
Jurisprudentie
BC0278
Datum uitspraak2007-11-07
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 06/6179
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 06/6179
Statusgepubliceerd
Indicatie
Handhaving tegen activiteiten in strijd met bestemmingsplan. Geen sprake van nevenactiviteit. Overleg over voortzetting bedrijf in gewijzigde vorm biedt geen concreet zicht op legalisatie.
Uitspraak
RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
Registratienummer: AWB 06/6179
Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[A], eiser,
wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door ir. A.TH.M. van Loon,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 30 oktober 2006.
2. Procesverloop
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder, na het doorlopen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, eiser onder oplegging van een dwangsom van € 2.500,- per week, met een maximum van € 30.000,-, gelast binnen 18 maanden na dagtekening de strijdigheid met het geldende bestemmingsplan op het perceel [perceel] te [woonplaats] op te heffen door alle buitenopslag en -stalling van materiaal en materieel ten behoeve van de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten te verwijderen en verwijderd te houden en alle materiaal en materieel ten behoeve van de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten uit de agrarische bedrijfsgebouwen te verwijderen.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 1 oktober 2007. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door ing. C. de Vos, adviseur van G & O Consult B.V. te Oploo en collega van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.M.L. Cortenbach, ambtenaar van de gemeente.
3. Overwegingen
Verweerder heeft aan het bestreden besluit, samengevat, ten grondslag gelegd dat eiser het genoemde perceel in gebruik heeft ten behoeve van zijn eenmansbedrijf in bestrating, tuinonderhoud en tuinrenovatie, aanleg en onderhoud van groenvoorziening, het plaatsen van erfafscheidingen. Dit betreft volgens verweerder niet-agrarische bedrijfsactiviteiten die op grond van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" zijn verboden. Verweerder acht geen concreet zicht op legalisatie aanwezig, nu eiser in de periode van 2001 tot 2006, ondanks meerdere verzoeken van de zijde van verweerder en ondanks meerdere overleggen in die periode, geen verzoek om vrijstelling heeft ingediend. Het verzoek dat eiser op 19 juni 2006 heeft ingediend biedt volgens verweerder geen concreet zicht op legalisatie omdat het verzoek op meerdere punten in strijd is met streekplan Gelderland 2005 (verder: het streekplan). Ook overigens is verweerder niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving zou moeten worden afgezien.
De rechtbank merkt allereerst op dat niet is aangevoerd, en ook is de rechtbank niet gebleken, dat verweerder het onderhavige handhavingsbesluit niet had mogen voorbereiden met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Eiser heeft dan ook terecht voorafgaand aan het beroep geen bezwaar gemaakt bij verweerder.
Het perceel waarop het besluit ziet heeft ingevolge het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "agrarische doeleinden" (binnen de gebiedsdifferentiatie "gemengd gebied"). Blijkens artikel 4.1 van de planvoorschriften zijn deze gronden onder meer bestemd voor agrarisch grondgebruik en, uitsluitend ter plaatse van de betreffende aanduiding op de kaart, een niet agrarische nevenactiviteit.
Onder "niet agrarische nevenactiviteit" moet blijkens artikel 1 onder r van de planvoorschriften worden verstaan: een op een agrarisch bedrijf uitgeoefende vorm van niet-agrarische bedrijvigheid, welke naar ruimtebeslag, inkomensvergaring en arbeidsintensiteit ondergeschikt is aan de agrarische activiteit.
De rechtbank stelt voorop dat het gewraakte gebruik ten behoeve van eisers bedrijf niet als agrarisch grondgebruik kan worden aangemerkt. Eiser betwist dat ook niet. Wel stelt eiser dat sprake is van een niet agrarische nevenactiviteit als bedoeld in artikel 4.1 van de planvoorschriften.
