Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0304

Datum uitspraak2007-12-17
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 072996 en 072997
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Bewoner belanghebbende bij besluit tot onttrekking aan het openbaar verkeer van op- en afritten rijksweg A2. Zienswijzen ten onrechte niet - ontvankelijk verklaard. Rechtsgevolgen in stand gelaten.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 07/2996 en 07/2997 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 december 2007 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak inzake [eiser], wonende te Utrecht, eiser, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder. Inleiding 1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 9 oktober 2007 waarbij verweerder de gemeentelijke op- en afritten van de aansluiting Oog in Al op de rijksweg A2 en de naastliggende en aansluitende fiets- en voetpaden aan het openbaar verkeer heeft onttrokken. 1.2 Het verzoek is op 4 december 2007, gelijktijdig met het verzoek SBR 07/ 3420, ter zitting behandeld, waar namens eiser is verschenen drs. C. van Oosten, werkzaam bij bureau rechtsbescherming. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P. de Keijzer, werkzaam bij de gemeente Utrecht, bijgestaan door mr. D. de Vries en D. Reuling, beiden werkzaam bij het projectbureau Leidsche Rijn. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor. Ten aanzien van het beroep (SBR 07/2997): 2.3 Verweerder betwist dat eiser belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. Volgens verweerder zijn de door eiser aangevoerde belangen al afgewogen bij de vaststelling van het onherroepelijke globale bestemmingsplan Leidsche Rijn en de daarop gebaseerde uitwerkingsplannen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna ABRS) van 5 april 2006, (www.raadvanstate.nl, zaaknummer 200506847), heeft verweerder bovendien gesteld dat de onttrekking aan het openbaar verkeer van de op- en afritten niet leidt tot een bepaalbare wijzing van de verkeerssituatie bij de wijk Oog in Al en daarmee van de leefbaarheid ter plaatse. Aan het vervallen van de aansluiting Vleutenseweg komt daarom geen zelfstandige betekenis toe waardoor eiser evenmin als belanghebbende bij het besluit kan worden aangemerkt. 2.4 De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Ingevolge artikel 3:10, eerste lid, van de Awb, is de afdeling 3.4 van deze wet van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald. Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Awb kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren brengen. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij een administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder een belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De op- en afritten van de rijksweg A2 verbinden de rijksweg A2 met de Vleutenseweg, een van de toegangswegen naar het centrum van de stad Utrecht. De Vleutenseweg ligt ten noorden van de afrit naar de wijk Oog in Al. Eiser woont aan de in de wijk Oog in Al gelegen Brücknerlaan. Deze laan ligt parallel aan de Martin Luther Kinglaan, welke weg het verkeersplein Hooggelegen op de rijksweg A2 verbindt met de woonwijk Oog in Al en het centrum van de stad Utrecht. Tussen het perceel van eiser en de Martin Luther Kinglaan is een groenstrook van circa 30 meter aanwezig. Al het verkeer dat de rijksweg A2 ter plekke verlaat in de richting van het centrum rijdt over de Martin Luther Kinglaan. Pas voorbij het perceel van eiser kan het doorgaand verkeer zich via het 24 oktoberplein verspreiden. Eiser stelt dat veel automobilisten op de rijksweg A2 die uit het zuiden komen met de bestemming (stad) Utrecht gebruik zullen gaan maken van de afslag bij de Martin Luther Kinglaan en niet, zoals verweerder veronderstelt, de 1,7 kilometer noordelijker gelegen afrit Lage Weide van de rijksweg A2, omdat men dan circa 3,5 kilometer moeten omrijden. Deze toename van verkeer heeft een direct gevolg op de kwaliteit van eisers leefomgeving. 2.5 De stelling van verweerder dat de eerdergenoemde uitspraak van de ABRS van 5 april 2006 onverkort van toepassing is in de situatie van eiser kan de voorzieningenrechter niet volgen. Het belang van eiser in de onderhavige procedure is niet op een lijn te stellen met het veel ruimere belang van de rechtspersoon die in die zaak opkwam tegen een uitwerkingsplan op grond van artikel 11 van de WRO. De voorzieningenrechter is, onder verwijzing naar onder meer de uitspraken van de ABRS van 30 november 2005, zaaknummer 2005022231 en van 8 februari 2006, zaaknummer 200505278, van oordeel dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de onttrekking van de onderhavige op- en afritten aan het openbaar verkeer voor eiser nadelige effecten door een toename van het verkeer op de Martin Luther Kinglaan met zich zal brengen. Eisers woning is gelegen in de directe omgeving van deze weg. Hieruit volgt dat eiser, los van de specifieke omvang van de verkeerstoename op de Martin Luther Kinglaan, een rechtstreeks, en bovendien voldoende van andere inwoners van Utrecht te onderscheiden, belang bij de onttrekking heeft en kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep van eiser is daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontvankelijk. Hieraan kan niet afdoen het standpunt van verweerder dat de onttrekking van de bij de gemeente in eigendom zijnde op- en afritten in tijd volgt op de onttrekking van de op- en afritten die eigendom van het rijk zijn omdat deze volgtijdelijkheid de consequentie is van verweerders keuze en hij ook anders had kunnen besluiten. 2.6 Het voorgaande brengt met zich dat verweerder bij het bestreden besluit de zienswijzen van eiser ten onrechte niet - ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is om deze reden gegrond en het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. De voorzieningenrechter ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt. 2.7 Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet, kan een weg, niet behorende tot de in artikel 8 bedoelde, aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van de raad der gemeente, waarin de weg is gelegen. Vaststaat dat de gemeenteraad deze bevoegdheid bij besluit van 6 september 2007 heeft gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Bij besluit van 23 januari 2007 heeft verweerder besloten toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb, zodat belanghebbenden zienswijzen konden indienen met betrekking tot het voorgenomen besluit tot onttrekking van de op- en afritten aan het openbaar verkeer. 