Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0209

Datum uitspraak2007-11-28
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers271914 / HA ZA 06-3029
Statusgepubliceerd


Indicatie

Uit de tussen partijen gesloten overeenkomst vloeien voor beide partijen verplichtingen voort, zodat deze is aan te merken als een wederkerige overeenkomst. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:262, eerste lid BW is indien een der partijen haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij bevoegd de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten. Daartoe is geen voorafgaande ingebrekestelling vereist. Nu gedaagde echter in verzuim is als bedoeld in artikel 6:58 BW, kan zij ingevolge artikel 6:54 onder a BW geen opschortingsrecht uitoefenen.


Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 271914 / HA ZA 06-3029 Uitspraak: 28 november 2007 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: de commanditaire vennootschap PQ FINANCE C.V., h.o.d.n. PQ FINANCIËLE DIENSTEN, m.h.o.d.n. PQ FINANCE, m.h.o.d.n. SMARTLEADS, m.h.o.d.n. PQ HYPOTHEKEN, m.h.o.d.n. PQ PENSIOENEN, gevestigd te Zutphen, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, procureur mr. T.A. Vermeulen, - tegen - 1. [X], 2. [Y], beiden wonende te [woonplaats], gedaagden in conventie, eisers in reconventie, procureur eerst mr. M. Birinci-Doganer, thans niet langer ten processe vertegenwoordigd. Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk "PQ Finance", "[X]" en "[Y]". 1 Het verloop van het geding 1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - dagvaarding d.d. 30 oktober 2006 en de door PQ Finance overgelegde producties; - conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie; - tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 17 januari 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast; - proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 4 juni 2007; - akte in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie d.d. 20 juni 2007, met productie. 1.2 Voorts heeft de procureur van [X] en [Y] zich ter rolle van 20 juni 2007 aan de verdere behandeling van de zaak onttrokken. Voor [X] en [Y] heeft zich geen andere procureur gesteld, waarna door PQ Finance vonnis is gevraagd. 2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast: 2.1 Tussen partijen is op 23 mei 2006 een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen (verder: de overeenkomst). In de daartoe opgemaakte akte, die door [X] en [Y] en namens PQ Finance is ondertekend, is voor zover thans van belang het volgende bepaald: “Contractnummer: 2006-15 (…) de schuldeiser, Die verklaart ter leen te hebben verstrekt aan genoemde schuldenaar ten behoeve van de aankoop van voormeld pand en ter aflossing van voormelde lopende lening(en) een bedrag in contanten ter grootte van € 16.160,- (zestienduizend honderdzestig euro) inclusief 1% afsluitkosten (…) Het bedrag onder aftrek van afsluitkosten zal worden overgemaakt op rekeningnummer […] ten name van [X]. Bijgesloten treft u een Nota terug betaling lening aan. Deze dient ondertekend te worden. (…) Zulks onder de navolgende bepalingen en bedingen: 1. De geldlening dient te worden afgelost op of uiterlijk 7 dagen na de dag van het passeren van de eerste hypothecaire geldlening voor de aankoop van de voormelde woning. 2. De schuldenaar verklaart door ondertekening van dit contract akkoord te gaan met aflossing van de geldlening tussen schuldenaar en schuldeiser door middel van een nieuwe geldlening bij een bancaire instelling. (…) 3. Schuldeiser verzorgt de nieuwe geldlening bij een bancaire instelling in onderling overleg met de schuldenaar. (…) (…) 6. De hoofdsom of het restant daarvan is te allen tijde door de schuldeiser opeisbaar met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. (…)” 2.2 PQ Finance, [X] en [Y] hebben tevens een ‘Nota terug betaling lening’ ondertekend. Hierin staat, voor zover van belang: “Zutphen, 23 mei 2006, Bijage bij overeenkomst van geldlening nummer 2006-15 Aanvragers verklaren hierbij uiterlijk 1 juni 2006 het leenbedrag terug betaald te hebben aan PQ Finance te Zutpen. (…)” 2.3 Bij brieven van 5 juli 2006, 13 juli 2006 en 19 oktober 2006 zijn [X] en [Y] gesommeerd om binnen zeven dagen tot (terug)betaling over te gaan. [X] en [Y] hebben het bedrag van € 16.160,- niet terugbetaald. 