De rechtbank overweegt dat uit de bovenaangehaalde begripsomschrijving van "niet agrarische nevenactiviteit" volgt dat een dergelijke activiteit uitsluitend is toegestaan wanneer ter plaatse ook een agrarische hoofdactiviteit plaatsvindt.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat eiser op het perceel geen agrarische hoofdactiviteit ontplooit. Eiser heeft dat ter zitting weliswaar weersproken, maar zijn betoog heeft de rechtbank niet kunnen overtuigen. De verklaring van eiser ter zitting dat hij als hoofdactiviteit circa 90 schapen houdt om daaruit inkomsten te genereren is onvoldoende onderbouwd. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat het houden van 90 schapen zou kunnen worden aangemerkt als hoofdactiviteit waaraan het tuiniersbedrijf naar ruimtebeslag, inkomensvergaring en arbeidsintensiteit ondergeschikt zou zijn.
Het verwijt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de verhouding tussen de verschillende activiteiten treft geen doel, omdat eiser in zijn zienswijze juist nog heeft erkend dat de hoveniersactiviteiten sinds het starten in 2002 als nieuwe economische drager waren ontwikkeld, en de agrarische activiteiten een steeds kleinere factor in de onderneming vormden.
Nu niet kan worden aangenomen dat sprake is van een agrarische hoofdactiviteit, kunnen de activiteiten ten behoeve van eisers hoveniersbedrijf niet worden beschouwd als (niet agrarische) nevenactiviteit. Deze activiteiten zijn dan ook in strijd met artikel 15.1 van de planvoorschriften, waarin (voor zover hier van belang) het verbod is gesteld de in het bestemmingsplan bedoelde gronden te gebruiken in strijd met de bestemming.
De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder de bevoegdheid toekomt om handhavend op te treden.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
Volgens eiser had verweerder niet tot handhaving mogen overgaan alvorens de vrijstellingsmogelijkheden nader zijn onderzocht. Eiser voert aan dat inmiddels constructief overleg plaatsvindt tussen hem en verweerder, hetgeen tot aanpassing van het vrijstellingsverzoek moet leiden, welk verzoek volgens afspraak met verweerder vervolgens in ambtelijk overleg aan de provincie zal worden voorgelegd.
De rechtbank ziet in dit betoog geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van concreet zicht op legalisatie dat aan handhavend optreden in de weg staat. Om te beginnen merkt de rechtbank op dat feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat het bestreden besluit is genomen niet van belang zijn; bepalend is of ten tijde van het bestreden besluit concreet zicht op legalisatie bestond. Verder merkt de rechtbank op dat het concreet zicht op legalisatie waarop eiser zich beroept geen betrekking heeft op de overtreding waarop de lastgeving ziet. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hadden (en hebben) de gesprekken tussen eiser en verweerder slechts betrekking op voortzetting van het bedrijf in aangepaste vorm, en is daarbij bovendien sprake van nadere voorwaarden waaraan zal moeten worden voldaan. Dit overleg laat onverlet dat verweerder niet wenste en wenst mee te werken aan legalisatie van de bestaande situatie omdat het streekplan zich daartegen verzette. Voor zover al aangenomen zou moeten worden dat uit het overleg zou moeten worden afgeleid dat er, ook ten tijde van het bestreden besluit, kennelijk toch een opening was om tot legalisatie van een deel van de verboden activiteiten te komen, is dat zonder meer onvoldoende om te kunnen spreken van concreet zicht op legalisatie van de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bestaande illegale situatie.
De rechtbank is ook niet gebleken dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat verweerder van handhaving had moeten afzien. De stelling van eiser ter zitting dat geen sprake is van klachten van omwonenden is daarvoor onvoldoende. Hetzelfde geldt, mede gelet op het bovenstaande, voor het feit dat eiser en verweerder in overleg waren over toekomstige aangepaste voortzetting van eisers bedrijf.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat hetgeen eiser tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd geen doel treft. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. D.J. Post, als voorzitter, mr. M. Groverman en mr. M.J.P. Heijmans als rechters, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2007 in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier. .
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.
Verzonden op: 7 november 2007