Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0353

Datum uitspraak2007-12-14
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 07/3204
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ten aanzien van verzoeker heeft al een feitenonderzoek plaatsgevonden naar aanleiding waarvan verweerder ook al bepaalde maatregelen heeft genomen. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen toegevoegde waarde in een nieuw gesprek met Hoffmann dat, zoals verweerder ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard, slechts dient ter vaststelling van de feiten. Nu de in 2005 geconstateerde feiten voor verweerder blijkbaar dusdanig waren dat verzoeker op basis daarvan is geschorst ligt een verantwoordingsgesprek of een besluit ten aanzien van zijn rechtspositie dan ook meer in de rede. Gelet hierop en mede gelet op het feit dat het strafrechtelijke onderzoek inmiddels is afgerond is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een redelijke dienstopdracht.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 07/3204 uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 december 2007 inzake [verzoeker], wonende te Maarssen, verzoeker, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen, verweerder. Inleiding 1.1 Het verzoek heeft betrekking op verweerders besluit van 6 november 2007 waarbij aan verzoeker de dienstopdracht is gegeven om te verschijnen voor een gesprek met onderzoekers van Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Hoffmann) en medewerking te verlenen aan dat onderzoek. 1.2 Het verzoek is op 30 november 2007 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.F. Weenink, advocaat te De Meern. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemeentesecretaris] werkzaam bij de gemeente Maarssen, bijgestaan door mr. P. Vriezen, juridisch adviseur bij Vijverberg Juristen B.V. te Zoetermeer. Het verzoek is gelijktijdig behandeld met de verzoeken van twee collega's van eiser. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure. 2.3 Ten aanzien van verzoeker, die is aangesteld als hoofd van de afdeling Samenleving, is het vermoeden gerezen dat hij betrokken is bij een fraudezaak. Verweerder heeft Hoffmann op 19 april 2005 opdracht gegeven een nader onderzoek in te stellen. Dat onderzoek is op 26 mei 2005 door de Rijksrecherche overgenomen. Hierbij is verweerder te verstaan gegeven dat het eigen onderzoek diende te worden gestaakt. Recentelijk is het strafrechtelijke onderzoek afgerond. Ten aanzien van verzoeker is geen strafvervolging ingesteld. Op 8 oktober 2007 heeft verweerder besloten het in mei 2005 door Hoffmann gestarte onderzoek te heropenen, teneinde de zaak tot op de bodem uit te zoeken. Verweerder kan niet kennis nemen van alle onderzoeksresultaten van de Rijksrecherche en wil ook andere vragen stellen en feiten onderzoeken dan de Rijksrecherche. Omdat verzoeker geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging voor een gesprek met Hoffmann op 5 november 2007 heeft verweerder verzoeker gesommeerd op 16 november 2007 alsnog te verschijnen en mee te werken aan het disciplinaire onderzoek. 2.4 Bij brief van 15 november 2007 heeft verweerder de voorzieningenrechter laten weten de datum waarop aan de dienstopdracht invulling dient te zijn gegeven op te schorten tot de dag waarop door de voorzieningenrechter uitspraak is gedaan. 2.5 De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In beginsel kan van een ambtenaar worden verwacht dat hij meewerkt aan een onderzoek naar diens eventuele betrokkenheid bij fraude. In dat verband is een opdracht tot het verschijnen op een gesprek niet onredelijk. In het geval van verzoeker heeft echter ten aanzien van zijn betrokkenheid bij fraude op 25 mei 2005 al een gesprek plaatsgevonden met Hoffman. Daarbij is hem gevraagd de factuur van de bij hem thuis door bouwbedrijf [x] geplaatste schutting te overleggen. Dat heeft verzoeker niet gedaan. Nog diezelfde dag heeft hij een gesprek gehad met de gemeentesecretaris en een medewerker van de afdeling Personeel en Organisatie. Toen is hem nogmaals verzocht de gevraagde informatie te verstrekken. Verzoeker heeft wederom geweigerd. Op basis van de bevindingen van Hoffmann heeft verweerder op 25 mei 2005 aangifte gedaan van fraude door verzoeker. Tevens is verzoeker geschorst. Uit het voorgaande blijkt dat ten aanzien van verzoeker al een feitenonderzoek heeft plaatsgevonden naar aanleiding waarvan verweerder ook al bepaalde maatregelen heeft genomen. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen toegevoegde waarde in een nieuw gesprek met Hoffmann dat, zoals verweerder ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard, slechts dient ter vaststelling van de feiten. Nu de in 2005 geconstateerde feiten voor verweerder blijkbaar dusdanig waren dat verzoeker op basis daarvan is geschorst ligt een verantwoordingsgesprek of een besluit ten aanzien van zijn rechtspositie dan ook meer in de rede. Gelet hierop en mede gelet op het feit dat het strafrechtelijke onderzoek inmiddels is afgerond is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een redelijke dienstopdracht. 2.6 De voorzieningenrechter ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aanleiding om het besluit van verweerder van 6 november 2007 te schorsen tot zes weken nadat verweerder heeft beslist op verzoekers bezwaar tegen dat besluit. 2.7 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het verzoek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Beslissing De voorzieningenrechter, 3.1 wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe; 3.2 schorst het besluit van verweerder van 6 november 2007 tot zes weken na bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar; 3.3 bepaalt dat de gemeente Maarssen het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- aan hem vergoedt; 3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- te betalen door de gemeente Maarssen. Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in 't Veld en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2007. De griffier: De voorzieningenrechter: mr. G. Delissen mr. drs. R. in 't Veld Afschrift verzonden