
Jurisprudentie
BC0333
Datum uitspraak2007-09-27
Datum gepubliceerd2007-12-20
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers1634/02
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-20
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers1634/02
Statusgepubliceerd
Indicatie
Uit de inhoud van ‘huurovereenkomst’ en de wijze waarop partijen daaraan uitvoering hebben gegeven blijkt niet dat het feitelijk gaat om gebruik ter uitoefening van de landbouw, zodat de overeenkomst als een pachtovereenkomst zou moeten worden aangemerkt.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
de vereniging
VERENIGING TOT BEHOUD VAN NATUURMONUMENTEN IN NEDERLAND,
gevestigd te ’s-Graveland, gemeente Wijdemeren,
APPELLANTE,
procureur: mr. J.W. van Rijswijk,
t e g e n
A. en B. ,
beiden wonend te X., gemeente Y.,
GEÏNTIMEERDEN,
procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.
1. Het geding in hoger beroep
De partijen worden hierna Natuurmonumenten en de Gebroeders A. en B. genoemd.
1.1 Bij dagvaarding van 16 oktober 2002 is Natuurmonumenten in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Hilversum (hierna: de kantonrechter) van 17 juli 2002, in deze zaak onder nummer 440903/CV EXPL 01-4007 gewezen tussen Natuurmonumenten als gedaagde en de Gebroeders A. en B. als eisers.
1.2 Natuurmonumenten heeft bij memorie twee grieven geformuleerd en toegelicht, alsmede bescheiden in het geding gebracht, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, alsnog, de vordering van de Gebroeders A. en B. zal afwijzen, met kosten.
1.3 Daarop hebben de Gebroeders A. en B. geantwoord met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis zal bekrachtigen, met kosten.
1.4 Vervolgens hebben partijen ieder een akte schriftelijk pleidooi in het geding gebracht.
1.5 Ten slotte is arrest gevraagd.
2. Beoordeling
2.1 De Gebroeders A. en B. vorderden in eerste aanleg -kort en zakelijk weergegeven- bepaling op grond van art. 7A:1623i BW (oud) dat zij de huurovereenkomst die hun vader, C., (hierna: Vader C.) met Natuurmonumenten heeft gesloten op 8 november 2001 hebben voortgezet. Natuurmonumenten is in eerste aanleg wel verschenen, maar heeft niet tijdig van antwoord gediend, waarna de kantonrechter de vordering heeft toegewezen.
2.2 Met grief 1 betoogt Natuurmonumenten dat hetgeen de Gebroeders A. en B. hebben gepresenteerd als een huurovereenkomst, moet worden gekwalificeerd als een pachtovereenkomst in de zin van art. 1 lid 1 sub d Pachtwet (Pw), zodat de kantonrechter zich onbevoegd had moeten verklaren van de zaak kennis te nemen.
Dit betoog is niet juist. De bevoegdheid van een rechter wordt immers allereerst bepaald door het recht waarin de aanlegger vraagt beschermd te worden. Nu de Gebroeders A. en B. hebben gesteld dat het gaat om een vordering op grond van huur van woonruimte, hetgeen Natuurmonumenten in eerste aanleg niet heeft bestreden, en zaken betreffende huur, aldus art. 93 aanhef en sub c Rv, door de kantonrechter worden behandeld, faalt deze grief in zoverre.
2.3 In de eerste grief en de toelichting daarop, ligt voorts besloten dat volgens Natuurmonumenten de omstandigheid dat zij met Vader C. zowel een pachtovereenkomst heeft gesloten voor los land als een huurovereenkomst met betrekking tot gebouwen, meebrengt dat op de beide overeenkomsten de bepalingen omtrent de verpachting van hoeven moeten worden toegepast. Derhalve kan art. 7:1623i BW (oud) dat betrekkelijk is tot de huur van woonruimte, hier geen toepassing vinden, zodat de vordering van de Gebroeders A. en B. alsnog als ongegrond moet worden afgewezen, zo begrijpt het hof Natuurmonumenten.
2.4 Tussen partijen staat in deze zaak het volgende vast.
Vader C., die op ... is geboren, heeft op 1 februari 1974 een pachtovereenkomst gesloten met Natuurmonumenten betreffende de hoeve S., gelegen aan de ... te X.
Op 14 juni 1996 hebben Natuurmonumenten en Vader C. blijkens het opschrift een “HUUROVEREENKOMST WONING” gesloten waarbij Natuurmonumenten aan Vader C. verhuurde de woning alsmede een ligboxenstal, een stal, twee hooibergen en het erf van boerderij S. (hierna: de huurovereenkomst). Deze overeenkomst is gesloten voor onbepaalde tijd ingaande 1 februari 1998. De huurprijs bedroeg per jaar ƒ 8.280,-- voor de woning en ƒ 2.880,-- voor de overige gebouwen.
