oktober heeft gesteld zijn beantwoord en het schriftelijke verslag van dat gesprek aan verzoeker is gezonden heeft verweerder hem voorafgaand aan het geplande gesprek met Hoffmann voldoende geïnformeerd. De dienstopdracht om aan dat gesprek met Hoffmann mee te werken is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook redelijk.
2.10 Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal houden en is er geen reden om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De voorzieningenrechter,
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in 't Veld en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2007.
De griffier: De voorzieningenrechter:
mr. G. Delissen mr. drs. R. in 't Veld
Afschrift verzonden op: