
Jurisprudentie
BC0307
Datum uitspraak2007-12-14
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers07/13 WOZ AQ1 A
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers07/13 WOZ AQ1 A
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vaststelling WOZ-waarde [adres]
Uitspraak
RECHTBANK ALMELO
Sector bestuursrecht
Registratienummer: 07/13 WOZ AQ1 A
uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 14 december 2007
in het geschil tussen:
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [plaats], eiseres,
gemachtigde: mr. M.A. Smits, werkzaam bij Deloitte Belastingadviseurs B.V. te Zwolle,
en
De heffingsambtenaar van de gemeente Almelo, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Uitspraak op bezwaar van verweerder d.d. 23 november 2006.
2. Het verloop van de procedure
Bij uitspraak op bezwaar van 23 november 2006 heeft verweerder zijn bij beschikkingen van 28 februari 2005 krachtens de Wet waardering onroerende zaken (Wet Woz) per waardepeildatum 1 januari 2003 vastgestelde waardevaststellingen ter zake van de objecten [adres nrs 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 t/m 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35 en 36] herroepen, en de objecten [adres nrs 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 t/m 26] met een waarde van € [bedrag] voor het belastingjaar 2005. Voorts heeft verweerder in de uitspraak op bezwaar vermeld dat de waarde van dat object voor het belastingjaar 2006 € [bedrag] zal bedragen. Tevens heeft hij in de bestreden uitspraak op bezwaar de objecten [adres] samengevoegd tot één nieuw object, [adres], met een waarde van € [bedrag]. De waarde van het object [adres] heeft verweerder in zijn genoemde uitspraak op bezwaar verhoogd van € [bedrag] naar € [bedrag]. De waarde van het object [adres] heeft verweerder in zijn uitspraak op bezwaar verlaagd van € [bedrag] naar € [bedrag]. De waarde van het object [adres] heeft verweerder verhoogd van € [bedrag] naar € [bedrag]. Het object [adres] heeft verweerder in de uitspraak op bezwaar gesplitst in [adres] en [adres]. Verweerder heeft aan het object [adres] in bezwaar een waarde toegekend van € [bedrag] en aan het object [adres] een waarde van € [bedrag]. De waarde van het object [adres] heeft verweerder tenslotte verlaagd van € [bedrag] naar € [bedrag].
Tegen de uitspraak op bezwaar is namens eiseres bij brief van 3 januari 2007, aangevuld op 2 november 2007, beroep ingesteld.
Op 26 april 2007 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden, alsmede een verweerschrift en een door P.A.T.M. Niehuis, als gediplomeerd Woz-taxateur werkzaam bij SMQ BV, opgesteld taxatierapport, gedagtekend 25 april 2007.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 14 november 2007, waar eiseres is vertegenwoordigd door W.P.G. Pingen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mevrouw I. Ritterbex, werkzaam bij Eiffel BV, en D.H.E. Klein Gebbink, gecertificeerd WOZ-taxateur.
3. Geschil en standpunten van partijen
Tussen partijen is in geschil of de op grond van de Wet Woz vastgestelde waarde van de objecten [adres] te hoog is vastgesteld.
Eiseres beantwoordt die vraag bevestigend en verweerder ontkennend.
