
Jurisprudentie
BC0213
Datum uitspraak2007-11-21
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers236276 / HA ZA 05-1058
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers236276 / HA ZA 05-1058
Statusgepubliceerd
Indicatie
Gehoudenheid tot vergoeding van de kosten die (verzekeraar van) werkgever heeft gemaakt ten behoeve van een matroos die tijdens werkzaamheden op het terrein van de stuwadoor gewond was geraakt o.g.v. de artikelen 6:107 en 6:107a BW. Beroep op exoneratiebeding afgewezen. Geen sprake van medeschuld werkgever.
Verplaatste kosten in de zin van artikel 6:107a BW.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 236276 / HA ZA 05-1058
Uitspraak: 21 november 2007
VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:
de rechtspersoon naar vreemd recht
GRAND SLAM ENTERPRISE CORPORATION,
gevestigd te Monrovia, Liberia,
eiseres,
procureur mr. G.J.W. de Vries,
- tegen -
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HANDELSVEEM B.V., h.o.d.n. C. Steinweg,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
procureur mr. H.T. Kernkamp.
Partijen worden hierna aangeduid als "Grand Slam" respectievelijk "Steinweg".
1. Het verloop van het geding
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- dagvaarding d.d. 16 maart 2005 en de door Grand Slam overgelegde producties;
- incidenteel vonnis van deze rechtbank d.d. 14 september 2005 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- conclusie van antwoord, met producties;
- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 23 november 2005, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 25 april 2006;
- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door Grand Slam overgelegde akte met spreekaantekeningen en overgelegde producties;
- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door Steinweg overgelegde productie;
- akte aan de zijde van Grand Slam, met producties;
- antwoordakte aan de zijde van Steinweg.
2. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast.
2.1
Op 8 december 2000 lag het onder Liberiaanse vlag varende zeeschip Sanko Summit afgemeerd aan een kade op het terrein van Steinweg te Rotterdam. Tijdens het uitvoeren van werkzaamheden op voornoemde datum op de kade in opdracht van de kapitein heeft een ongeval plaatsgevonden waarbij de heer [X] (hierna: [X]), bemanningslid van de Sanko Summit, blijvend invalide is geraakt.
2.2
De arbeidsinspectie heeft van het ongeval een rapport opgemaakt en vastgesteld dat Steinweg zowel haar eigen veiligheidsregels als die van het Arbobesluit heeft geschonden.
2.3
[X] heeft Steinweg aangesproken tot schadevergoeding. Bij vonnis van 5 november 2003 heeft de rechtbank Rotterdam voor recht verklaard dat Steinweg jegens [X] aansprakelijk is voor de door hem geleden schade en de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. In het kader van de schadestaatprocedure is een vaststellingsovereenkomst gesloten op grond waarvan Steinweg, althans haar verzekeraar,
€ 192.500,-- heeft betaald aan [X].
2.4
Grand Slam was ten tijde van het ongeval de rompbevrachter van het zeeschip. Grand Slam heeft de werving van de bemanningsleden uitbesteed aan Fil-Star Maritime Corporation te Manila, Filippijnen, die als ‘Crewing Agent’ namens en ten behoeve van Grand Slam op of omstreeks 29 juni 2000 een arbeidscontract heeft gesloten met [X].
2.5
Tussen Steinweg en de reisbevrachter van de Sanko Summit was een overeenkomst gesloten waarop de Rotterdamse Stuwadoorscondities (hierna: RSC) van toepassing waren. Grand Slam was geen partij bij deze overeenkomst.
2.6
Het terrein van Steinweg is voorzien van borden met een kennisgeving in de Nederlandse en Engelse taal, waarvan de Engelstalige versie luidt:
“ATTENTION!
1. Anyone visiting these premises or vessels moored alongside, do so at their OWN RISK.
In no circumstances shall the company nor any other person be liable for injury to visitors or loss or damage to the property and means of transport they have with them.
2. All visitors are deemed to have accepted the terms of this notice and insofar as necessary to be bound by the Rotterdam stevedoring conditions, which have been registered at the country court of Rotterdam.
the management”
3. De vordering
De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Steinweg te veroordelen om aan Grand Slam te betalen een bedrag van USD 101.723,53, vermeerderd met een bedrag van € 1.788,-- ter zake van buitengerechtelijke kosten en met de wettelijke rente over de hoofdvordering vanaf de datum van het ongeval, dan wel vanaf de datum van de desbetreffende betalingen van de kosten door Grand Slam aan derden, dan wel vanaf de dag der dagvaarding, vermeerderd met de kosten van de procedure.
Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Grand Slam aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:
3.1
Grand Slam heeft aan [X] uit hoofde van het met hem gesloten arbeidscontract de navolgende kosten/bedragen betaald:
- ziekenhuisopname, medische behandeling,
repatriëring en diverse kosten gemaakt tijdens
het verblijf van [X] in Rotterdam USD 21.997,33 (NLG 56.205,19)
- reiskosten mevrouw [X] USD 1.369,19
- ‘sickness allowance’ USD 2.039,86
- ziekenhuis, artsen (kosten Manila) USD 16.277,13
- schadeloosstelling USD 60.000,--
- diverse kosten USD 40,02
3.2
Steinweg heeft onrechtmatig jegens [X] gehandeld en is derhalve krachtens de artikelen 6:107 en 6:107a BW gehouden tot vergoeding van de door Grand Slam aan [X] uitgekeerde bedragen.
3.3
Subsidiair geldt dat Grand Slam gerechtigd is een vordering in te stellen op grond van subrogatie krachtens het toepasselijke Filippijnse recht en wel op grond van artikel 1236 van het Filippijns Burgerlijk Wetboek.
3.4
Grand Slam maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten, te stellen op twee punten volgens tarief IV van rapport Voorwerk II, derhalve op een bedrag van
€ 1.788,--.
4. Het verweer
Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Grand Slam in de kosten van het geding.
Steinweg heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:
4.1
Steinweg heeft haar aansprakelijkheid jegens Grand Slam als gebruiker van haar terrein
uitgesloten dan wel beperkt overeenkomstig de bepalingen van de RSC door middel van de op haar terrein geplaatste (waarschuwings)borden. Op grond van de bepalingen van de RSC is Grand Slam als opdrachtgeefster bovendien gehouden Steinweg te vrijwaren voor schade als de onderhavige.
4.2
Steinweg heeft niet onrechtmatig jegens Grand Slam gehandeld.
4.3
Het ongeval is primair te wijten aan eigen tekortschieten van Grand Slam in haar verplichtingen jegens [X], zodat zij naast Steinweg aansprakelijk is en artikel 6:102 BW van toepassing is. De medeschuld van Grand Slam is van zodanige omvang dat de door Grand Slam geleden schade volledig voor haar rekening dient te blijven, althans Steinweg een beroep op verrekening toekomt.
4.4
Nu sprake is van medeschuld van Grand Slam is zij geen derde als bedoeld in artikel
6:107 BW, zodat deze bepaling toepassing mist. Voor zover deze bepaling toch een rol zou kunnen spelen geldt dat artikel 6:102 BW voorgaat.
4.5
Grand Slam heeft geen schade in eigen vermogen geleden, nu deze is vergoed door haar P&I verzekeraar.
4.6
De gevorderde kosten zijn geen verplaatste kosten in de zin van artikel 6:107 BW, terwijl evenmin sprake is van loon in de zin van artikel 6:107a BW:
- de ziektekosten zijn reeds door de ziektekostenverzekeraar vergoed; daarbij is subrogatie niet aan de orde;
- de kosten voor de taxi van collega’s in verband met bezoek aan [X] zijn niet redelijk;
- de schadeloosstelling is een op grond van de arbeidsovereenkomst bestaande zelfstandige verplichting van Grand Slam tot het uitbetalen van een bepaald bedrag.
4.7
Grand Slam heeft geen buitengerechtelijke kosten gemaakt.
5. De beoordeling
5.1
Tussen partijen is niet langer in geschil dat Grand Slam vorderingsgerechtigd is, ook voor zover zij een uitkering van haar P&I verzekeraar heeft ontvangen en deze is gesubrogeerd in de rechten van Grand Slam, nu deze verzekeraar ingevolge het op de verzekeringsovereen-komst toepasselijke Engelse recht de kosten niet zelf kan verhalen en zij aan Grand Slam opdracht heeft gegeven deze kosten in eigen naam van Steinweg te vorderen.
5.2
Vaststaat dat Steinweg jegens [X] onrechtmatig heeft gehandeld. De vraag of het onrechtmatig handelen van Steinweg eveneens leidt tot aansprakelijkheid jegens Grand Slam, de werkgever van [X], dient naar Nederlands internationaal privaatrecht te worden beantwoord aan de hand van het recht van het land waar de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden, als neergelegd in artikel 3 lid 1 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad. De plaats waar de onrechtmatige gedraging heeft plaatsgevonden is gelegen in Nederland, zodat Nederlands recht van toepassing is op voormelde vraag.
