Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0346

Datum uitspraak2007-12-05
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers07 / 993 WRO K1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Procesbelang; naar het oordeel van de rechtbank geen direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden procesbelang; geen sprake van een geschil tussen eisers en verweerder; de positie van vergunninghouder wordt gebruikt om verweerder onder druk te zetten; voor zover daarbij een beroep is gedaan op het belang van handhaving van de geldende bestemmingsplanvoorschriften en het vigerend beleid, betreft dit een principekwestie die niet tot een concreet, eigen belang van eisers valt te herleiden.


Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr. : 07 / 993 WRO K1 Inzake : Dhr. en mw. [eisers], wonende te [woonplaats], eisers, tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasgouw, gevestigd te Maasbracht, verweerder. Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 4 juni 2007, kenmerk: VVH/ES. Datum van behandeling ter zitting: 22 november 2007. I. PROCESVERLOOP Bij besluit van 25 september 2006, verzonden 5 oktober 2006, heeft verweerder met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling van het ter plaatse geldend bestemmingsplan en bouwvergunning aan [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) verleend voor het veranderen van de bestaande woning, garage, berging en tuinmuren, op het perceel gelegen in de gemeente [...], plaatselijk bekend, [adres] te [plaats]. Tegen dit besluit is namens eisers op 15 november 2006 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 7 juni 2007, verzonden op 13 juni 2007, heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen voornoemd besluit niet-ontvankelijk verklaard voor zover het gericht is tegen het vrijstellingsbesluit en ongegrond verklaard voor zover het gericht is tegen de bouwvergunning. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vergunninghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Deze heeft daarvan gebruik gemaakt. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers en aan vergunninghouder gezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 22 november 2007, waar eisers in persoon verschenen bijgestaan door hun gemachtigde, drs. S.A.N. Geerling, verbonden aan SRK Rechtsbijstand, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S. Sentjens. De vergunninghouder is eveneens in persoon verschenen. II. OVERWEGINGEN Op 20 april 2006 heeft vergunninghouder een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor het veranderen van c.q. het legaliseren van de uitgevoerde veranderingen aan de bestaande woning, garage, berging en tuinmuren op het adres [adres], [woonplaats]. Op 21 juni 2006 heeft het Afdelingshoofd VROM per mandaat beslist dat aan het bouwplan medewerking kan worden verleend door het verlenen van vrijstelling van het ter plaatse geldend bestemmingsplan “Algemeen Bestemmingsplan Ohé en Laak” – “Plan wijziging Dorpsstraat” met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, juncto artikel 20, eerste lid, sub a, onder 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro). Het voornemen tot het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO voor wijziging van de verleende bouwvergunning aan de [adres] te [woonplaats] heeft met ingang van 6 juli 2006 tot en met 17 augustus 2006 ter inzage gelegen. Naar aanleiding van de publicatie van voornoemd voornemen heeft verweerder geen zienswijzen ontvangen, waarna bij besluit van 25 september 2006 de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning zijn verleend. Tegen dit besluit is namens eisers een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 7 juni 2007, verzonden op 13 juni 2007, heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen voornoemd besluit niet-ontvankelijk verklaard voor zover het gericht is tegen het vrijstellingsbesluit en ongegrond verklaard voor zover het gericht is tegen de bouwvergunning. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld. In beroep is primair het standpunt ingenomen dat het bezwaar voor zover gericht tegen de vrijstelling ten onrechte door verweerder niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank ziet zich daarbij allereerst geplaatst voor de vraag of eisers een (voldoende) procesbelang hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. Voor een ontvankelijk bezwaar of beroep is vereist dat kan worden gewezen op enig direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden (proces)belang bij een beslissing van de rechtbank. In het beroepschrift is namens eisers primair verwezen naar de in bezwaar aangevoerde gronden en onder meer aangegeven dat is voorbijgegaan aan (de aanbeveling in) het advies van de Commissie bezwaarschriften van 17 april 2007 om bij de beslissing op bezwaar te verduidelijken op welke punten het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en waarvoor vrijstelling is verleend. In het (aanvullend) bezwaarschrift van 19 december 2006 was – kort samengevat – aangevoerd dat de bouwvergunning voor wat betreft de garage in strijd met het vastgestelde vrijstellingbeleid is verleend en dat verweerder niet heeft gemotiveerd dat en waarom van het vrijstellingbeleid afgeweken diende te worden. Tevens is erop gewezen dat de bouwvergunning voor wat betreft de tuinmuren in strijd met het bestemmingsplan is verleend. Daarbij is in het bezwaarschrift namens eisers nog het volgende aangegeven: “Indien uw college ondanks het ‘harde gegeven’ en het vrijstellingbeleid een bouwvergunning verleent voor de onderhavige garage, dan vermogen cliënten niet in te zien waarom hun bouwaanvraag voor een garage met een oppervlakte boven de 70 m² om diezelfde reden wordt afgewezen. Hoewel het vrijstellingbeleid juist zou moeten voorkomen dat er in het kader van vrijstellingsaanvragen sprake is van een willekeurbeleid, lijkt het erop dat uw college in dit geval toch in strijd met het verbod van willekeur handelt.”