Eiseres heeft, samengevat, gesteld dat de zelfstandig bruikbare (onder)verhuurde skyboxen ten onrechte tot de gewaardeerde onroerende zaak zijn gerekend. Verweerder heeft verder in strijd gehandeld met het beginsel van reformatio in peius, omdat hij naar aanleiding van de bezwaren van eiseres hogere Woz-waarden heeft vastgesteld. Ten onrechte is een mutatiebeschikking voor 2006 opgesteld naar aanleiding van wijzigingen in 2005. In de mutatiebeschikking is een lagere technische afschrijving voor objectdelen gehanteerd dan in de mutatiebeschikking voor 2006, terwijl die delen in het tijdvak geen verandering hebben ondergaan. De omzetbelasting is ten onrechte tot de vervangingswaarde gerekend, terwijl de diensten van de vennootschap op grond van artikel 11, eerste lid, letter e, sub 1, van de Wet OB (omzetbelasting) niet zijn vrijgesteld. Op het kunstgrasveld en de tribunes is de werktuigenvrijstelling van toepassing. Ten onrechte is die door verweerder niet toegepast. Tenslotte is de bedrijfswaarde lager dan de gecorrigeerde vervangingswaarde. Verweerder heeft daaraan ten onrechte geen aandacht besteed.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat omtrent de skyboxen geen geschil meer is: in overleg met de heer Pingen en het bestuur van eiseres worden de skyboxen vanaf 2007 apart afgebakend. Van reformatio in peius is geen sprake: na hertaxatie zijn enkele objecten in waarde verhoogd en andere in waarde verlaagd. Als een object verkeerd is afgebakend kan de waarde van het object in bezwaar of beroep worden aangepast. In tegenstelling tot hetgeen eiseres meent heeft verweerder geen waarden voor het jaar 2006 vastgesteld. De waarden, die in de uitspraak op bezwaar zijn opgenomen, zijn indicatief van aard. Dat geldt ook voor de waarden van de objecten [adres]. In aanvulling op het gestelde op pagina 6 van het verweerschrift heeft verweerder ter zitting hieromtrent gesteld dat deze waarden zijn gehandhaafd op de in primo vastgestelde waarde. De andere waarden, opgenomen op pagina 3 van de uitspraak op bezwaar zijn slechts indicatief van aard; verweerder heeft geen andere waarde willen vaststellen. Wat betreft de omzetbelasting stelt verweerder zich op het standpunt dat hij ten onrechte de waarde inclusief omzetbelasting heeft vastgesteld. Wat dat onderdeel betreft is naar het oordeel van verweerder het beroep gegrond. Van een werktuigenvrijstelling is in dit geval geen sprake. De stoeltjes op de tribune en het kunstgras kunnen niet worden aangemerkt als werktuig. Wat betreft de bedrijfswaarde vindt verweerder dat de bewijslast dat de bedrijfswaarde lager is dan de gecorrigeerde vervangingswaarde bij eiseres berust.
4. Overwegingen
In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder voor de diverse objecten waarden aangegeven die zouden gelden in het jaar 2006. Naar verweerder in het verweerschrift en ter zitting heeft gesteld zijn deze waarden niet aan te merken als beschikkingen en zijn deze slechts ter informatie opgenomen. Eveneens geldt naar verweerder in het verweerschrift en ter zitting heeft gesteld dat voor de [adres] in de uitspraak op bezwaar geen nieuwe beschikkingen zijn genomen, wat impliceert dat de in primo vastgestelde waarden zijn gehandhaafd.
De rechtbank merkt op dat het vorenstaande geenszins is af te leiden uit de uitspraak op bezwaar. Van verweerder mag worden verwacht dat in een uitspraak op bezwaar duidelijkheid wordt verschaft omtrent de rechtsgevolgen van de beslissing. Nu verweerder echter deze duidelijkheid alsnog – zij het eerst ter zitting – heeft verschaft treffen de daartegen gerichte gronden van eiseres geen doel. De rechtbank zal dan ook voorbijgaan aan die gronden. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat aan de in de uitspraak op bezwaar opgenomen waarde van [adres] voor het jaar 2006 van € [bedrag], gelet op het vorenstaande, geen betekenis toekomt.
De rechtbank stelt verder vast dat onduidelijk is welke waarde geldt voor het object [adres]. Dit object is in primo niet van een waarde voorzien daar het is afgescheiden van het object [adres]. Nu verweerder heeft gesteld dat er ten aanzien van het object [adres] in de uitspraak geen nieuwe waardevaststelling heeft plaatsgevonden is de rechtbank van oordeel dat er geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven zijn geroepen zodat van een nieuwe waardevaststelling van het object [adres] geen sprake is. De rechtbank zal gelet daarop ook aan de tegen deze vermeende waardevaststelling aangevoerde gronden voorbij gaan.
Wat betreft de objectafbakening merkt de rechtbank op dat de wijziging van de afbakening die verweerder in de uitspraak op bezwaar heeft aangebracht ter zake van de objecten [adres] in [adres] niet in geschil is. Dat geldt ook voor de afbakening van de objecten [adres], uitgezonderd [adres].
Ter zake van de afbakening van de skyboxen ([adres]) stelt de rechtbank vast dat, naar verweerder ook impliciet toegeeft in het verweerschrift waar hij overweegt dat vanaf 2007 de skyboxen als apart object zullen worden afgebakend, wat betreft deze onderdelen het object [adres] te groot is afgebakend. Het beroep is reeds om deze reden gegrond. Het enkele, door verweerder gestelde, feit dat in bezwaar tussen partijen is gesproken over de wijze waarop de objecten zullen worden afgebakend, maakt dit niet anders. Bij gebreke aan adequate informatie op grond waarvan de rechtbank zelf in de zaak zou kunnen voorzien, zal de rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigen en verweerder opdragen een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen.