Op 4 november 1997 hebben Natuurmonumenten en Vader C. blijkens het opschrift op de onderhandse akte een “PACHTOVEREENKOMST LOS LAND” gesloten waarbij Natuurmonumenten aan Vader C. in pacht gaf 8.24.78 ha los land (hierna: de pachtovereenkomst). De overeenkomst is gesloten voor de duur van zes jaar ingaande op 1 februari 1998. In deze overeenkomst is vermeld dat deze in de plaats komt van de pachtovereenkomst van 1 februari 1974. De pachtprijs bedroeg ƒ 4.840,-- per jaar. De pachtovereenkomst is op 2 december 1997 goedgekeurd door de grondkamer voor Noord-Holland.
De Gebroeders A. en B. zijn sedert hun geboorte, in respectievelijk ... en ..., woonachtig op S. Hun moeder is in 1988 overleden. Vader C. is op ... overleden.
2.5 Verder is in deze zaak het volgende in confesso. Toen voor Vader C. de 65-jarige leeftijd naderde zijn Natuurmonumenten en hij met elkaar te rade gegaan, zulks in verband met het bepaalde in art. 38a Pw en omdat Vader C. de exploitatie van het door hem gedreven melkveebedrijf kennelijk wenste te beëindigen. Zij zijn het eens geworden over de beëindiging van de pachtovereenkomst voor de gehele hoeve en verdeling van het melkquotum tussen verpachter en pachter. Het was de bedoeling dat Vader C. alleen de woning en de gebouwen zou blijven gebruiken. Natuurmonumenten en Vader C. hebben te dien einde in 1996 de huurovereenkomst gesloten. Vader C. wilde zijn deel van het melkquotum ‘verleasen’, om op die wijze enige aanvulling van zijn inkomen te verkrijgen. Omdat dit volgens betrokkenen toentertijd alleen mogelijk was wanneer Vader C. werd aangemerkt als producent, is in 1997 in aanvulling op de huurovereenkomst de pachtovereenkomst gesloten.
2.6 Art. 1 lid 3 Pw, waarop Natuurmonumenten zich beroept, houdt –kort gezegd- in dat indien tussen dezelfde partijen bij één overeenkomst los land is verpacht en bij een andere overeenkomst gebouwen zijn verpacht, op beide overeenkomsten de bepalingen omtrent de verpachting van hoeven van toepassing zijn.
2.7 De enkele omstandigheid dat Natuurmonumenten en Vader C. ten aanzien van de gebouwen een overeenkomst zijn aangegaan met als opschrift “HUUROVEREENKOMST WONING” brengt niet mee dat daarop inderdaad de bepalingen van huur van woonruimte van toepassing zijn. Indien uit de inhoud van de overeenkomst en de wijze waarop partijen daaraan uitvoering hebben gegeven, blijkt dat het feitelijk gaat om gebruik ter uitoefening van de landbouw, dan moet de huurovereenkomst ingevolge art. 1 lid 1 sub d Pw, worden aangemerkt als een pachtovereenkomst.
Uit de tekst van de huurovereenkomst blijkt dat niet, in tegendeel, volgens art. 8 laatste alinea van de huurovereenkomst behoeft de huurder de toestemming van de verhuurder voor het houden van andere dieren dan huisdieren of voor méér huisdieren dan in een normaal huishouden gebruikelijk is, hetgeen juist níet wijst op gebruik voor uitoefening van de landbouw. Dat Vader C., buiten bezwaar van Natuurmonumenten, op het land enkele koeien en schapen is blijven houden, maakt niet dat het hier gaat om vruchttrekking van een meer dan ondergeschikte betekenis. Ook de omstandigheid dat Vader C. mogelijkerwijs beide overeenkomsten nodig had om in verband met art. 24 Regeling Superheffing 1993 (oud) te worden aangemerkt als producent opdat hij zijn deel van het melkquotum kon ‘verleasen’, noopt evenmin tot de conclusie dat de huurovereenkomst moet worden aangemerkt als een pachtovereenkomst van gebouwen.
Art. 1 lid 3 Pw kan in dit geval dus geen toepassing vinden, omdat het hier niet gaat om twee pachtovereenkomsten, maar om een huurovereenkomst en een pachtovereenkomst. Ook in zoverre is de eerste grief dus tevergeefs opgeworpen.
2.8 Niet in geschil is -in het licht van het hiervoor overwogene- dat de huurovereenkomst betrekkelijk is tot woonruimte en dat de Gebroeders A. en B. met Vader C. een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gehad, zodat de -op het in dit geval nog toepasselijke art. 7:1623i BW (oud) gestoelde- vordering van de Gebroeders A. en B. inderdaad toewijsbaar was. Grief 1 faalt dus ook in dit opzicht. De kantonrechter heeft Natuurmonumenten derhalve terecht veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg. Ook grief 2 slaagt niet.
3. Slotsom en kosten
De beide grieven falen, zodat het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd. Natuurmonumenten heeft als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep te dragen.
4. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
verwijst Natuurmonumenten in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten voor zover tot heden aan de kant van de Gebroeders A. en B. gevallen, op € 248,-- voor verschotten en € 1.788,-- voor salaris van de procureur.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Huijzer, mr. M. Flipse en mr. J.M.F.X van Veggel, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 september 2007.