Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0260

Datum uitspraak2007-11-27
Datum gepubliceerd2007-12-20
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2005/0134
Statusgepubliceerd


Indicatie

Overgangsrecht; eigen gebruik. Pw, art. 36 e.v.; BW, art. 7:368 e.v.; Overgangswet Nieuw BW, art. 74. Eigen gebruik; reeds bij tussenbeschikking vastgesteld dat voornemen tot eigen gebruik ernstig gemeend is. Het hof heeft verpachtster bij tussenbeschikking opgedragen om schriftelijke stukken in het geding te brengen waaruit met voldoende zekerheid blijkt dat (1) de benodigde milieuvergunning is of zal worden verkregen en (2) dat de voorgenomen bedrijvigheid niet in strijd zal zijn met het bestemmingsplan. Voorts heeft het hof overwogen dat indien verpachter daaraan zou voldoen het verlengingsverzoek zal worden afgewezen. Thans staat het hof derhalve in beginsel nog slechts ter beoordeling of de stukken die verpachtster nadien heeft overgelegd voldoende zijn om tot het hiervoor bedoelde oordeel te kunnen komen. Verpachtster heeft brieven overgelegd waarin de gemeente, kort gezegd, verklaart dat de benodigde milieuvergunning waarschijnlijk zal worden verkregen en dat de voorgenomen bedrijvigheid niet in strijd zal zijn met het bestemmingsplan. Beslissing ten gunste van verpachtster.


Uitspraak

27 november 2007 pachtkamer rekestnummer: P 2005/134 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Beschikking in de zaak van: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, procureur: mr. L. Paulus, tegen: [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, procureur: mr. H. van Ravenhorst. 1 Het verdere verloop van het geding 1. 1 Het hof verwijst naar zijn tussenbeschikking van 4 april 2006. Ingevolge die tussenbeschikking heeft [appellante] op 8 september 2006 een akte overlegging nadere stukken ingediend. 1. 2 Op 6 november 2006 heeft [geïntimeerde] een antwoordakte ingediend. 1. 3 Op 16 juli 2007 heeft [appellante] een nadere akte ingediend. 1. 4 Op 14 september 2007 heeft [geïntimeerde] een antwoordakte ingediend. 1. 5 Op 8 oktober 2007 heeft een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn [appellante] met haar echtgenoot, bijgestaan door mr. J.T. Fuller, advocaat te Zwolle, en [geïntimeerde] met zijn echtgenote, bijgestaan door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Deventer. Partijen hebben aan het hof inlichtingen verstrekt waarna de beide advocaten de wederzijdse standpunten hebben toegelicht, beiden mede aan de hand van pleitaantekeningen, waarbij [appellante] een nieuwe productie in het geding heeft gebracht. 1. 6 Vervolgens heeft het hof aanvankelijk de beschikking bepaald op 20 november 2007 en nader bepaald op heden. 2 De motivering van de beslissing in hoger beroep 2. 1 Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Aan de orde is de vraag of het geschil tussen partijen naar oud dan wel naar nieuw recht dient te worden beslist. In dat verband merkt het hof op dat artikel 74 lid 3 Overgangswet in dit geval niet van toepassing is nu de zaak op 1 september 2007 nog niet in staat van wijzen verkeerde, zodat in beginsel het nieuwe recht - dat onmiddellijke werking heeft - dient te worden toegepast. 2. 2 Kenmerkend voor het onderhavige geval is dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe recht door de verpachtster een kennisgeving van niet-verlenging als bedoeld in het tweede lid van artikel 36 Pachtwet is uitgebracht en dat eveneens daaraan voorafgaand door de pachter tijdig om verlenging is verzocht als bedoeld in het derde lid van dat artikel. 2. 3 Het nieuwe recht met betrekking tot de verlenging van een pachtovereenkomst verschilt wezenlijk van het oude, niet alleen wat betreft de toepasselijke regels van procesrechtelijke aard, maar ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist. Artikel 7:367 Burgerlijk Wetboek voorziet in opzegging door de verpachter, welke opzegging volgens artikel 7:368 Burgerlijk Wetboek – anders dan de kennisgeving van niet-verlenging van artikel 36 Pachtwet – op straffe van nietigheid gronden dient te vermelden. Artikel 7:369 Burgerlijk Wetboek houdt in dat, indien de pachter zich binnen zes weken met opgave van redenen tegen de opzegging verzet, het aan de verpachter is om – op de gronden vermeld in de opzegging – te vorderen (het gaat hier dus om een dagvaardingsprocedure) dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. De artikelen 7:370 e.v. Burgerlijk Wetboek voorzien vervolgens in een beoordeling van deze vordering op basis van regels die niet alleen wat betreft hun systematiek maar deels ook inhoudelijk belangrijk verschillen van de regeling van de artikelen 38 e.v. Pachtwet. 2. 4 Volgens het eerste lid van artikel 74 Overgangswet Nieuw BW heeft de inwerkingtreding van het nieuwe recht geen gevolgen voor de aard van een lopende procedure, zodat in zoverre oud recht van toepassing blijft. De verzoekschriftprocedure van artikel 36 e.v. Pachtwet is een bijzondere procedure, gericht op de beoordeling van de vraag of – niettegenstaande de kennisgeving van niet-verlenging van de verpachter – verlenging van de pachtovereenkomst dient plaats te vinden, en die procedure kan naar zijn aard niet op iets anders worden gericht. In verband met het hiervoor bedoelde wezenlijke verschil tussen oud en nieuw recht ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist en tegen de achtergrond van het beginsel van rechtszekerheid, dat het overgangsrecht mede beheerst, moet worden aangenomen dat die materiële regels de aard van de procedure mede bepalen en dat gelet daarop ook wat betreft die materiële regels in beginsel het oude recht van toepassing blijft. Een en ander stemt overeen met de uitleg die door de Minister van Justitie, alsmede door de regeringscommissaris Nieuw Burgerlijk Wetboek, tijdens de behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de art. 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek in de Eerste Kamer der Staten-Generaal is gegeven. 2. 5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof oud recht toepassen. 2. 6 Het hof heeft [appellante] bij tussenbeschikking van 4 april 2006 opgedragen om schriftelijke stukken in het geding te brengen waaruit met voldoende zekerheid blijkt dat (1) de benodigde milieuvergunning is of zal worden verkregen en (2) dat de voorgenomen bedrijvigheid niet in strijd zal zijn met het bestemmingsplan. Voorts heeft het hof overwogen dat indien [appellante] daaraan zou voldoen het verlengingsverzoek zal worden afgewezen. 2. 7 Thans staat het hof derhalve in beginsel nog slechts ter beoordeling of de stukken die [appellante] nadien heeft overgelegd voldoende zijn om tot het hiervoor bedoelde oordeel te kunnen komen. 2. 8 [appellante] heeft brieven overgelegd waarin de gemeente, kort gezegd, verklaart dat de benodigde milieuvergunning waarschijnlijk zal worden verkregen en dat de voorgenomen bedrijvigheid niet in strijd zal zijn met het bestemmingsplan. 2. 9 [geïntimeerde] heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft voldaan aan hetgeen het hof haar heeft opgedragen, nu niet met voldoende zekerheid vaststaat dat de voorgenomen bedrijvigheid niet in strijd zal zijn met het bestemmingsplan, althans dat de benodigde milieuvergunning is of zal worden verkregen. Hij heeft de overgelegde verklaringen van de gemeente in twijfel getrokken en stelt zich op het standpunt dat het betrokken perceel bestemd is voor de bescherming van landschapswaarden en voor grondgebonden agrarische bedrijven, alsmede voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven voor zover deze aanwezig zijn ten tijde van het rechtskracht krijgen van het bestemmingsplan. Volgens [geïntimeerde] is de konijnenhouderij een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat nog niet aanwezig was ten tijde van het rechtskracht verkrijgen van dat bestemmingsplan, zodat de vestiging van het bedrijf ter plaatse niet mogelijk is. Voorts betoogt [geïntimeerde] dat ook omschakeling naar de konijnenfokkerij, zijnde een intensief veehouderijbedrijf, niet is toegestaan. Hij verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het geldende bestemmingsplan en het Reconstructieplan [...] en stelt zich op het standpunt dat zijn huidige bedrijf een grondgebonden veehouderijbedrijf is. Verder voert [geïntimeerde] aan dat vestiging van het door [appellante] voorgestelde agrarische bedrijf ter plaatse alleen is toegestaan wanneer ook de woning gebruikt wordt als agrarische bedrijfswoning. Volgens [geïntimeerde] wil [appellante] van de woning geen gebruik maken als hiervoor bedoeld, zodat reeds daarom niet kan worden geoordeeld dat [appellante] het gepachte wil aanwenden voor landbouwkundig gebruik. Ten slotte heeft [geïntimeerde] het hof verzocht het oordeel van een deskundige omtrent het voorgaande te vragen. 2. 10 Met betrekking tot de stelling van [geïntimeerde] dat ten aanzien van de woning al vaststaat dat daarvan geen landbouwkundig gebruik zal worden gemaakt, overweegt het hof dat het voornemen zoals [appellante] het heeft gepresenteerd inhoudt dat haar echtgenoot het gepachte als geheel in gebruik wil nemen voor een tot de landbouw betrekkelijk doel. Zelfs indien de woning niet (geheel) bewoond zou worden of wordt gebruikt als kantoor en/of ruimte voor opslag kan dat niet leiden tot de conclusie dat de echtgenoot van [appellante] daardoor het gepachte niet langer voor een tot de landbouw betrekkelijk doel in gebruik zou willen nemen. Aan het voorgaande doet evenmin af dat een dergelijk gebruik mogelijk in strijd met het bestemmingsplan is. 2. 11 Ten aanzien van de door de gemeente afgegeven verklaringen die zien op het verkrijgen van de benodigde milieuvergunning en de al dan niet strijdigheid met het bestemmingsplan overweegt het hof als volgt. 2. 12 Vooropgesteld moet worden dat de advocaat van [geïntimeerde] ter terechtzitting de stelling dat sprake is van nieuwvestiging van de konijnenhouderij heeft ingetrokken nu uit de overgelegde definities behorend bij het door hem overgelegde Reconstructieplan volgt dat geen sprake is van het in een bestemmingsplan opnemen van een nieuw agrarisch bouwblok en dat het huidige bedrijf van [geïntimeerde] eveneens moet worden aangemerkt als een niet-grondgebonden intensief veehouderijbedrijf. Evenmin kan - met inachtneming van het voorgaande - op basis van die definities de vestiging van de konijnenhouderij worden aangemerkt als omschakeling van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij. Op grond van de definities lijkt in dit geval sprake te zijn van hervestiging van een nieuw op te richten (intensief veehouderij)bedrijf op een bestaand agrarisch bouwblok en hervestiging van een intensief veehouderij bedrijf is volgens het Reconstructieplan in beginsel mogelijk mits bestaande wet- en regelgeving dat toelaten (productie 3 bij antwoordakte d.d. 3 november 2006, pag. 102). 2. 13 Ook de gemeente lijkt van het voorgaande uit te gaan blijkens haar brief van 20 juni 2007 ter beantwoording van de principe-aanvraag van [appellante] voor de vestiging van de konijnenfokkerij. Daarin staat vermeld: "Uw bouwplan voorziet in het intern verbouwen van de bestaande schuren en het opstarten van een konijnenfokkerij. De schuren zijn gelegen in een agrarisch bouwblok en de schuren worden momenteel agrarisch gebruikt voor niet grond-gebonden agrarische bedrijfsvoering. Ook de konijnenfokkerij is agrarisch gebruik voor niet grond-gebonden agrarische bedrijfsvoering. Het gebruik veranderd juridisch niet. Uw bouwplan voldoet aan de voorschriften van het bestemmingsplan". 