Naar verweerder eveneens toegeeft, heeft hij ten onrechte de waarde vastgesteld inclusief omzetbelasting. Eveneens om deze reden komt de uitspraak op bezwaar voor vernietiging in aanmerking.
Wat betreft de grond van eiseres dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de bedrijfswaarde die lager zou zijn dan de gecorrigeerde vervangingswaarde overweegt de rechtbank als volgt. Voor de onderbouwing en uitvoering van de waardebepaling van onroerende zaken op de voet van de Wet Woz zijn regels vastgesteld in de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Instructie). Artikel 4, tweede tot en met vierde lid, van de Instructie bevat voorschriften voor het berekenen van de vervangingswaarde, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet Woz. Artikel 4, vierde lid, van de Instructie bepaalt dat bij het berekenen van die waarde voor bedrijfsmatig gebruikte onroerende zaken een zodanige factor voor functionele veroudering wordt toegepast, dat de waarde overeenkomt met de bedrijfswaarde van de onroerende zaak rekening houdend met de economische situatie in de desbetreffende branche of bedrijfstak.
Bij het bepalen van de bedrijfswaarde van het object dient als uitgangspunt te worden genomen de waarde die het object in economische zin in de onderneming van de belanghebbende heeft. Daarbij moet rekening worden gehouden met de doelstelling die belanghebbende met de exploitatie van het object nastreeft. Ter zitting is de rechtbank gebleken dat eiseres deels een commerciële doelstelling nastreeft in die zin dat de exploitatie ten dienste staat van het primaire doel van eiseres, namelijk het in stand houden van het stadion. In die zin is van een bedrijfsmatig gebruikte onroerende zaak sprake. Partijen zijn verdeeld over de vraag wie de bewijslast heeft met betrekking tot het bepalen van de bedrijfswaarde.
De rechtbank is van oordeel dat artikel 4, vierde lid, van de Instructie deze bewijslast primair legt bij verweerder. Dit artikel bepaalt immers imperatief dat verweerder bij de waardering van objecten een zodanige factor voor functionele veroudering toepast dat de waarde overeenkomt met de bedrijfswaarde van de onroerende zaak, rekening houdend met de economische situatie in de desbetreffende branche of bedrijfstak. In de primaire waardebeschikking dan wel in de uitspraak op bezwaar zal verweerder derhalve inzicht moeten geven in de vraag op welke wijze aan de opdracht van artikel 4, vierde lid, van de Instructie is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder derhalve moeten onderzoeken of er aanleiding bestond de factor voor functionele veroudering zodanig aan te passen dat deze overeenstemde met de (lagere) bedrijfswaarde. De stelling van verweerder dat dit primair op de weg van eiseres ligt omdat die over de relevante gegevens beschikt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gevolgd. Deze omstandigheid behoeft namelijk verweerder er niet van te weerhouden de benodigde gegevens en bescheiden op te vragen bij eiseres. Verweerder heeft echter, ofschoon eiseres gesteld heeft dat de bedrijfswaarde aanzienlijk lager zou zijn dan de gecorrigeerde vervangingswaarde, een en ander onder meer middels het overleggen van jaarstukken, in de uitspraak op bezwaar in het geheel niets overwogen omtrent de bedrijfswaarde. Ook om deze reden komt de uitspraak op bezwaar voor vernietiging in aanmerking.
Tenslotte zijn partijen nog verdeeld over de vraag of de werktuigenvrijstelling van toepassing is op de tribunestoeltjes en de kunstgrasmat. De rechtbank oordeelt ten aanzien hiervan dat de stelling van verweerder, die er op neerkomt dat geen sprake is van een werktuig in de zin van het normale spraakgebruik, niet onjuist is.
Resumerend is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd voor zover die betreft de objectafbakening en de waardering van het object [adres]. Verweerder wordt opgedragen ter zake een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen.
Er bestaat aanleiding tot toekenning van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt derhalve als volgt:
5. Beslissing
De Rechtbank Almelo,
Recht doende:
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 644,00 door de gemeente Almelo te betalen aan eiseres;
- verstaat dat de gemeente Almelo aan eiseres het griffierecht ad EUR 281,00 vergoedt.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Aldus gegeven door mrs. W.M.B. Elferink, J.H. Keuzenkamp en W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van mr. G.J.M. Annink, griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2007
Afschrift verzonden op:
PA