Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0323

Datum uitspraak2007-11-21
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/175 WW + 07/2079 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekken maatregel tijdens procedure in hoger beroep: met het besluit is geheel tegemoet gekomen. Vergoeding wettelijke rente. Proceskostenveroordeling in beroep en hoger beroep.


Uitspraak

07/175 WW 07/2079 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 1 december 2006, 06/511 (hierna: aangevallen uitspraak), in de gedingen tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 21 november 2007. I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend. Namens appellant is een schriftelijke reactie ingezonden waarop door het Uwv is gereageerd. Hierop is namens appellant gereageerd. Desgevraagd heeft het Uwv toestemming gegeven voor het achterwege laten van een onderzoek ter zitting. Appellant heeft die toestemming niet gegeven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2007, waar appellant en zijn gemachtigde niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen een besluit van het Uwv van 20 maart 2006 (het bestreden besluit), inhoudende dat zijn bezwaar tegen het besluit van 4 augustus 2005, tot buiten behandeling laten van de aanvraag om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), gegrond wordt verklaard, dat hem met ingang van 13 juli 2004 een WW-uitkering wordt toegekend, en dat die uitkering bij wijze van maatregel met ingang van 19 mei 2005 gedurende 20 weken wordt verlaagd met 20% in verband met schending van de sollicitatieplicht. Appellant stelde zich op het standpunt dat de maatregel ten onrechte was opgelegd. 1.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. 2.1. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, en als grief zijn standpunt herhaald dat de in het bestreden besluit vermelde maatregel ten onrechte is opgelegd. Appellant heeft de Raad tevens verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade, in de vorm van wettelijke rente over de periode dat hem ten onrechte een deel van de WW-uitkering is geweigerd. 2.2. Tijdens de procedure in hoger beroep heeft het Uwv met een besluit van 12 maart 2007 de 20 maart 2006 opgelegde maatregel ingetrokken. In een brief van 25 mei 2007 heeft het Uwv aangegeven dat tot nabetaling van de WW-uitkering en vergoeding van de wettelijke rente zal worden overgegaan, en dat het door appellant betaalde griffierecht na de uitspraak van de Raad zal worden vergoed. Ten aanzien van de te vergoeden proceskosten refereert het Uwv zich aan het oordeel van de Raad. 3. De Raad overweegt het volgende. 3.1. Met het besluit van 12 maart 2007 is naar het oordeel van de Raad geheel tegemoet gekomen aan de grieven van appellant in hoger beroep. Dientengevolge acht de Raad het hoger beroep van appellant ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet mede gericht tegen het besluit van 12 maart 2007. Het bestreden besluit wordt niet gehandhaafd door het Uwv. 3.2. Appellant heeft verzocht het Uwv te veroordelen in door hem geleden schade. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:73 van de Awb het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling van de uitkering. De ingangsdatum van de wettelijke rente wordt gesteld op 1 mei 2006, zijnde de eerste dag van de maand volgend op de eerste betaaldag waarop het Uwv de volledige WW-uitkering had moeten uitbetalen als geen maatregel zou zijn opgelegd. Voor de verdere berekening wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 1 november 1995, LJN ZB1495, RSV 1996/182 en JB 95/314. 4. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep, op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal op € 966,--. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van renteschade als hiervoor aangegeven; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- (€ 38,-- + € 105,--) aan hem vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 november 2007. (get.) T. Hoogenboom. (get.) M.B. de Gooijer. BvW 312