5.3
Naar het aldus toepasselijke Nederlandse recht is ingevolge artikel 6:107 BW degene die aansprakelijk is voor aan een ander toegebracht lichamelijk of geestelijk letsel, behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste persoon zelf, ook verplicht tot vergoeding van de kosten die een derde anders dan krachtens een verzekering ten behoeve van de gekwetste persoon heeft gemaakt en die deze laatste, indien hij deze kosten zelf zou hebben gemaakt, van die ander had kunnen vorderen. Daarnaast bepaalt artikel 6:107a lid 2 BW dat de werkgever, indien hij (…) krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verplicht is tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van de gekwetste het loon door te betalen, recht heeft op schadevergoeding van de aansprakelijke persoon ten bedrage van het door hem doorbetaalde loon. Nu vaststaat dat Steinweg aansprakelijk is voor de door [X] geleden schade als gevolg van het hem toegebrachte letsel, is Steinweg in beginsel ook gehouden tot vergoeding van de door Grand Slam gemaakte kosten en geleden schade als bedoeld in de artikelen 6:107 en 6:107a BW.
5.4
Als meest verstrekkende verweer ligt allereerst ter beoordeling voor het beroep van Steinweg op de exoneratie als opgenomen op het kennisgevingsbord en de daarop vermelde verwijzing naar de toepasselijkheid van de RSC, waarin tevens een bepaling is opgenomen uit hoofde waarvan een opdrachtgever gehouden is Steinweg te vrijwaren voor aanspraken van derden.
5.5
Dit verweer faalt. Grand Slam heeft haar vordering uitsluitend gebaseerd op de artikelen 6:107 en 6:107a BW, zodat het antwoord op de vraag of Steinweg zich in het verband van deze vordering jegens Grand Slam kan exonereren, afhangt van het antwoord op de vraag of Steinweg jegens [X] een beroep op deze exoneratie toekomt. Het gaat hier immers om een aansprakelijkheid van Steinweg jegens Grand Slam die is afgeleid van en berust op de aansprakelijkheid van Steinweg jegens [X]. Gesteld noch gebleken is dat Steinweg zich jegens [X] rechtsgeldig op de op het kennisgevingsbord opgenomen exoneratie kan beroepen, zodat Steinweg dit verweer evenmin aan Grand Slam kan tegenwerpen.
5.6
Voorts dient te worden beoordeeld of sprake is van medeschuld van Grand Slam aan het ongeval. Steinweg heeft ter onderbouwing van haar verweer ter zake aangevoerd dat Grand Slam als werkgever van [X] gehouden was om zorg te dragen voor, kort gezegd, een veilige werkruimte en dat Grand Slam zulks heeft nagelaten.
5.7
Ook dit verweer faalt. Vaststaat dat de ten processe bedoelde containers/bakken op aanwijzing van Steinweg op de plaats waar het ongeval zich heeft voorgedaan, zijn geplaatst. Vaststaat eveneens dat Steinweg haar eigen veiligheidsregels niet in acht heeft genomen, waardoor de kans op ernstige ongevallen als de onderhavige aanzienlijk is vergroot, alsmede dat het ongeval voorkomen had kunnen worden indien Steinweg deze wel in acht had genomen. Uit de door Steinweg overgelegde verklaring van Oomen volgt dat Oomen de ten processe bedoelde locatie als ‘een veilige werkplek’ aanmerkt. Dit valt echter niet te rijmen met het door Steinweg betrokken standpunt dat Grand Slam geen c.q. onvoldoende zorg heeft gedragen voor het inrichten van een veilige werkruimte. Uit de verklaring van Oomen blijkt voorts dat er in elk geval tussen een collega van Oomen en de kapitein van de Sanko Summit was gesproken over de afvoer van stuwhout door de kapitein zelf, dat wil zeggen door de matrozen van de Sanko Summit. Oomen wist naar eigen zeggen niet of er die dag (nog meer) stuwhout gelost zou worden, maar heeft wel die dag de bakken zien staan. In die omstandigheden moest (Oomen als verantwoordelijke namens) Steinweg er rekening mee houden dat er verder gewerkt zou worden en dus ook met de aanwezigheid van een matroos aldaar. Als dat niet verantwoord respectievelijk in strijd met de (eigen) voorschriften was, had Steinweg in de persoon van Oomen daarop actie moeten ondernemen. Nu Steinweg heeft nagelaten nadere concrete feiten of omstandigheden te stellen die - indien bewezen - de conclusie rechtvaardigen dat Grand Slam jegens [X] nalatig heeft gehandeld en daarvan evenmin is gebleken, dient het ervoor te worden gehouden dat Grand Slam niet tekort geschoten is in haar zorgplicht jegens [X], zodat geen sprake is van medeschuld van Grand Slam en artikel 6:102 BW toepassing mist.
