Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0281

Datum uitspraak2007-12-13
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 06/1483 en 06/4101
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek om schadevergoeding na onrechtmatig gebleken loonsanctiebesluit. Herroeping van het loonsanctiebesluit door verweerder is aan te merken als een onrechtmatige daad jegens eiseres. Verweerder heeft het verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk ten onrechte afgewezen.


Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht Registratienummer: AWB 06/1483 en 06/4101 Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: de besloten vennootschap EW Noord BV, eiseres, kantoorhoudende te Arnhem, vertegenwoordigd door mr. M.C.F.M. Mollee, gemachtigde, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluiten I. Besluit van verweerder van 31 januari 2006, uitgereikt door het UWV te Arnhem; II. Besluit van verweerder van 26 juni 2006, uitgereikt door het UWV te Arnhem. 2. Procesverloop Bij besluit van 26 juni 2003 heeft verweerder op grond van artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de loondoorbetalings-verplichting van eiseres jegens haar werkneemster [A] (hierna: de werkneemster) verlengd. Daarbij is vastgesteld dat het tijdvak dat de werkneemster jegens eiseres (langer) recht heeft op betaling van loon op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW) 4 maanden omvat en loopt van 21 augustus 2003 (zijnde de datum waarop de wachttijd van 52 weken is verstreken) tot 21 december 2003. Bij besluit van 21 januari 2004 heeft verweerder het gemaakte bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2003 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd. Bij uitspraak van deze rechtbank van 21 maart 2005, met registratienummer AWB 04/401, is het tegen het besluit van 21 januari 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van die uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft verweerder bij brief van 28 april 2005 hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 8 juni 2005 heeft verweerder het hoger beroep ingetrokken. Ter voldoening aan de uitspraak van deze rechtbank van 21 maart 2005 heeft verweerder bij besluit van 31 januari 2006, bestreden besluit I, het gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 26 juni 2003 herroepen. Voorts heeft verweerder medegedeeld dat aan eiseres ten onrechte een re-integratieverplichting tweede spoor (re-integratie bij een andere werkgever) is opgelegd. Daarnaast heeft verweerder eiseres’ verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen laatstgenoemd besluit is beroep ingesteld. Door verweerder is een verweerschrift ingediend. Bij beslissing van 23 mei 2006 heeft de rechtbank bepaald dat kennisneming van enkele medische stukken niet aan eiseres wordt toegestaan, maar uitsluitend wordt voorbehouden aan de gemachtigde van eiseres, mr. Mollee voornoemd, die daarvoor bijzondere toestemming krijgt. Bij besluit van 26 juni 2006, bestreden besluit II, heeft verweerder bestreden besluit I gewijzigd in die zin dat verweerder het verzoek om schadevergoeding toewijst voor zover het de kosten van het tweede re-integratieverslag betreft. Voor het overige wijst verweerder het verzoek om schadevergoeding af. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 6 november 2007. Eiseres is aldaar, zoals tevoren schriftelijk bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J. van den Elsaker, werkzaam bij het UWV te Arnhem. 3. Overwegingen Vooropgesteld wordt dat deze rechtbank ingevolge artikel 8:7 van de Awb juncto de artikelen 1:10 en 1:14 van het BW bevoegd is van dit geschil kennis te nemen, nu genoegzaam is gebleken dat eiseres mede kantoor houdt in Arnhem en dat van daaruit alle bedrijfswerkzaamheden plaatsvinden. Het bestreden besluit II betreft een besluit zoals bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Dat besluit komt niet geheel aan het beroep tegemoet, zodat het onderhavige beroep ingevolge het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, wordt geacht mede te zijn gericht tegen besluit II. Met het bestreden besluit II moet het bestreden besluit I geacht worden te zijn ingetrokken. Met betrekking tot het beroep tegen bestreden besluit I overweegt de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat eiseres een afzonderlijk belang heeft bij beoordeling van dat besluit. Mitsdien moet het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk worden verklaard. Met betrekking tot het beroep tegen bestreden besluit II overweegt de rechtbank het volgende. In geschil is eiseres’ verzoek om vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het in rubriek 2 vermelde besluit van 26 juni 2003. Het is vaste jurisprudentie dat bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding aansluiting dient te worden gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. Artikel 6:162, eerste lid, van het BW bepaalt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Ingevolge het derde lid kan een onrechtmatige daad aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Dit betekent dat voor gehoudenheid tot schadevergoeding van de zijde van een bestuursorgaan onder andere is vereist dat het besluit dat als schadeoorzaak wordt aangewezen, onrechtmatig is. In de civiele jurisprudentie wordt ervan uitgegaan dat, indien een besluit van een bestuursorgaan als verweerder op grond van een daartegen gemaakt bezwaar door het bestuursorgaan wordt herroepen en wordt vervangen door een nieuw besluit, het zal afhangen van de redenen die daartoe hebben geleid en de omstandigheden waaronder het primaire besluit tot stand is gekomen, of het primaire besluit onrechtmatig moet worden geoordeeld en of dit aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend in de zin van artikel 6:162 van het BW. Vaststaat dat verweerder bij bestreden besluit II zijn besluit van 26 juni 2003 heeft herroepen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de reden van herroepen, verweerders besluit van 26 juni 2003 moet worden aangemerkt als een onrechtmatige daad jegens eiseres die verweerder ook kan worden toegerekend. Immers, verweerder