
Jurisprudentie
BC0251
Datum uitspraak2007-11-05
Datum gepubliceerd2007-12-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 05/5529 AOW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 05/5529 AOW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Onvoldoende onderzoek SVB naar voormalige woonplaats en werkgevers.
Verweerder heeft onvoldoende onderzoek verricht naar de door eiser opgegeven woonplaatsen en werkgevers in verband met de vaststelling van eisers recht op ouderdomspensioen. Op verweerders verzoek aan het UWV om onderzoek te doen naar de door eiser opgegeven bedrijven, heeft het UWV bericht niet over dienstverbandgegevens van eiser te beschikken. Niet is gebleken dat verweerder ànder onderzoek heeft verricht naar de door eiser opgegeven bedrijven. Tevens is uit de gedingstukken niet op te maken of het onderzoek naar eisers woonplaats betrekking heeft gehad op het tweede door eiser opgegeven adres. De rechtbank kan derhalve niet vaststellen of verweerder bij de voorbereiding van zijn beslissing de nodige kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard en houdt het er voor dat verweerder dat heeft nagelaten.
Uitspraak
Rechtbank Amsterdam
Sector Bestuursrecht Algemeen
enkelvoudige kamer
UITSPRAAK
in het geding met reg.nr. AWB 05/5529 AOW
van:
[eiser], wonende te Nador in Marokko,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn,
tegen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. J.Y. van den Berg.
1. PROCESVERLOOP
De rechtbank heeft op 28 november 2005 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van 20 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit).
Het onderzoek is gesloten ter zitting van 10 september 2007.
2. OVERWEGINGEN
Eiser, geboren op 3 mei 1938, heeft een aanvraag ingediend voor verlening van een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW).
Bij besluit van 27 juli 2004 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij met ingang van de maand mei 2003 recht heeft op 14 % van het maximale AOW-pensioen en ten behoeve van zijn jongere partner recht heeft op 54 % van de maximale AOW-toeslag. Eiser heeft hiertegen tijdig bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Na onderzoek is volgens verweerder gebleken dat eiser langer, namelijk voor een periode van 21 jaar, verzekerd is geweest. Het AOW-pensioen van eiser is derhalve verhoogd van 14 % naar 42% van het volledige bedrag. De toeslag ten behoeve van zijn jongere partner is gelijk gebleven op 54% voor de periode tot en met oktober 2004. Vanaf november 2004 heeft eiser recht op 76% van de volledige AOW-toeslag. Met betrekking tot de periode voor 1973 heeft verweerder aangegeven dat uit navraag bij de gemeente Rotterdam is gebleken dat eiser daar nooit in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) opgenomen is geweest. Voorts heeft verweerder de door eiser opgegeven bedrijven, noch de door eiser genoemde bedrijfsverenigingen waarbij de gestelde werkgevers waren aangesloten, kunnen achterhalen. Ook navraag bij het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) heeft geen resultaat opgeleverd. Nu eiser op verzoek van verweerder ook geen nadere bewijsstukken heeft overgelegd, heeft verweerder niet kunnen vaststellen dat eiser in de periode van 1969 tot 1973 in Nederland arbeid in loondienst heeft verricht. De periode van voor 1973 is dan ook niet meegenomen in de berekening van de verzekerde periode.
Eiser heeft in beroep gesteld dat hij vanaf 1968 in Nederland gewoond en gewerkt heeft in ieder geval: als stratenmaker in Delft; bij bureau Tech Protector te Rotterdam; bij Orno te Rotterdam; bij De Bruyn BV te Dordrecht; bij Dramika te Rotterdam. In 1972 is eiser ziek geworden en in aanmerking gebracht voor ziekengeld. Aansluitend is aan hem een uitkering krachtens de WAO toegekend. Eiser kan zich niet verenigen met het feit dat verweerder pas is gaan tellen vanaf het moment dat eiser ziekengeld ontving in de zin van de Ziektewet. Eiser merkt daarbij op dat uit het feit dat hij recht had op ziekengeld volgt dat hij in ieder geval een periode daaraan voorafgaand als werknemer in loondienst moet hebben gewerkt. Bovendien is eiser van mening dat ook de periodes waarover hij kinderbijslag heeft ontvangen dienen te worden aangemerkt als periodes in het kader van de verzekering AOW. Ter zitting heeft eiser daar nog aan toegevoegd dat verweerder bij de vaststelling van de periode waarin eiser verzekerd is geweest ten onrechte de periode van 1 april 1977 tot 13 mei 1978 niet heeft betrokken. Eiser was in die periode immers 80 tot 100% arbeidsongeschikt.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AOW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene, die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, en
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Ingevolge artikel 7 van de AOW heeft iemand overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op ouderdomspensioen indien diegene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en ingevolge deze wet verzekerd is geweest in het tijdvak, aanvangende met de dag waarop
de leeftijd van 15 jaar is bereikt en eindigende met de dag voorafgaande aan de dag waarop
de leeftijd van 65 jaar is bereikt.
Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder naar aanleiding van eisers aanvraag op 8 oktober 2004 bij het UWV navraag heeft gedaan naar de door eiser opgegeven bedrijven. Bij brief van 19 juli 2007 heeft het UWV verweerder bericht niet over dienstverbandgegevens van eiser te beschikken, omdat het UWV slechts betrokken is geweest bij eisers arbeidsongeschiktheidsuitkering en het arbeidskundig dossier niet op het kantoor van het UWV aanwezig is.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat verweerder ànder onderzoek heeft verricht naar de door eiser opgegeven bedrijven. Door dit na te laten heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gekweten van de op hem rustende onderzoeksverplichting. Anders dan in het bestreden besluit is gesteld kan van de inspanningen die het UWV zich heeft getroost niet worden gezegd dat tevergeefs is geprobeerd eisers voormalig werkgevers te achterhalen, nu uit de brief van 19 juli 2007 juist blijkt dat zij niet in staat zijn gebleken daarnaar enig onderzoek te doen. Het had dan ook op verweerders weg gelegen om langs andere weg (bijvoorbeeld internet) na te gaan of de door eiser genoemde werkgevers thans nog bestaan.
Verweerder heeft gelet op het voorgaande bij de voorbereiding van het besluit gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met als gevolg dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb een draagkrachtige motivering ontbeert. Het beroep zal dan ook reeds hierom gegrond worden verklaard en het besluit zal worden vernietigd.
Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende.
Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat blijkens een opgave van
14 november 2003 van de gemeente Rotterdam eiser niet in het GBA opgenomen is geweest. De rechtbank stelt vast dat zich onder de gedingstukken bevindt de mededeling van 15 maart 2004 van Burgerzaken van de gemeente Rotterdam dat [eiser] met als laatste adres in Nederland [adres], niet is gevonden in de basisadministratie van die gemeente. Niet duidelijk evenwel is of deze constatering ook betrekking heeft op het adres [adres], dat eiser heeft opgegeven in het formulier dat verweerder op 28 oktober 2003 heeft ontvangen. Ook in dit opzicht kleeft er aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek.
Tot slot merkt de rechtbank op dat uit de brief van 13 april 2004 van het UWV aan eiser, die zich onder de door verweerder overgelegde gedingstukken bevindt, blijkt dat eiser arbeidsongeschikt is geweest naar een percentage van 80-100 gedurende de periode van
4 april 1973 tot 13 mei 1978. Eerst per die laatste datum is eisers mate van arbeidsongeschiktheid op 15-25% vastgesteld. Voor zover de verzekerde periode in het besteden besluit is gebaseerd op de stelling dat eiser vanaf 1 april 1977 minder dan 45% arbeidsongeschikt is geweest, berust het besluit op een onjuiste feitelijke grondslag, zodat het besluit ook om deze reden in strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid van de Awb moet worden geacht en voor vernietiging in aanmerking komt.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met het instellen van het beroep heeft moeten maken. Die kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.
Daarnaast dient verweerder het door eiser gestorte griffierecht te vergoeden.
Beslist wordt als volgt.
3. BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit op eisers bezwaar neemt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser begroot op € 644,- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro) te betalen door verweerder aan de griffier van de rechtbank;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ad € 37,- (zegge: zevenendertig euro) vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 5 november 2007 door mr. B.E. Mildner, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.M. Schipper, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
Afschrift verzonden op:
Coll.
DOC: B