2. 14 Ten aanzien van de verkrijging van de benodigde milieuvergunning heeft de gemeente in voornoemde brief overwogen: "Voor het wijzigen van de bedrijfsvoering ten bate van een konijnenfokkerij, is vanuit milieu oogpunt, op het adres [...] t.z.t. een nieuwe aanvraag om milieuvergunning vereist. Dit is een standaard procedure bij het veranderen van het gebruik, en hoeft naar onze mening geen problemen op te leveren ten opzichte van de aanvraag." Daarbij sluit aan de mededeling van de gemeente in haar brief van 26 juli 2007 aan de raadsman van [geïntimeerde] (welke brief is gehecht aan de pleitnota van mr. Fuller), waarvan het hof aanneemt gelet op de adressering dat deze [geïntimeerde] al vóór de tweede mondelinge behandeling bekend was. De gemeente schrijft daarin: "Milieutechnisch is er geen grond voor de gemeente om een aanvraag voor de konijnenfokkerij af te wijzen". 2. 15 Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat uit de door [appellante] overgelegde verklaring(en) van de gemeente met voldoende zekerheid blijkt dat (1) de benodigde milieuvergunning is of zal worden verkregen en (2) dat de voorgenomen bedrijvigheid niet in strijd zal zijn met het bestemmingsplan. Hoewel [geïntimeerde] betwist dat de konijnenhouderij zoals door [appellante] voorgesteld kan worden gerealiseerd binnen het bestaande bestemmingsplan en Reconstructieplan en dat de benodigde milieuvergunning zal worden verkregen is het hof, met inachtneming van het voorgaande, van oordeel dat [geïntimeerde] niet heeft aangetoond dat het door de gemeente ingenomen standpunt onjuist is en dat hervestiging van de konijnenhouderij op grond van bestaande wet- en regelgeving niet mogelijk is. Voor een deskundigenonderzoek zoals door [geïntimeerde] voorgesteld ziet het hof geen aanleiding. 2. 16 Aldus zal het hof het verlengingsverzoek van [geïntimeerde] afwijzen, de bestreden beschikking vernietigen, en bij wijze van ordemaatregel de ontruimingstermijn vaststellen op zes maanden na de datum van de onderhavige beschikking. Het hof komt daarmee, gelet op de discussie die over en weer is ontstaan na de stukkenuitwisseling, terug op zijn eerdere voornemen de ontruimingstermijn te bepalen op zes maanden na het tijdstip waarop de hiervoor bedoelde stukken ter kennis van [geïntimeerde] zijn gebracht. Voorts zal het hof bepalen dat [appellante] op grond van artikel 44 lid 3 Pachtwet aan [geïntimeerde] een bedrag van € 260.000,00 zal moeten voldoen in het geval dat later mocht blijken dat de wil tot het landbouwkundig gebruik door haar echtgenoot in werkelijkheid niet aanwezig is geweest. [geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van beide procedures. 3 De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: vernietigt de bestreden beschikking van de pachtkamer van de rechtbank Zutphen, sector kanton, van 12 januari 2005; weigert de verzochte verlenging van de pachtovereenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde]; stelt de ontruimingstermijn vast op 6 maanden na de datum van deze beschikking; bepaalt dat [appellante] op de voet van artikel 44 lid 3 Pachtwet een bedrag van € 260.000,00 aan [geïntimeerde] zal moeten voldoen in het geval dat later mocht blijken dat de wil tot het landbouwkundig gebruik door haar echtgenoot in werkelijkheid niet aanwezig is geweest; veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg begroot op € 500,00 voor salaris van de gemachtigde en wat betreft het hoger beroep begroot op € 2.682,00 voor salaris van de procureur en op € 244,00 voor griffierecht. Deze beschikking is gegeven door mrs. Valk, Van Osch en Van Ditzhuijzen en de raden Van Verschuer en ir. Rogaar en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2007.