Het verrekeningsverweer alsmede de weren als hiervoor vermeld onder 4.4 behoeven derhalve geen bespreking meer.
5.8
De rechtbank komt thans toe aan de vraag of de door Grand Slam gemaakte kosten als verplaatste kosten in de zin van artikel 6:107 BW dan wel als loon in de zin van artikel 6:107a BW voor vergoeding in aanmerking komen.
5.9
Vooropgesteld wordt dat voor een aanspraak uit hoofde van deze artikelen een zelfstandig onrechtmatig handelen van Steinweg jegens Grand Slam niet is vereist, zodat het verweer van Steinweg voor zover hierop betrekking hebbende buiten beschouwing kan blijven.
5.10
Vaststaat dat Grand Slam jegens [X] was gehouden om de tengevolge van het ongeval gemaakte medische kosten voor haar rekening te nemen, alsmede om [X] gedurende 120 dagen een ‘sickness allowance’ en een volgens een bepaalde formule te berekenen vast bedrag aan schadeloosstelling uit te betalen. Voorts staat als niet betwist vast dat Grand Slam uit hoofde daarvan een bedrag van NLG 56.205,19 aan kosten te Rotterdam heeft vergoed en een bedrag van USD 79.725,20 aan overige posten als hiervoor nader genoemd onder 3.1. Hoewel Grand Slam in haar akte na comparitie van partijen stukken heeft overgelegd die iets andere cijfers bevatten, heeft zij haar eis niet aangepast, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.
5.11
De door Grand Slam gevorderde posten ‘reiskosten mevrouw [X] ad USD 1.369,19’, ‘sickness allowance’ ad USD 2.039,86 en ‘diverse kosten’ ad USD 40,02 zijn niet gemotiveerd betwist. De vordering voor zover hierop betrekking hebbende zal worden toegewezen.
5.12
Met betrekking tot de overige schadeposten met uitzondering van de schadeloosstelling ad USD 60.000,--, te weten: de post ‘ziekenhuisopname, medische behandeling in Rotterdam en repatriëring’ ten bedrage van NLG 56.205,19 (naar Grand Slam stelt omgerekend in USD 21.997,33), alsmede de post ‘ziekenhuis, artsen’ (kosten Manila) ten bedrage van USD 16.277,13 geldt het navolgende.
Vaststaat dat Grand Slam deze kosten heeft betaald ingevolge haar verplichtingen uit de met [X] gesloten arbeidsovereenkomst. Naar Grand Slam ter comparitie van partijen heeft verklaard, beschikte [X] zelf niet over een ziektekostenverzekering. Voorts staat vast dat Grand Slam voor deze kosten een verzekering had afgesloten bij de UK P&I Club en dat haar verzekeraar na uitkering is gesubrogeerd in de rechten van Grand Slam. Dit betekent echter niet dat het verhaal van deze kosten op Steinweg op grond van artikel 6:107 BW is uitgesloten. Het gaat in deze immers niet om kosten die de derde, Grand Slam, “krachtens een verzekering” in de zin van die bepaling heeft gemaakt. Nu bovendien [X] deze kosten (met een hierna te bespreken uitzondering), indien hij deze kosten zelf zou hebben gemaakt, terug had kunnen vorderen van Steinweg, moet de conclusie zijn dat deze kosten zijn te beschouwen als verplaatste kosten als bedoeld in artikel 6:107 BW. Dit geldt echter niet voor de onder de ‘Rotterdamse’ ziektekosten opgenomen taxikosten van de bemanning ad ƒ 685,80 (€ 311,20). Deze kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als verplaatste kosten, omdat zij in redelijkheid niet geacht kunnen worden te zijn gemaakt ten behoeve van de gekwetste.
5.13
Met betrekking tot het door Grand Slam gevorderde bedrag van USD 60.000,-- ter zake van de aan [X] betaalde schadeloosstelling overweegt de rechtbank als volgt.
