Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0255

Datum uitspraak2007-11-06
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers699/2007
Statusgepubliceerd


Indicatie

Niet verschenen in eerste aanleg is de man die geen verweerschrift heeft ingediend en niet op de mondelinge behandeling is verschenen. Termijn van beroep.


Uitspraak

6 november 2007 Familiekamer Rekestnummer 699/2007 G E R E C H T S H O F A R N H E M Beschikking in de zaak van: [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, verder te noemen “de man”, procureur mr. P.A.C. de Vries, tegen [verweerster], wonende te [woonplaats], verweerster, verder te noemen “de vrouw”, procureur mr. P.A.C. de Vries. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Almelo van 21 februari 2007, uitgesproken onder zaaknummer 80948 / ES RK 06-832. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 juni 2007, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen op maximaal € 292,- bruto per maand, althans op een bedrag dat het hof juist acht, kosten rechtens. 2.2 Bij verweerschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 12 juli 2007, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans een bijdrage vast te stellen die het hof juist acht. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 11 oktober 2007 plaatsgevonden. Namens de man is mr. W.G. ten Brummelhuis, advocaat te Oldenzaal, verschenen en namens de vrouw mr. M.S. Flokstra, advocaat te Enschede. 2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van de advocaat van de vrouw met bijlagen van 28 september 2007 en een brief van de procureur van de man van 1 oktober 2007 met bijlagen. 3 De vaststaande feiten Ten aanzien van partijen 3.1 Partijen zijn op 30 maart 1973 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank op verzoek van de vrouw echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 15 juni 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 Bij de bestreden -in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank voorts op verzoek van de vrouw bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met € 600,- per maand. De man heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd. Ten aanzien van de man 3.3 De man is alleenstaand. Hij ontvangt een WAO-uitkering en een invaliditeitspensioen, die tezamen blijkens de specificatie van 23 mei 2007 € 1.846,39 bruto bedragen, hetgeen overeenkomt met € 1.305,10 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. 3.4 De ziektekosten van de man bedragen € 95,25 aan basispremie, te verminderen met € 14,- aan zorgtoeslag. De voormalige echtelijke woning waarin de man woont is niet belast met een hypothecaire lening. Ten aanzien van de vrouw 3.6 De vrouw is alleenstaand. 4 De motivering van de beslissing 4.1 Allereerst is aan de orde of de man tijdig beroep heeft ingesteld, zoals de man stelt en de vrouw betwist. Artikel 358 lid 2 Rv bepaalt dat hoger beroep door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden moet worden ingesteld binnen 3 maanden te rekenen van de dag van de uitspraak en door de andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. Artikel 820 lid 1 Rv bepaalt dat in afwijking van artikel 358 lid 2 Rv een echtgenoot die in eerste aanleg niet in de procedure is verschenen, tegen een beschikking waarbij een verzoek tot echtscheiding is toegewezen, hoger beroep kan instellen binnen 3 maanden na betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen 3 maanden nadat zij op ander wijze is betekend en overeenkomstig het tweede lid openlijk bekend is gemaakt. Zoals blijkt uit de bestreden beschikking heeft mr Oortman, in die tijd advocaat te Hengelo (O), namens de man in eerste aanleg de rechtbank meermaals verzocht uitstel te verlenen van de verweertermijn en heeft hij in zijn op 5 februari 2007 bij de rechtbank ingekomen brief zich niet in staat verklaard en meegedeeld niet meer voor de man op te treden. De rechtbank heeft vervolgens de bestreden beschikking gegeven zonder een mondelinge behandeling te houden. Nu vaststaat dat de man geen verweerschrift heeft ingediend en hij, noch een procureur namens hem tijdens een mondelinge behandeling van de zaak bij de rechtbank is verschenen, moet het ervoor worden gehouden dat de man in de procedure bij de rechtbank niet is verschenen zoals bedoeld in artikel 820 lid 1 Rv. Dit betekent dat de beroepstermijn niet is gaan lopen van de dag van de uitspraak. Uit het door de man overgelegde exploot van betekening blijkt dat de beschikking hem op 7 maart 2007 -niet in persoon- is betekend. Dit leidt tot de conclusie dat de man het beroep tijdig heeft ingesteld zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek in hoger beroep. 4.2 De man betwist niet dat behoefte bestaat aan de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 600,- per maand, zodat die behoefte in rechte vaststaat. 4.3 De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om een hogere bijdrage dan € 292,- per maand in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De vrouw betwist dat. 4.4 Het hof gaat voor de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.4 en 3.5 vermelde financiële gegevens, voorzover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld. Daarbij maakt het hof gelet op de hoogte van het inkomen van de man een zogenaamde netto berekening en neemt het de norm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 70 in aanmerking. 4.5 De man voert aan dat rekening moet worden gehouden met een redelijke woonlast van € 450,- per maand, nu hij de voormalige echtelijke woning wil overnemen, de vrouw moet uitkopen en de woning wenst op te knappen, waarmee € 50.000,- gemoeid is, zodat hij in totaal circa € 100.000,- tot € 135.000,- moet financieren. De vrouw betwist dat en stelt dat geen rekening moet worden gehouden met deze fictieve woonlast, omdat gelet op de spaartegoeden van partijen onvoldoende aannemelijk is dat de man een lening zal moeten afsluiten om de vrouw uit te kopen en ook onzeker is of de man de woning daadwerkelijk zal gaan opknappen nu hij hiertoe sinds 1982 tot op heden geen concrete stappen heeft ondernomen. Het hof ziet geen aanleiding nu reeds rekening te houden met een eventuele woonlast van de man nu onduidelijk is of en zo ja voor welk bedrag hij een financiering zal moeten sluiten om de vrouw uit te kopen in het kader van de verdeling van de gemeenschap. Nu de woning niet is belast met een hypothecaire lening, is de woonlast van de man niet hoger dan de in de bijstandsnorm begrepen wooncomponent. 4.6 Voorts houdt het hof rekening met de premie voor de basisverzekering nu dit een wettelijke verplichting betreft. 4.7 Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden en rekening houdend met de fiscale consequenties heeft de man met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, te weten 15 juni 2007, draagkracht voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 398,- per maand. 5 De slotsom 5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, te vernietigen. 5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn. 6 De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: vernietigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 21 februari 2007, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt dat de man met ingang van 15 juni 2007 dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met € 398,- per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Mens, Ter Veer en Wammes, bijgestaan door mr. Van Gastel-Goudswaard als griffier en is op 6 november 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.