2.8 Eiser betwist dat de onttrekking van de op- en afritten direct voortvloeit uit het globale bestemmingsplan Leidsche Rijn omdat op grond van dit bestemmingsplan nog bestemmingen moeten worden uitgewerkt. Ook het uitwerkingsplan A2 Spoorlijn Hogeweide schrijft de onttrekking niet dwingend voor. De handhaving van de bestaande op- en afritten is niet in strijd met dit bestemmingsplan. Eiser voert verder aan dat het effect van de onttrekking voor de luchtverontreiniging op andere plaatsen niet afzonderlijk is onderzocht en dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt van welke alternatieve routes automobilisten gebruik zullen maken. Eiser schat het aantal motorvoertuigen op 23.000 per rijrichting en derhalve op 46.000 bewegingen per dag. Zelfs indien uit de vaststelling van de verschillende bestemmingsplannen direct zou volgen dat de op- en afritten aan het openbaar verkeer worden onttrokken, dan kan niet voorbijgegaan worden aan het feit dat de Wegenwet geen planologisch doel dient en een eigen afwegingskader heeft. Eiser wijst er daarbij op dat uit het Besluit luchtkwaliteit 2005 en de Europese richtlijn 1999/30 volgt dat elk besluit met gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden aan de normen voor luchtkwaliteit, zeker nu het gaat om dagelijks 46.000 motorvoertuigen die een andere route gaan kiezen. Eiser wijst op het gebruik door verweerder van het VRU-verkeersrekenmodel, waarvan verweerder in andere procedures stelt dat met dit model elke afzonderlijke ingreep minutieus in beeld kan worden gebracht. 2.9 Eisers betoog spitst zich toe op het standpunt van verweerder dat de gevolgen van het bestreden besluit in relatie tot het aspect van de luchtkwaliteit niet inzichtelijk zijn gemaakt. De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat bij de vaststelling van het globale bestemmingsplan Leidsche Rijn Utrecht 1999 is uitgegaan van de afwikkeling van het autoverkeer met de bestaande stad via de Noordelijke Randweg Utrecht, de Spoorlaan, de Vleutenseweg en de Martin Luther Kinglaan. Tevens is in dit plan voorzien dat de Noordelijke Randweg Utrecht, de Spoorlaan en de Martin Luther Kinglaan rechtstreeks op de A2 zijn aangesloten. Daarbij is naast het verleggen en verbreden van de rijksweg A2 voorzien in het vervallen van de onderhavige op- en afritten van de rijksweg A2. De voorzieningenrechter stelt vast dat door TNO onderzoek is verricht naar de gevolgen van de realisering van het bestemmingplan op de luchtkwaliteit. Vastgesteld wordt voorts dat de uitwerkingsplannen A2 Wetering Zuid Spoorlijn en A2 Spoorlijn Hogeweide voorzien in verlegging van de rijksweg A2 en in een gedeeltelijke overkluizing in de vorm van gebouwde constructies over de weg heen, waardoor een wijziging in de regionale verkeersinfrastructuur noodzakelijk is en onder andere de aansluiting Utrecht West / Vleutenseweg komt te vervallen. Zowel het bestemmingsplan als de hiervoor genoemde uitwerkingsplannen zijn inmiddels onherroepelijk geworden. 2.10 De voorzieningenrechter is met eiser van oordeel dat uit het hiervoor genoemde bestemmingsplan en de daarop gebaseerde uitwerkingsplannen niet dwingend volgt dat de onderhavige op- en afritten aan het openbaar verkeer worden onttrokken. Het bestemmingsplan biedt immers slechts het kader voor toegestane planologische ontwikkelingen en kan deze niet dwingend voorschrijven. Dit kan ook worden afgeleid uit de meergenoemde uitspraak van de ABRS van 5 april 2006. Dit laat evenwel onverlet dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan (en de daarop gebaseerde uitwerkingsplannen) bij toetsing aan de eisen van luchtkwaliteit vooruit moet lopen op de realisering van de voorgenomen bestemming en de gevolgen daarvan voor de luchtkwaliteit. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat het onderhavige besluit niet vereist dat nogmaals afzonderlijk onderzoek had moeten worden gedaan naar de mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit. 2.11 De door eiser aangevoerde gronden kunnen daarom niet leiden tot het oordeel dat verweerder na afweging van de bij het besluit betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het onttrekken aan het openbaar verkeer van de op- en afritten van de rijksweg A2. Om die reden kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten. 2.12 De voorzieningenrechter zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand . Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 07/2996): 2.13 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. 2.14 De voorzieningenrechter zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1) als kosten van verleende rechtsbijstand . Beslissing De voorzieningenrechter: Ten aanzien van het beroep: 3.1 verklaart het beroep gegrond, 3.2 vernietigt het bestreden besluit, 3.3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, 3.4 bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- aan hem vergoedt; 3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- te betalen door de gemeente Utrecht; Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening: 3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; 3.7 bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- aan hem vergoedt; 3.8 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322,- te betalen door de gemeente Utrecht. Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in ’t Veld en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2007. De griffier: De voorzieningenrechter: mr. drs. H. Maaijen mr. drs. R. in ’t Veld Afschrift verzonden op: Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Let wel Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de voorzieningenrechter gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.