Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0294

Datum uitspraak2007-11-28
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4771 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Overname betalingsverplichtingen. Opzegtermijn. Verzoek om terug te komen van: geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.


Uitspraak

07/4771 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [werknemer] (hierna: werknemer), tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 juli 2007, kenmerk 06/2624 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: werknemer en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 28 november 2007. I. PROCESVERLOOP Namens werknemer heeft mr. J.J.M. van der Pool, werkzaam bij CNV Hout en Bouw te Odijk, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend het onderzoek ter zitting achterwege te laten. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 1.1. Werknemer heeft bij het Uwv een aanvraag ingediend om zekere betalingsverplichtingen van zijn werkgever op grond van hoofdstuk IV van de WW over te nemen. Het Uwv heeft daarop bij besluit van 25 september 2002 beslist en daarbij de opzegtermijn als bedoeld in artikel 64, aanhef en onder b, van de WW op zes weken gesteld. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt. Werknemer stelt dat uit de uitspraak van de Raad van 27 april 2005, LJN AT4656, RSV 2005/215 en USZ 2005/267, voortvloeit dat voor hem een langere opzegtermijn geldt en heeft het Uwv bij brief van 17 juli 2006 verzocht opnieuw de opzegtermijn vast te stellen. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 10 oktober 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv werknemer, onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te kennen gegeven dat zijn verzoek om terug te komen van het rechtens onaantastbare besluit niet in behandeling wordt genomen. Volgens het Uwv kan voormelde uitspraak van de Raad niet als nieuw feit of nieuwe omstandigheid worden aangemerkt als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. 2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv gevolgd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank heeft tevens het standpunt van werknemer dat het Uwv in strijd met het gelijkheidsbeginsel, de redelijkheid en de billijkheid handelt, verworpen. 3. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel met betrekking tot het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Hij heeft daartoe het volgende overwogen. 3.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. 3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat werknemer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. De uitspraak van de Raad van 27 april 2005 kan op zichzelf niet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Daarbij moet het immers gaan om feiten en omstandigheden die betrekking hebben op het oorspronkelijke besluit en daarvan is hier geen sprake. 3.3. Werknemer voert tal van redenen aan waarom hij destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de opzegtermijn op zes weken. Dienaangaande overweegt de Raad dat volgens zijn vaste rechtspraak (zie onder meer zijn uitspraak van 21 maart 2001, LJN AB1691, RSV 2001/151) als uitgangspunt dient dat het enkele feit dat uit een later gedane rechterlijke uitspraak blijkt dat een besluit berust op een onjuiste uitleg of verkeerde toepassing van een wettelijk voorschrift, voor risico blijft van de betrokkene die in dat besluit heeft berust. 3.4. Op grond van het vorenstaande was het Uwv op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb bevoegd het verzoek van werknemer af te wijzen, waarbij de Raad nog opmerkt dat de hier aan de orde zijnde aanspraak van werknemer geen duuraanspraak betreft. In hetgeen door werknemer is gesteld met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel, de redelijkheid en de billijkheid ziet de Raad, evenmin als de rechtbank, grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. 4.1. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. 4.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2007. (get.) M.A. Hoogeveen. (get.) P. Boer. BvW 312