3 De vordering in conventie De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: - primair [X] en [Y] hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan PQ Finance van het bedrag van € 19.771,43, vermeerderd met 1,5 % effectieve rente per maand over het bedrag van € 16.160,- vanaf 19 oktober 2006 tot de dag der algehele voldoening en tevens in de kosten van het geding; - subsidiair [X] te veroordelen tot betaling aan PQ Finance van het bedrag van € 16.904,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 16.000,- vanaf 1 juni 2006, althans de dag der dagvaarding, althans 27 april 2007 tot aan de dag der algehele voldoeningen en tevens in de kosten van het geding. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft PQ Finance aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd: Primair: 3.1 Krachtens de overeenkomst dienden [X] en [Y] het bedrag van € 16.160,- voor 1 juni 2006 terug te betalen. Ondanks aanmaningen daartoe hebben [X] en [Y] niet aan hun terugbetalingsverplichting voldaan. PQ Finance heeft uit dien hoofde het bedrag van € 16.160,- opeisbaar van [X] en [Y] te vorderen. 3.2 Ingevolge de overeenkomst vordert PQ Finance 1,5% effectieve rente per maand vanaf 1 juni 2006, berekend tot de dag der dagvaarding op een bedrag van € 1.187,43. Tevens vordert PQ Finance de overeengekomen rente vanaf 19 oktober 2006 over het bedrag van € 16.160,-. 3.3 PQ Finance heeft haar vordering ter incasso uit handen moeten geven en maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 2.424,-. Subsidiair: 3.4 In het geval de overeenkomst nietig is heeft PQ Finance een bedrag van € 16.000,- onverschuldigd aan [X] betaald. PQ Finance vordert terugbetaling van genoemd bedrag en maakt aanspraak op wettelijke rente vanaf 1 juni 2006, daar het bedrag in ieder geval voor deze datum is betaald. 3.5 Bij brief van 13 april 2007 is [X] gesommeerd, c.q. in gebreke gesteld. Indien de wettelijke rente niet toewijsbaar is vanaf 1 juni 2006, dan is deze toewijsbaar vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf 14 dagen na het verzenden van de brief, derhalve 27 april 2007. 4 Het verweer in conventie Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van PQ Finance in de kosten van het geding. [X] en [Y] hebben daartoe het volgende aangevoerd: 4.1 [X] en [Y] zijn niet tekort geschoten in het nakomen van de overeenkomst, er is sprake van toerekenbaar tekortschieten aan de zijde van PQ Finance. [X] en [Y] betwisten met PQ Finance te zijn overeengekomen dat de geldlening voor of op 1 juni 2006 diende te worden afgelost. Ingevolge artikel 2 van de kredietovereenkomst zou de aflossing van de geldlening plaatsvinden door middel van een nieuwe geldlening bij een bancaire instelling. Uit artikel 3 van de kredietovereenkomst blijkt dat op PQ Finance de verplichting rustte een nieuwe geldlening ter aflossing te verzorgen. Nu PQ Finance dit heeft nagelaten, kan [X] en [Y] niet worden tegengeworpen dat zij de geldlening niet door middel van een nieuwe geldlening hebben afgelost. Bovendien dient volgens artikel 1 van de kredietovereenkomst de geldlening te worden afgelost uiterlijk zeven dagen na de dag van het passeren van de eerste hypothecaire geldlening. Er is geen hypothecaire geldlening tot stand gekomen, waarvoor PQ Finance de verantwoordelijkheid draagt. [X] en [Y] stellen dat er geen opeisbare vordering is. 4.2 Op de onderhavige overeenkomst is de Wet op het