Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0344

Datum uitspraak2007-11-29
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers07 / 968 WW K1
Statusgepubliceerd


Indicatie

De rechtbank heeft zich uitgelaten over de berekening van het arbeidsurenverleis van een onderwijsassistent (niet onder Onderwijs CAO) met een afwijkend arbeidspatroon (meer uren feitelijke werken tussen de schoolvakanties om in die weken vrij te hebben maar wel doorbetaald). De rechtbank maakt -anders van verweerder- een vergelijking met het ‘Besluit nadere regeling eindiging recht op uitkering Werkeloosheidswet’, waarin in artikel 3 is bepaald dat voor het aantal arbeidsuren in een kalenderweek ten aanzien van de werknemer, die in ploegendienst of volgens andere vormen van werkroosters gaat werken, gelet op zijn arbeidspatroon geen juist beeld geeft van dat arbeidspatroon, zonodig niet-gewerkte uren zodanig worden gelijkgesteld met gewerkte uren dan wel, gewerkte uren zodanig buiten beschouwing worden gelaten, dat het gemiddeld aantal arbeidsuren overeenkomt met het aantal uren van dat arbeidspatroon.


Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr. : 07 / 968 WW K1 Inzake : [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres tegen : de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gevestigd te Amsterdam, verweerder. Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 28 juni 2007, kenmerk: B&B 697.0022.20. Datum van behandeling ter zitting: 18 oktober 2007. I. PROCESVERLOOP Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 17 april 2007 inzake toepassing van de Werkloosheidswet (WW) ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 18 oktober 2007, waar eiseres, vergezeld van haar echtgenoot, is verschenen, en waar verweerder zich, zoals tevoren aangekondigd, niet heeft doen vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN Eiseres is met ingang van 24 april 2001 als groepsleidster in dienst getreden van de Stichting Kinderopvang [werkgever 1]. De gemiddelde werkweek bedroeg 16,97 uur. Van 7 december 2004 tot en met 30 juni 2005 heeft eiseres op basis van een tijdelijk dienstverband gedurende 6 uur per week gewerkt als peuterspeelzaalleidster in dienst van de Stichting [werkgever 2]. Met ingang van 1 mei 2005 is het arbeidscontract van eiseres met de Stichting Kinderopvang [werkgever 1] vastgesteld op gemiddeld 16 uur per week met een bandbreedte van 5 uur per week naar boven en 5 uur per week naar beneden. Bij besluit van 18 augustus 2005 heeft verweerder eiseres in verband met verlies van 6 arbeidsuren bij de Stichting [werkgever 2] met ingang van 4 juli 2005 een WW-uitkering toegekend. De arbeidsuren bij de Stichting [werkgever 1] zijn niet in mindering gebracht op de uitkering. Bij brief van 22 maart 2007 heeft eiseres verweerder medegedeeld dat zij per 31 december 2006 het dienstverband met de Stichting [werkgever 1] heeft beëindigd. Met ingang van 8 januari 2007 is eiseres op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 31 juli 2007 in dienst getreden van de Stichting [werkgever 3] te [plaats] in de functie van onderwijsassistent. Het betreft een deeltijdfunctie op basis van een factor 0,4154, hetgeen neerkomt op gemiddeld 15,3 uur per week. Gedurende de weken dat eiseres feitelijk werkt, werkt zij 17,5 uur per week. Tijdens de schoolvakanties werkt zij niet. Bij besluit van 17 april 2007 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de WW-uitkering voor 6 uur per week met ingang van 1 januari 2007 wordt beëindigd. Uit de door eiseres overgelegde werkbriefjes blijkt, aldus verweerder, dat eiseres met ingang van 1 januari 2007 meer uren per week is gaan werken, op grond waarvan niet langer een WW-uitkering kan worden uitgekeerd. Om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen dient er sprake te zijn van verlies van tenminste vijf arbeidsuren per kalenderweek. Naar aanleiding van het bezwaar tegen voornoemd besluit heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen, waarbij verweerder zijn eerder ingenomen standpunt heeft gehandhaafd. Verweerder is er van uitgegaan dat eiseres met ingang van 8 januari 2007 in dienst is getreden van voornoemde Stichting [werkgever 3] en vanaf die datum feitelijk 17,5 uur per week werkt. Aangezien het arbeidsurenverlies 4,5 uur per week bedraagt, kan eiseres geen aanspraak maken op een WW-uitkering. Het bezwaar is ongegrond verklaard. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij thans gemiddeld 15,3 uren per week werkt en ook een arbeidscontract heeft voor dit aantal uren, op basis waarvan zij salaris krijgt betaald. In normale werkweken werkt zij 17,5 uur. Aangezien zij gedwongen is tijdens de vakanties meer verlof op te nemen dan waar zij (contractueel) recht op heeft, dient zij dit tijdens de andere weken te compenseren door 2.2 uur per week meer te werken. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde gronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht of met enig algemeen rechtsbeginsel. Daartoe wordt het volgende overwogen. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WW - voor zover hiervan belang - is werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht. Ingevolge artikel 20 eindigt het recht op een WW-uitkering - voor zover hier van belang – indien de werknemer in een zodanige omvang arbeid aanvaardt, dat een verlies aan arbeidsuren resteert van minder dan vijf uur en minder dan de helft van zijn arbeidstijd. Uit het systeem van de WW, en met name het eerste en tweede lid van artikel 16 van de WW, volgt dat de werkloosheid van de betrokkene per werkweek wordt bezien. Voor de beoordeling van de omvang van de werkloosheid is doorslaggevend het resultaat van een vergelijking tussen het gemiddeld aantal arbeidsuren waarin eiseres per kalenderweek verzekerde arbeid verrichtte vóór het intreden van het arbeidsurenverlies en het aantal arbeidsuren waarin eiseres per kalenderweek thans verzekerde arbeid verricht. Dit uitgangspunt ligt in de meeste situaties voor de hand aangezien werknemers veelal werkzaam zijn op basis van het aantal arbeidsuren per week, zoals dit vermeld staat in hun arbeidscontract. Ten aanzien van eiseres geeft een beoordeling per week van de feitelijk gewerkte uren geen juist beeld, waar het gaat om de vraag of er sprake is van verlies van arbeidsuren, aangezien eiseres werkzaam is in een afwijkend arbeidspatroon. Haar arbeidspatroon hangt samen met de aard van haar werkzaamheden. Zij is als onderwijsassistent in het onderwijs werkzaam, zij het niet op basis van een arbeidsovereenkomst die vergelijkbaar is met dat van een leerkracht (Onderwijs CAO). Eiseres is volgens haar arbeidscontract werkzaam op basis van een gemiddelde van 15,3 uur per week en wordt ook zodanig betaald zowel in de weken dat zij arbeid verricht als in de weken dat de school gesloten is vanwege vakantie. In de weken dat zij daadwerkelijk arbeid verricht, dient zij 17,5 uur arbeid te verrichten om gedurende die weken 2,2 uur compensatie op te bouwen voor de weken, waarin er sprake is van schoolvakanties en zij dientengevolge noodgedwongen niet kan werken. Bedoelde compensatie-uren zijn dan ook inherent aan (de aard van) het dienstverband van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat op de situatie zoals deze zich in het onderhavige geval voordoet, gelijk gesteld kan worden met de situatie zoals die is geregeld in artikel 3 van het met het oog op de toepassing van artikel 20 van de WW, vastgestelde ‘Besluit nadere regeling eindiging recht op uitkering Werkeloosheidswet’, zoals laatstelijk gewijzigd bij Regeling van 4 september 2006, Stcrt 182 (hierna: het Besluit) als bedoeld in het vijfde lid, onder a, van artikel 20 van de WW. In artikel 3 van het Besluit is bepaald dat het aantal arbeidsuren in een kalenderweek ten aanzien van de werknemer, die in ploegendienst of volgens andere vormen van werkroosters gaat werken, gelet op zijn arbeidspatroon geen juist beeld geeft van dat arbeidspatroon, zonodig niet-gewerkte uren zodanig worden gelijkgesteld met gewerkte uren dan wel, gewerkte uren zodanig buiten beschouwing worden gelaten, dat het gemiddeld aantal arbeidsuren overeenkomt met het aantal uren van dat arbeidspatroon. Gelet op de wijze waarop eiseres haar arbeidscontract dient in te vullen, is de rechtbank van oordeel dat er gesproken kan te worden van een andere vorm van werkrooster, waarvan de cyclus, gelet op de schoolvakanties verspreid over het jaar, een jaar bedraagt. Immers de uren die zij per week boven-contractueel arbeid dient te verrichten, vloeien voort en zijn gebaseerd op de wegens de schoolvakanties door het jaar heen, teveel genoten ‘vrije’ uren. Voor dit oordeel vindt de rechtbank voorts - met analoge toepassing, nu er immers in de situatie van eiseres strikt genomen geen sprake is van arbeidsduurverkorting - steun in het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid van het Besluit, waar in het eerste lid is bepaald dat indien het aantal arbeidsuren in een kalenderweek als gevolg van een bepaalde wijze van invulling van arbeidsduurverkorting, geen juist beeld geeft van het verrichte arbeidspatroon “a. uren waarin de werknemer niet heeft gewerkt, gelijk [worden] gesteld met arbeidsuren; b. uren, waarin de werknemer heeft gewerkt, buiten beschouwing [worden] gelaten; (..)”. Ingevolge het tweede lid wordt voor de toepassing van het eerste lid de arbeidsduurverkorting geacht gelijkelijk te zijn verspreid over een periode van een kalenderjaar. Indien de werknemer in een kalenderweek meer uren arbeidsduurverkorting heeft genoten dan het op jaarbasis vastgesteld gemiddeld aantal per week, wordt het verschil voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met gewerkte uren. Deze situatie komt overeen met de situatie van eiseres gedurende de (gedwongen) niet gewerkte uren in de schoolvakanties. Indien de werknemer in een kalenderweek minder arbeidsduurverkorting heeft genoten dan het op jaarbasis vastgesteld gemiddeld aantal per week, wordt het verschil voor de toepassing van het eerste lid buiten beschouwing gelaten, aldus de laatste zinsnede van de tekst van het tweede lid van artikel 2 van de Regeling. De hier geregelde situatie is vergelijkbaar met de situatie van eiseres gedurende de overige weken van het jaar waarin eiseres 2,2 uur per week dient te compenseren voor de niet gewerkte uren tijdens de schoolvakanties. Gelet op vorenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel zich verweerder ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor de berekening van het aantal verloren uren, uitgegaan dient te worden van 17.5 feitelijk gewerkte uren, zodat het bestreden besluit geen stand kan houden. Het beroep dient voor gegrond te worden gehouden. Mitsdien wordt beslist als onder III. Van voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komende kosten van de beroepsprocedure is de rechtbank niet gebleken. Wel dient het griffierecht te worden vergoed. III. BESLISSING De rechtbank Roermond; gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht; verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de onder rubriek II opgenomen overwegingen; bepaalt dat Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00 volledig vergoedt. Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier- Dassen in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Utteren-Hoving als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2007. Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier: verzonden op: 30 november 2007. Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.