. Bij de behandeling ter zitting hebben eisers desgevraagd verklaard dat zij zich verzetten tegen legalisatie van de bouwwerken van hun buren omdat zij zelf ook nog een garage willen oprichten en verweerder heeft aangegeven daaraan geen medewerking te willen verlenen. Eisers achten het in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat voor de illegaal bij de buurman opgerichte bouwwerken alsnog vrijstelling en bouwvergunning wordt verleend, terwijl verweerder aan hun bouwplannen niet wenst mee te werken. Eisers hebben verklaard dat zij niets tegen vergunninghouder persoonlijk hebben, maar zij beschouwen het als een principekwestie: als de gemeente voor de buren de bestemmingsplanvoorschriften passeert, dan moeten zij ook toestemming krijgen voor een garage. Zijdens verweerder is er in dit verband op gewezen dat van strijd met het gelijkheidsbeginsel in zijn optiek geen sprake is omdat vergunninghouder de woning ongeveer zeven jaar geleden heeft gekocht toen de illegaal opgerichte bijgebouwen er al stonden. Verweerder acht zich voorts niet gehouden om een in het verleden gemaakte fout (destijds is in afwijking van de bouwvergunning gebouwd en in strijd met de bestemmingsplanvoorschriften gebouwd) te herhalen. Gelet op de bijzondere situatie, waarin vergunninghouder verkeert, wil verweerder tegen hem niet handhavend optreden en heeft gemeend de situatie te moeten legaliseren. Aan het oprichten van meer bijgebouwen bij eisers wil verweerder echter geen medewerking verlenen. Vergunninghouder heeft aangevoerd dat hij geheel buiten zijn toedoen in deze procedure wordt betrokken. Hij heeft in verband met het door eisers gedane verzoek om handhaving op instigatie van verweerder alsnog een bouwvergunning gevraagd en wordt nu buiten zijn wil in allerlei procedures betrokken waardoor het onmogelijk wordt om zijn huis te verkopen. De rechtbank stelt vast dat eisers als buren van de vergunninghouder belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vermag echter niet in te zien dat eisers enig concreet en persoonlijk belang hebben aangevoerd bij de beoordeling van de door hen aangevoerde gronden tegen de verleende vrijstelling en bouwvergunning. Op basis van hetgeen hiervoor aan standpunten van partijen is weergegeven, stelt de rechtbank vast dat er in het onderhavige geval in wezen sprake is van een geschil tussen eisers en verweerder over het al dan niet aan eisers verlenen van een bouwvergunning voor een garage. De positie van vergunninghouder wordt gebruikt om verweerder onder druk te zetten. Voor zover daarbij een beroep is gedaan op het belang van handhaving van de geldende bestemmingsplanvoorschriften en het vigerend beleid, betreft dit een principekwestie die niet tot een concreet, eigen belang van eisers valt te herleiden. Met betrekking tot het door eisers gedane beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel, is de rechtbank van oordeel dat deze stelling aangevoerd dient te worden in een eventueel door eisers te entameren procedure over hun bouwmogelijkheden. Indien en zodra verweerder afwijzend zou beslissen op een door eisers ingediende aanvraag voor een bouwvergunning voor de door hen gewenste garage, dan kunnen eisers in die procedure de thans opgeworpen gronden aanvoeren. Op grond van voorgaande overwegingen kan er in de onderhavige procedure echter naar het oordeel van de rechtbank geen direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden procesbelang van eisers worden aangewezen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het bestreden besluit, waarbij het bezwaar deels ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komt. Met gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, om zelf in de zaak te voorzien, zal de rechtbank het bezwaar alsnog (in zijn geheel en op een andere dan door verweerder gehanteerde grond) niet-ontvankelijk verklaren. Tot slot zal de rechtbank op de hierna aangegeven wijze verweerder veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. III. BESLISSING De rechtbank Roermond; gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht; verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar van eisers tegen het besluit van 25 september 2006 niet-ontvankelijk; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; veroordeelt verweerder in de kosten van de onderhavige procedure, aan de zijde van eisers begroot op € 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de gemeente Maasgouw; bepaalt dat voormelde gemeente aan eisers het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 143,00 volledig vergoedt. Aldus gedaan door mr. C.M.W. Nobis in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2007. Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier: Verzonden op: 5 december 2007. Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.