Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0324

Datum uitspraak2007-12-12
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/7081 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbaar werkloos.


Uitspraak

06/7081 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 november 2006, 06/157 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 12 december 2007. I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 2.1. Appellant was sedert 22 juni 1989 als produktiemedewerker assemblage werkzaam bij Aluminium Donk B.V., gevestigd te Lopik (hierna: werkgever). Bij beschikking van 29 november 2004 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever met ingang van 1 december 2004 ontbonden. Van 29 september 2004 tot 23 augustus 2005 heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. 2.2. Op 15 augustus 2005 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft het Uwv de uitkering bij wijze van maatregel met ingang van 23 augustus 2005 blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Daartoe is overwogen dat hij had kunnen weten dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden omdat hij met zijn beledigingen en bedreigingen te ver is gegaan. Na tegen dit besluit gemaakt bezwaar heeft het Uwv zijn standpunt bij besluit van 2 december 2005 (hierna: bestreden besluit) gehandhaafd. Daarbij is het Uwv uitgegaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, waaruit het heeft afgeleid dat de werkgever reeds in december 2002 en in december 2003 aan appellant heeft laten weten zijn gedrag onacceptabel te achten, terwijl uit de door de werkgever in de ontbindingsprocedure overgelegde verklaringen van medewerkers over een gesprek op 30 september 2004 volgens de kantonrechter blijkt dat door appellant bedreigingen en beledigingen zijn geuit, hetgeen de werkgever tot de conclusie heeft geleid dat de maat vol is. Op basis hiervan heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de werkloosheid van appellant in overwegende mate het gevolg is van zijn handelen en dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit gedrag tot zijn ontslag zou kunnen leiden. 3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe is overwogen dat het besluit dient te worden vernietigd wegens schending van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het Uwv zelf geen onderzoek heeft verricht en niet de beschikking heeft gehad over alle bij de kantonrechter gewisselde stukken bij het verzoekschrift en het verweerschrift in de ontbindingsprocedure, waaruit de genoemde feiten naar voren komen. De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven omdat voor de bevindingen van de kantonrechter voldoende grondslag is te vinden in de producties bij het verzoekschrift van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en bij het verweerschrift van appellant, die in beroep alsnog zijn overgelegd. Gelet op de houding en het gedrag van appellant tegenover de werkgever bij incidenten in december 2002 en december 2003 en de tijdens het gesprek van 30 september 2004 geuite bedreigingen en beledigingen, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat appellant te ver is gegaan en dat de maat voor de werkgever vol was. Gezien de ernst van deze gedragingen heeft de rechtbank geconcludeerd dat het Uwv terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en dat de uitkering terecht blijvend geheel is geweigerd. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te concluderen dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. 4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Daartoe is aangevoerd dat de verklaringen van de leidinggevenden en de personeelsfunctionaris over het gesprek op 30 september 2004 niet op waarheid berusten. Voorts heeft appellant gesteld dat de werkgever rekening had dienen te houden met de verslechtering van zijn gezondheidssituatie, waardoor hij in zijn werkzaamheden was beperkt. 5. De Raad overweegt als volgt. 5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en of het Uwv in verband hiermee de uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd. 5.2. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend en hij stelt zich daarbij achter de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad daaraan het volgende toe. 5.3. Met betrekking tot de grief van appellant dat de verklaringen van zijn leidinggevenden en de personeelsfunctionaris over de toedracht van het gesprek op 30 september 2004 niet op waarheid berusten, is de Raad van oordeel dat voor dit standpunt geen steun in de voorhanden gedingstukken kan worden gevonden en dat appellant tegenover deze verklaringen geen andersluidende bewijsstukken of verklaringen van collega’s heeft kunnen overleggen. Mitsdien kan deze grief niet slagen. Wat betreft de door appellant overgelegde medische gegevens overweegt de Raad dat deze gegevens reeds bij het Uwv bekend waren ten tijde van het bestreden besluit en dat deze in de besluitvorming zijn meegewogen, terwijl de overige gegevens betrekking hebben op het re-integratietraject. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de aan appellant verweten gedragingen hem niet geheel zouden kunnen worden toegerekend. Mitsdien was het Uwv in beginsel gehouden de WW-uitkering bij wijze van maatregel blijvend geheel te weigeren. Evenals de rechtbank ziet de Raad in de aangevoerde omstandigheden geen grond om te oordelen dat het gedrag appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. 5.4. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007. (get.) N.J. van Vulpen-Grootjans. (get.) M.B. de Gooijer. 27/11 SG