is tot herroeping overgegaan omdat bij het primaire besluit was uitgegaan van een onjuist wettelijk kader en er ook anderszins geen re-integratieverplichting tweede spoor opgelegd had mogen worden. Dit betekent dat verweerder in beginsel gehouden is om de schade die eiseres dientengevolge heeft geleden te vergoeden. Beoordeeld moet worden of de door eiseres opgevoerde schadeposten in voldoende causaal verband staan tot het besluit van 26 juni 2003. Artikel 6:98 van het BW bepaalt dat slechts voor vergoeding in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Ingevolge artikel 6:101, eerste lid, van het BW wordt, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Allereerst heeft eiseres verzocht om vergoeding van het door haar aan de werkneemster ten onrechte doorbetaalde loon ad € 2156,04 bruto over de periode 21 augustus 2003 tot 21 december 2003. Hangende beroep heeft eiseres haar vordering verlaagd tot het verschil tussen het netto- en het brutobedrag van 70% van het loon, vanwege het feit dat aan de werkneemster met terugwerkende kracht tot 21 augustus 2003 een volledige WAO-uitkering is toegekend en eiseres op grond van de geldende CAO gehouden is deze uitkering tot 100% van het loon aan te vullen. De rechtbank is van oordeel dat de extra loonbetalingen op zichzelf een rechtstreeks gevolg zijn van verweerders onrechtmatig gebleken besluit en derhalve in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. Uit het thans door verweerder gevoerde beleid dienaangaande, inhoudende dat het onverschuldigd betaalde loon wordt vergoed indien niet met terugwerkende kracht een WAO-uitkering kan worden toegekend, volgt dat ook verweerder daar (inmiddels) vanuit gaat. Echter, nu eiseres haar schade had kunnen (trachten te) beperken door de Belastingdienst te verzoeken de onverschuldigd afgedragen loonbelasting te restitueren, is de rechtbank van oordeel dat verweerder haar verzoek voor dat deel heeft mogen afwijzen. Artikel 6:101 van het BW brengt immers mee dat een benadeelde zijn schade zoveel mogelijk tracht te beperken. Dit geldt daarentegen niet voor de premies werknemersverzekeringen die destijds aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn afgedragen. Voor dat deel heeft verweerder eiseres’ verzoek om schadevergoeding dan ook ten onrechte afgewezen. Eiseres heeft voorts verzocht om vergoeding van kosten die zij heeft gemaakt in verband met inspanningen voor re-integratie tweede spoor. Zij verwijst hiervoor naar rekeningen van re-integratiebureau Agens, met een totaalbedrag van € 4343,49. Vaststaat dat eiseres reeds op 4 juni 2003 aan Agens opdracht heeft verstrekt om een re-integratietraject op te starten. Het feit dat deze opdracht aldus is verstrekt voordat verweerder zijn besluit van 26 juni 2003 had genomen, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de veronderstelling dat er geen causaal verband bestaat tussen voormelde kosten en dat besluit. Het lag op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat deze kosten desondanks zijn gemaakt vanwege voormeld besluit. Nu zij dat heeft nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden de verzochte vergoeding heeft geweigerd. Daarnaast heeft eiseres verzocht om vergoeding van kosten die zij heeft gemaakt in verband met extra re-integratie inspanningen door Commit, waaronder het opstellen van een tweede re-integratieverslag. In totaal betreft het een bedrag van € 804,95. Bij bestreden besluit II heeft verweerder de kosten van het tweede re-integratieverslag ad € 440,31 alsnog aan eiseres vergoed, zodat thans slechts nog de overige kosten (€ 364,64) in geschil zijn, namelijk die voor het voeren van twee voortgangsgesprekken. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat deze gesprekken verband houden met het opstellen van het tweede re-integratieverslag en daarmee een rechtstreeks gevolg zijn van verweerders onrechtmatige besluit van 26 juni 2003. Derhalve heeft verweerder ten onrechte geweigerd het volledige bedrag te vergoeden. Tot slot heeft eiseres verzocht om toekenning van wettelijke rente over de gevorderde bedragen. Nu uit het vorenstaande blijkt dat verweerder gehouden is de afgedragen premies werknemersverzekeringen alsmede de kosten van Commit te vergoeden, is verweerder eveneens gehouden om over die bedragen de wettelijke rente aan eiseres te vergoeden. De ingangsdatum van de rentevergoeding over de premies werknemers-verzekeringen is de eerste dag van de maand volgend op die waarin de desbetreffende betalingen zijn verricht. Voor de berekening van die rente verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 november 1995, JB 1995/314. Daarnaast is verweerder gehouden wettelijke rente te vergoeden over 70% van de brutoloonbetalingen (waarbij de premies werknemersverzekeringen uiteraard niet opnieuw hoeven worden meegenomen), echter slechts tot aan het moment van de betaalbaarstelling van de WAO-uitkering. Deze betalingen zijn immers een rechtstreeks gevolg van verweerders onrechtmatig gebleken besluit, zodat de daaraan verbonden renteschade eveneens voor vergoeding in aanmerking komt. Voor de ingangsdatum en de wijze van berekening van die rentevergoeding wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen. Gelet op het vorenstaande komt het bestreden besluit II voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres dienen te nemen. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 322,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid van de Awb, tot de volgende beslissing. 4. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep tegen besluit I niet-ontvankelijk; verklaart het beroep tegen besluit II gegrond; bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 322,- en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,- aan haar vergoedt. Aldus gegeven door mr. M.J.P. Heijmans, als voorzitter, mrs. W.F. Bijloo en D.J. Post, als rechters, in tegenwoordigheid van J.M.A. Koster, griffier. Door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 13 december 2007 in tegenwoordigheid van de griffier, voornoemd. De griffier, De voorzitter, Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op: 13 december 2007