Consumentenkrediet (verder: WCK) van toepassing. De artikelen 2 juncto 3 van de overeenkomst roepen een plicht tot het aangaan van een nieuwe geldlening in. Dit is in strijd met artikel 33 aanhef onder b, sub 1 WCK. Voorts is in artikel 6 van de overeenkomst opgenomen dat de hoofdsom of het restant daarvan te allen tijde door de schuldeiser opeisbaar is met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, hetgeen in strijd is met artikel 33 aanhef onder c, sub 1. Op grond van het voorgaande roepen El Massaoui en [Y] de nietigheid van de overeenkomst in, zodat om deze reden eveneens geen opeisbare vordering bestaat. 5 Het geschil in reconventie De vordering luidt - verkort weergegeven - voor recht te verklaren dat de overeenkomst van geldlening, zoals neergelegd in productie 2 van de dagvaarding, nietig is en PQ Finance te veroordelen in de kosten van het geding. 5.1 Aan deze vordering hebben [X] en [Y] ten grondslag gelegd hetgeen onder 4.2 als verweer in conventie is aangevoerd. 5.2 PQ Finance heeft de vordering van [X] en [Y] betwist. 6 De beoordeling in conventie en in reconventie 6.1 Gelet op de samenhang tussen de stellingen en verweren in conventie en reconventie, zal de rechtbank de vordering in conventie en in reconventie hieronder gezamenlijk behandelen. 6.2 Als meest verstrekkende verweer hebben [X] en [Y] zich beroepen op de nietigheid van de overeenkomst wegens strijd met de (dwingendrechtelijke) bepalingen van de WCK. Allereerst dient dan ook te worden beoordeeld of de onderhavige overeenkomst een krediettransactie is als bedoeld in de WCK. PQ Finance stelt in haar akte dat de onderhavige overeenkomst geen krediettransactie is als bedoeld in de WCK, omdat de overeenkomst een looptijd heeft van minder dan drie maanden. Hiertoe heeft PQ Finance aangevoerd dat zij op 25 mei 2006 het bedrag van € 16.160,- aan [X] en [Y] ter beschikking heeft gesteld en dat het bedrag krachtens de ‘Nota terug betaling lening’ voor 1 juni 2006 diende te worden terugbetaald. [X] en [Y] hebben niet gemotiveerd weersproken dat de overeenkomst een looptijd had van minder dan drie maanden, zodat de rechtbank hiervan zal uitgaan. Gezien het voorgaande is ingevolge de slotalinea van onderdeel a van artikel 1 WCK de onderhavige overeenkomst geen krediettransactie als bedoeld in de WCK. Het beroep van [X] en [Y] op de nietigheid van de overeenkomst wordt verworpen. Daarmee ligt de vordering in reconventie voor afwijzing gereed. 6.3 Uit de tussen partijen gesloten overeenkomst vloeien voor beide partijen verplichtingen voort, zodat deze is aan te merken als een wederkerige overeenkomst. PQ Finance stelt primair dat [X] en [Y] tekort zijn geschoten in de nakoming van hun terugbetalingsverplichting voortvloeiende uit genoemde overeenkomst, nu zij het bedrag van € 16.160,- voor 1 juni 2006 dienden terug te betalen en zij, ondanks aanmaningen daartoe, genoemd bedrag niet hebben terugbetaald. 6.4 Vaststaat dat [X] en [Y] het bedrag van € 16.160,- niet voor 1 juni 2006 aan PQ Finance hebben terugbetaald. [X] en [Y] betwisten echter dat zij tekort zijn geschoten in het nakomen van de overeenkomst. Uit hetgeen [X] en [Y] ter zake hebben aangevoerd, zoals weergegeven onder 4.1, begrijpt de rechtbank dat zij zich beroepen op de bevoegdheid om de nakoming van hun verbintenis ingevolge artikel 6:262 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) op te schorten. 6.5 Ingevolge het bepaalde in artikel 6:262, eerste lid BW is indien een der partijen haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij bevoegd de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten. Daartoe is, anders dan PQ Finance ter comparitie heeft aangevoerd, geen voorafgaande ingebrekestelling vereist. 