
Jurisprudentie
BC0334
Datum uitspraak2007-09-27
Datum gepubliceerd2007-12-20
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers488/07
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-20
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers488/07
Statusgepubliceerd
Indicatie
Franchisegever en –nemer krijgen geen toestemming om af te wijken van de wettelijke bepalingen inzake huur van bedrijfsruimte. Nadelige bedingen inzake beëindiging en koopprijs. Huurder is een kleine ondernemer voor wie de beschermende regels van het huurrecht nu juist zijn opgesteld.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
BESCHIKKING
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VERHAGE FRANCHISE B.V, handelende onder de naam Verhage
Franchise Support,
gevestigd te Rotterdam,
APPELLANTE,
procureur: mr. A.P.W. Tonen,
en
[franchisenemer],
wonende te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer,
VERWEERDER,
procureur: mr. C.B.M. Scholten van Aschat.
1. Verloop van het geding in hoger beroep
De partijen worden hierna Verhage en [franchisenemer] genoemd.
Bij beroepschrift, ingekomen op 24 april 2007, is Verhage in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Haarlem (locatie Haarlem) tussen de appellante en de verweerder van 26 januari 2007, onder zaaknummer 331736/HP 06-50 gegeven.
Verhage heeft bij haar beroepschrift de stukken van de eerste aanleg overgelegd en het hof verzocht deze beschikking te vernietigen en de door Verhage en [franchisenemer] gesloten overeenkomst alsnog goed te keuren op de wijze als voorzien in art. 7:291 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek ("BW").
Daarop heeft [franchisenemer] gereageerd met een verweerschrift, ingekomen op 1 augustus 2007, waarin hij zich refereert aan het oordeel van het hof.
Partijen hebben vervolgens afgezien van mondelinge behandeling, waarna is beslist dat op het verzoek in hoger beroep zal worden beslist en de dag van de uitspraak is bepaald.
De inhoud van de stukken van beide instanties wordt beschouwd als hier ingevoegd.
2. De grief
Verhage heeft een grief voorgesteld, voor de inhoud waarvan wordt verwezen naar het beroepschrift.
3. De feiten
De kantonrechter heeft in zijn beschikking onder 5 tot en met 7 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Omtrent deze feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan, met dien verstande dat de onder 7 weergegeven bepalingen niet in de onderhuurovereenkomst maar in de franchise-overeenkomst zijn opgenomen.
4. Beoordeling
4.1 Het gaat in deze zaak om de volgende feiten, zoals die door de kantonrechter zijn vastgesteld of verder nog uit de, niet bestreden, stukken blijken.
Verhage en [franchisenemer] hebben op 21 november 2006 een in een notariële akte neergelegde franchiseovereenkomst gesloten waarbij Verhage aan [franchisenemer] met ingang van 1 december 2006 voor vijf jaar het recht van franchise heeft verleend voor de exploitatie van een franchisebedrijf binnen het concept van Verhage Fast Food in een nog te realiseren bedrijfsruimte in het winkelcentrum Floriande te Hoofddorp. De geplande bedrijfsruimte is door een derde aan Verhage verhuurd. Eveneens op 21 november 2006 heeft Verhage bij een in een notariële akte neergelegde onderhuurovereenkomst aan [franchisenemer] met ingang van 1 december 2006 voor vijf jaar de voornoemde bedrijfsruimte verhuurd. In deze overeenkomst is opgenomen dat die overeenkomst accessoir is aan de voormelde franchiseovereenkomst en daarmee één overeenkomst vormt. In de franchiseovereenkomst zijn de bepalingen opgenomen die de kantonrechter in zijn beschikking onder 7 heeft weergegeven en die ertoe strekken dat de onderhuurovereenkomst wordt gekoppeld aan de franchiseovereenkomst, met name wat haar beëindiging betreft.
4.2 Door de koppeling van de franchiseovereenkomst, met name de bepalingen omtrent de beëindiging daarvan, en de overeenkomst van onderhuur zijn bepalingen in de overeenkomst opgenomen die ten nadele van de huurder afwijken van de bepalingen van afdeling 6 van titel 4 van boek 7 BW, immers strijdig zijn met de aan een huurder als [franchisenemer] in beginsel toekomende huurbescherming. Daarom hebben partijen zich gezamenlijk op 1 december 2006 tot de kantonrechter gewend en deze op grond van art. 7:291 BW verzocht de voorgenomen overeenkomst goed te keuren, omdat dit huns inziens wenselijk is in verband met het behoud (door Verhage) van de vestigingsplaats binnen het netwerk van Verhage Fast Food franchiseondernemingen (ingeval de franchiseovereenkomst met [franchisenemer] tot een einde komt). In het verzoek ligt besloten dat de partijen van mening zijn dat [franchisenemer] de wettelijk voorziene huurbescherming niet behoeft. De kantonrechter heeft het verzoek niet ingewilligd.