Vaststaat dat Grand Slam uit hoofde van de arbeidsovereenkomst gehouden was een vast bedrag van USD 39.500,-- aan schadeloosstelling aan [X] te voldoen. Na onderhandelingen met [X] heeft Grand Slam uiteindelijk ter zake een bedrag van USD 60.000,-- betaald. Voorts is komen vast te staan dat bij de vaststellingsovereenkomst met betrekking tot de hoogte van de door Steinweg, althans haar verzekeraar, aan [X] te betalen schadevergoeding rekening is gehouden met het feit dat [X] dit bedrag reeds van Grand Slam had ontvangen. Dit laatste maakt dat - wat er zij van de vraag of dit als een uitkering uit een sommenverzekering moet worden aangemerkt ofwel (deels) geacht kan worden een schadevergoeding te zijn voor het verlies aan verdiencapaciteit van [X] - er in redelijkheid geen reden is het bedrag van USD 60.000,-- in mindering te brengen op de door Steinweg aan Grand Slam te betalen vergoeding uit hoofde van artikel 6:107 BW. Steinweg, als partij bij die vaststellingsovereenkomst, heeft die USD 60.000,-- immers kennelijk gezien als een betaling tot schadevergoeding. Zij kan daarop nu niet meer terugkomen.
5.14
De slotsom is dat de vordering in hoofdsom toewijsbaar is met uitzondering van de daarin opgenomen taxikosten van de bemanning ten bedrage van € 311,20.
Grand Slam heeft gesteld dat het door haar totaal betaalde bedrag in guldens neerkomt op USD 21.997,33 en betaling van het totaal door Steinweg verschuldigde bedrag gevorderd in USD. Nu Steinweg daartegen geen verweer heeft gevoerd, gaat zij kennelijk akkoord met de door Grand Slam gehanteerde omrekenkoers. Gelet hierop zal de vordering worden toegewezen in dollars overeenkomstig de berekening van Grand Slam. Nu onduidelijk is gebleven welke wisselkoers Grand Slam daarbij heeft gehanteerd, zal worden bepaald dat het op de vordering in mindering te brengen bedrag van € 311,20 dient te worden omgerekend op basis van de wisselkoers als bedoeld in artikel 6:124 BW.
5.15
De nevenvordering tot het betalen van wettelijke rente is eerst toewijsbaar vanaf het moment waarop de kosten zijn gemaakt, derhalve vanaf de datum van de desbetreffende betalingen van de kosten door Grand Slam aan derden.
5.16
De nevenvordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen.
Grand Slam heeft na betwisting hiervan door Steinweg schriftelijke bescheiden in het geding gebracht, waaruit genoegzaam is gebleken dat zij dergelijke kosten heeft gemaakt. Bovendien voldoen zij aan de dubbele redelijkheidstoets.
5.17
Steinweg zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in de hoofdzaak. Grand Slam zal daarentegen worden veroordeeld in de kosten van het incident.
5.18
Tenslotte overweegt de rechtbank dat het verweer van Steinweg dat er reden is de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, buiten beschouwing dient te blijven, nu Steinweg dit verweer eerst bij antwoordakte en aldus in strijd met de goede procesorde heeft opgeworpen.
6. De beslissing
De rechtbank,
veroordeelt Steinweg om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Grand Slam te betalen het bedrag van USD 101.723,53 (zegge: honderdenéénduizend zevenhonderddrieëntwintig dollar en drieënvijftig dollarcent) te verminderen met een bedrag van € 311,20 om te rekenen in USD tegen een wisselkoers als bedoeld in artikel 6:124 BW, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de desbetreffende betalingen van de kosten door Grand Slam aan derden tot aan de dag der voldoening, alsmede een bedrag van € 1.788,- (zegge: éénduizend zevenhonderdachtentachtig euro) aan buitengerechtelijke kosten;
veroordeelt Steinweg in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Grand Slam bepaald op € 1.765,-- aan vast recht, op € 71,93 aan overige verschotten en op € 2.235,-- aan salaris voor de procureur;
veroordeelt Grand Slam in de proceskosten van het incident tot aan deze uitspraak aan de zijde van Steinweg bepaald op nihil aan verschotten en op € 452,-- aan salaris voor de procureur;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. Zelm van Eldik, Hofmeijer-Rutten en Heevel.
Uitgesproken in het openbaar.
1182/1515/10/106