6.6 Als onweersproken staat vast dat PQ Finance eerst moest presteren. PQ Finance heeft aangevoerd dat er geen sprake is van tekortkomingen aan haar zijde. Zij heeft ter comparitie van partijen en in haar akte gesteld dat het verkrijgen van een hypothecaire geldlening niet mogelijk bleek, omdat [X] en [Y] een aanzienlijke schuld hadden, welke diende te worden afgelost. Voor het verkrijgen van een hypothecair gedekte geldlening en een persoonlijke lening bij een financier was een salarisspecificatie nodig waarop geen ziektedagen waren vermeld. [X] kon en wilde deze niet verstrekken. PQ Finance raakte ervan op de hoogte dat [X] reeds langdurig arbeidsongeschikt was, waardoor het volgens PQ Finance zinloos werd andere potentiële financiers te benaderen. Doordat [X] niet de juiste informatie heeft verschaft was het niet mogelijk een hypothecair gedekte geldlening te verkrijgen en evenmin was het mogelijk om een geldlening te verkrijgen om de schuld aan PQ Finance mee af te lossen, aldus PQ Finance. De rechtbank begrijpt dat PQ Finance aldus stelt dat het aan [X] en [Y] is toe te rekenen dat nakoming van haar vordering uitblijft, zodat er sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van [X] en [Y]. 6.7 Het had op de weg van [X] en [Y] gelegen om tegenover de door PQ Finance aangevoerde feiten en omstandigheden gemotiveerd stelling te nemen. Nu [X] en [Y] hetgeen PQ Finance ter zake heeft aangevoerd niet hebben weersproken, zal de rechtbank van de juistheid van die stellingen uitgaan. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat PQ Finance bereid was haar verplichtingen uit de overeenkomst na te komen en daartoe ook het nodige heeft gedaan, alsmede dat zij in de nakoming van haar verplichtingen in verhinderd door beletselen aan de kant van [X] en [Y]. Nu gesteld noch gebleken is dat dit niet aan [X] en [Y] is toe te rekenen waren [X] en [Y] in verzuim als bedoeld in artikel 6:58 BW. Ingevolge artikel 6:54 onder a BW kan in dat geval door [X] en [Y] geen opschortingsrecht worden uitgeoefend. Daarmee staat, als overigens onbetwist, vast dat zij tekort zijn geschoten in het nakomen van hun verplichting om voor 1 juni 2006 het bedrag van € 16.160,- aan PQ Finance terug te betalen. De gevorderde hoofdsom zal dan ook worden toegewezen. 6.8 PQ Finance vordert de overeengekomen effectieve rente van 1,5% per maand, tot de dag der dagvaarding berekend op € 1.187,43. [X] en [Y] hebben de verschuldigdheid van de overeengekomen rente en de wijze van berekenen niet betwist, zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen. De gevorderde overeengekomen rente vanaf 19 oktober 2006 zal, als onbetwist, eveneens worden toegewezen. 6.9 De gevorderde buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen overeenkomstig de aanbevelingen van het rapport Voorwerk II worden begroot op € 904,-, omdat de daarin gehanteerde tarieven in zijn algemeenheid redelijk worden geacht en PQ Finance onvoldoende heeft gesteld waaruit blijkt dat meer werkzaamheden zijn verricht dan in het forfaitaire tarief besloten. Het totaal toe te wijzen bedrag komt hiermee op € 18.251,43. 6.10 [X] en [Y] zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. 7 De beslissing De rechtbank, in conventie veroordeelt [X] en [Y] hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan PQ Finance te betalen het bedrag van € 18.251,43 (zegge: achttienduizend tweehonderdeenenvijftig euro en drieënveertig eurocent), vermeerderd met de overeengekomen rente ad 1,5 % per maand over € 16.160,- vanaf 19 oktober 2006 tot aan de dag der voldoening; wijst af het meer of anders gevorderde; in reconventie wijst af de vordering van [X] en [Y]. in conventie en in reconventie veroordeelt [X] en [Y] hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van PQ Finance bepaald op € 435,- aan vast recht, op € 73,82 aan overige verschotten en op € 1.130,- aan salaris voor de procureur. verklaart dit vonnis voorzover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. L.A. Pit. Uitgesproken in het openbaar. 1905/344