4.3 In hetgeen de partijen in hoger beroep naar voren brengen, ligt besloten dat zij beiden van mening zijn dat de bepalingen van hun overeenkomst, die de kantonrechter in zijn beschikking onder 7 heeft weergegeven, de rechten die [franchisenemer] aan het voor hem geldende bedrijfshuurrecht kan ontlenen, niet wezenlijk aantasten en dat bovendien de maatschappelijke positie van [franchisenemer] in vergelijking met die van Verhage zodanig is dat hij de bescherming van dit bedrijfshuurrecht in redelijkheid niet behoeft.
4.4 Uit de overgelegde overeenkomsten blijkt dat bij de beëindiging van de franchise- en onderhuurovereenkomst de genoemde rechten van [franchisenemer] wel degelijk wezenlijk worden aangetast. Allereerst wordt de in de wet geregelde bescherming van de (onder)huurder opzijgezet en worden de formaliteiten van de opzegging niet in acht genomen. Voorts heeft bij beëindiging van de franchiseovereenkomst Verhage het recht de bedrijfsinventaris c.a. te kopen voor een koopprijs die, kort gezegd, slechts wordt vastgesteld op basis van 33% van de brutowinst over de voorafgaande twaalf maanden en de boekwaarde van de inventaris dan wel verbouwing met een afschrijving van acht jaar, waarbij de opgebouwde bedrijfsgoodwill (voor het overige) wordt verwaarloosd, hetgeen evident nadelig kan zijn voor [franchisenemer].
4.5 [Franchisenemers] betoog dat zijn rechten niet wezenlijk worden aangetast, berust op de stelling dat bij onenigheid tussen hem en Verhage over de verkoop-/overnameprijs die prijs door een externe deskundige wordt vastgesteld, die bij zijn vaststelling nadrukkelijk ook de goodwill zal betrekken. Van die stelling blijkt echter niet uit de stukken die aan het hof zijn overgelegd, in het bijzonder niet uit de franchiseovereenkomst. Die stelling kan dus niet als juist worden aanvaard. Daarom moet aan dit betoog van [franchisenemer] worden voorbijgegaan.
4.6 Beide partijen wijzen erop dat [franchisenemer] graag bereid is afstand te doen van de wettelijke bescherming vanwege de grote voordelen die [franchisenemer] als franchisenemer zou genieten. De voordelen die [franchisenemer] noemt, wegen echter niet op tegen de zo-even besproken nadelen ingeval van beëindiging van de franchise-overeenkomst.
4.7 Het betoog inzake de maatschappelijke positie van [franchisenemer] is door beide partijen hoofdzakelijk toegelicht met de stelling dat de voordelen die [franchisenemer] als franchisenemer zou genieten, opwegen tegen de nadelen van het ontbreken van de wettelijke bescherming. Die stelling kan echter niet als juist worden aanvaard, zoals hierboven is overwogen. Daarnaast stelt [franchisenemer] in dit verband nog dat bij normale marktomstandigheden is gewaarborgd dat [franchisenemer] bij beëindiging van de franchise-overeenkomst een normale verkoopprijs voor zijn bedrijf kan overeenkomen. Ook deze stelling kan niet als juist worden aanvaard, zoals hierboven is overwogen.
4.8 De kantonrechter heeft vastgesteld dat [franchisenemer] een kleine ondernemer is voor wie de beschermende regels van het huurrecht nu juist zijn opgesteld. Daartegen zijn de partijen in hoger beroep niet opgekomen. Dit in aanmerking genomen kan niet worden staande gehouden dat de maatschappelijke positie van [franchisenemer] in vergelijking tot die van Verhage zodanig is dat [franchisenemer] de bescherming van het bedrijfshuurrecht voorzien in de artikelen 7:290 e.v. BW in redelijkheid niet behoeft.
4.9 Aangezien derhalve niet is gebleken dat de relevante rechten van [franchisenemer] niet wezenlijk worden aangetast en evenmin is gebleken dat de maatschappelijke positie van [franchisenemer] in vergelijking met die van Verhage zodanig is dat hij de bescherming bij beëindiging in redelijkheid niet behoeft, kan het verzoek van Verhage niet worden toegewezen en moet worden beslist als volgt. Daarbij wordt nog overwogen – naar aanleiding van Verhages verzoek "kosten rechtens" - dat het hof geen aanleiding ziet voor een kostenveroordeling.
5. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.B.C.M. van der Reep, J.M.J. Chorus en L.C. Winkel en is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2007 door de rolraadsheer.