Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0286

Datum uitspraak2007-11-20
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Alkmaar
Zaaknummers144082
Statusgepubliceerd


Indicatie

Art. 2 lid 3 BOPZ. Verzoek maatregel betrokkene jonger dan 12 jaar. Beide ouders hebben gezamenlijk ouderlijk gezag. Eén oefent dat feitelijk niet uit. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank toestemming van de andere ouder -die wel feitelijk gezag uitoefent - voldoende voor opname. Machtiging tot gedwongen opname is dan niet noodzakelijk. Analoog aan art. 1: 253q en 253r B.W. Verzocht is een voorwaardelijke machtiging. Uit art. 14a lid 1 BOPZ en wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat deze maatregel niet kan worden opgelegd ten aanzien van een minderjarige jonger dan 12 jaar. Bovendien niet noodzakelijk, gelet op hiervoor weergegeven oordeel.


Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR Sector civiel recht Kenmerk: 144082 Datum beschikking: 20 november 2007 Beschikking van de enkelvoudige kamer voor kinderzaken voor de behandeling van burgerlijke zaken VOORWAARDELIJKE MACHTIGING betreffende: naam [minderjarige] [geboortedatum en –plaats] [adres en woonplaats] Verloop van de procedure Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken, waarvan de inhoud hier als ingelast geldt; * het verzoek van de officier van justitie d.d. 5 november 2007 tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging; * de op 31 oktober 2007 ondertekende en met redenen omklede verklaring van dhr. N.J.M. Beuk, psychiater als bedoeld in artikel 14a lid 4 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ). * het behandelingsplan als bedoeld in artikel 14a lid 5 van de Wet BOPZ. Het verhoor heeft d.d. 16 november 2007 plaatsgevonden in het Centrum voor Jeugd- en Kinderpsychiatrie Triversum (hierna: Triversum) te Alkmaar. Gehoord zijn Mevrouw [moeder], de advocaat van betrokkene, mr. F.J.J. Baars, mevrouw E.W. Apperloo (ouderbegeleider), alsmede E.C.M. den Teuling (psychiater). Verder aanwezig is De heer [stiefvader]. De feiten Bij de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. [minderjarige] is de zoon van [de moeder] en [de vader]. Bij beslissing van 31 januari 2002 van de rechtbank Maastricht is de echtscheiding tussen de vader en moeder uitgesproken. Bij die beslissing werd tevens bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij moeder zou zijn. [minderjarige] is ook feitelijk steeds bij zijn moeder gebleven. Vader en moeder hebben beiden het ouderlijk gezag over [minderjarige] gehouden. Er is op dit moment geen contact tussen vader en moeder. Ten tijde van de beslissing van de rechtbank Maastricht was sprake van een omgangsregeling, maar er wordt al 21/2 jaar geen omgangsregeling uitgevoerd. Vader heeft daartoe ook geen initiatief genomen. Moeder woont inmiddels in Alkmaar samen met een nieuwe partner, de stiefvader van [minderjarige]. Het feitelijke gezag over [minderjarige] wordt door hen beiden uitgeoefend. Triversum heeft geprobeerd in contact te komen met de vader, maar dat is niet gelukt. Zijn verblijfplaats is onbekend. De moeder, de stiefvader en de advocaat van [minderjarige] staan achter de door Triversum voorgestelde behandeling. Die behandeling houdt in dat [minderjarige] overdag op de dagkliniek van Triversum zal zijn, waar hij een behandeling volgt. 's Avonds en in de weekenden is [minderjarige] thuis bij zijn moeder en stiefvader. [minderjarige] zelf is tweemaal op de dagkliniek geweest en had het daar naar zijn zin. De beoordeling van het verzoek. De rechtbank dient allereerst te onderzoeken of het ingediende verzoek inhoudelijk kan worden behandeld. De minderjarige jonger dan 12 jaar Een minderjarige jonger dan 12 jaar kan gedwongen in een psychiatrisch ziekenhuis worden opgenomen, indien hij voldoet aan de wettelijke criteria daarvoor. Daarnaast moet gelden dat de ouders die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, van oordeel zijn dat opneming en verblijf niet moeten plaatsvinden of de ouders die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, daarover van mening verschillen (art. 2 lid 3 BOPZ). Triversum is er bij de indiening van het verzoek bij de officier van justitie van uit gegaan dat een rechterlijke machtiging in dit geval noodzakelijk was. De instelling is daarmee uiterst zorgvuldig te werk gegaan. De officier van justitie was het met het verzoek eens en heeft dit doorgeleid naar de rechtbank. Het uitgangspunt daarbij was, zo is tijdens het verhoor gebleken, dat een rechterlijke machtiging noodzakelijk was, omdat de toestemming van de vader ontbrak. In dit geval is echter geen sprake van een situatie dat vader en moeder over de opname van mening verschillen of dat vader van oordeel is dat opneming en verblijf niet moeten plaatsvinden. De mening van vader is namelijk geheel onbekend, aangezien hij al geruime tijd geen contact meer met [minderjarige] en/of moeder heeft gehad. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een rechterlijke machtiging niet noodzakelijk is voor de opname van [minderjarige]. Dat oordeel verhoudt zich ook met de inhoud van de artikelen 1: 253q en 253r van het Burgerlijk Wetboek, waarin wordt bepaald dat bij een onbekende verblijfplaats van één van de ouders, die het gezamenlijk gezag uitoefenen, de ander dat gezag alleen uitoefent. De verzochte voorwaardelijke machtiging Het voorgaande oordeel van de rechtbank geldt echter voor de situatie dat er ook daadwerkelijk een opname volgt. Dat is in dit geval echter niet zo. Terecht heeft de advocaat van [minderjarige] erop gewezen dat het hier gaat om een verzoek tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging en dat uit art. 14a lid 1 BOPZ volgt dat een voorwaardelijke machtiging slechts kan worden verleend met betrekking tot personen van 12 jaar en ouder. Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot invoering van de mogelijkheid tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging blijkt dat de wetgever er welbewust voor heeft gekozen om deze maatregel niet mogelijk te maken voor minderjarigen jonger dan 12 jaar: "Ook op personen jonger dan 12 jaar heeft de regeling geen betrekking. Ten aanzien van opneming van deze personen geldt dat een machtiging is vereist als de ouders of een van hen zich tegen opneming verzetten. Een voorwaardelijke machtiging in deze gevallen achten wij niet zinvol omdat het kind bij de behandeling alle steun van de ouders nodig heeft. Ontbreekt de steun van een van de ouders of van beide ouders dan zal behandeling weinig zinvol zijn." (Tweede Kamer 1999-2000, 27289, nr. 3, blz. 5) De wetgever gaat daarbij uit van het geval dat beide ouders, die het ouderlijk gezag hebben, dat gezag ook daadwerkelijk uitoefenen. In die situatie heeft een voorwaardelijke machtiging inderdaad geen zin, als niet beide ouders achter de maatregel staan. Het zijn immers de ouders die in plaats van de minderjarige moeten instemmen met de voorwaarden en die er ook voor zouden moeten zorgen dat die voorwaarden worden nagekomen. In het geval waarover de rechtbank nu moet beslissen, oefent de vader zijn ouderlijke macht echter feitelijk helemaal niet uit; hij heeft zijn zoon al 21/2 jaar niet gezien en bemoeit zich ook overigens niet met zijn opvoeding. Mocht de vader alsnog zijn ouderlijk gezag daadwerkelijk gaan uitoefenen en mocht dan blijken dat hij van mening is dat geen opname moet plaatsvinden, dan ontstaat een situatie, waarop art. 1: 253a van het Burgerlijk Wetboek ziet: Ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening kunnen geschillen tussen de ouders hieromtrent op verzoek van beiden of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Deze beproeft, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen de ouders. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Dat is op dit moment echter niet aan de orde. Conclusie Zoals hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat voor een gedwongen opname van [minderjarige] onder de hiervoor geschetste omstandigheden geen rechterlijke machtiging nodig is. Daaruit volgt dat ook een voorwaardelijke machtiging zonder opname niet behoeft te worden verzocht, nog daargelaten dat de tekst van de wet deze mogelijkheid ook niet biedt. Op grond van de overgelegde stukken en de gehouden verhoren is de rechtbank van oordeel dat in het belang van de minderjarige acute hulp moet worden geboden en dat eventuele procedures in verband met het ouderlijk gezag niet kunnen worden afgewacht. Hoewel in de hierna te geven beslissing het verzoek formeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard, beveelt de rechtbank aan om zo spoedig mogelijk met de voorgestelde behandeling van [minderjarige] te beginnen. Alle betrokkenen zijn het er immers over eens dat dat de beste oplossing is. Beslissing De rechtbank Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Deze beschikking is gegeven te Alkmaar op 20 november 2007 door mr. L.J. Saarloos, kinderrechter van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke kinderzaken in bovengenoemde rechtbank, in tegenwoordigheid van E.B.B.M. van Linden als griffier.