Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0207

Datum uitspraak2007-12-05
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers150898
Statusgepubliceerd


Indicatie

Eiseres stelt dat Bovemij op grond van de verzekeringsovereenkomst verplicht is haar brandschade te vergoeden.


Uitspraak

vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 150898 / HA ZA 07-79 Vonnis van 5 december 2007 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eieres]., gevestigd te [woonplaats], eiseres, procureur mr. P.M. Wilmink, advocaat mr. A.C. Winter te Assen, tegen de naamloze vennootschap N.V. SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ, gevestigd te Nijmegen, gedaagde, procureur mr. F.J. Boom, advocaat mr. J.M.H.W. Bindels te Arnhem. Partijen zullen hierna [eiseres] en Bovemij genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 25 juli 2007 - het proces-verbaal van comparitie van 7 november 2007. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [naam directeur] – roepnaam [voornaam] – is directeur van [eiseres]. 2.2. [eiseres] heeft bij Bovemij een zogenaamde Garage Plus Verzekering afgesloten, die onder meer een ‘cliëntenobjecten verzekering’ en een ‘casco allroundverzekering’ omvat, polisnummer [polisnummer]. 2.3. Van de verzekeringsovereenkomst maken Bovemij’s Algemene Verzekeringsvoorwaarden deel uit. Art. 9 hiervan luidt: Naast de specifieke uitsluiting als nader in de voorwaarden van de verzekerde productmodule(s) omschreven, is voor elke productmodule uitgesloten de schade: 1. Opzet die voor de verzekerde het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten dan wel die met goedvinden van de verzekerde is toegebracht. De verzekeringnemer behoudt recht op dekking indien hij aannemelijk maakt dat de opzet zich buiten zijn weten of tegen zijn wil heeft voorgedaan en dat hem ter zake geen verwijt treft. 2.4. Er heeft op 30 november 2005 brand gewoed in de showroom, het magazijn en het kantoor van het bedrijf van [eiseres]. Onder meer heeft zij daarbij schade geleden in haar cliëntenobjecten en cascovoorraad. Vt Schade Experts heeft op 20 september 2006 de schade ten aanzien van de cascovoorraad berekend. 2.5. [eiseres] heeft op 1 december 2005 de schade aan Bovemij gemeld. 2.6. De brand is door justitie onderzocht. 2.7. Op 19 april 2006 is [naam directeur] aangehouden op verdenking van brandstichting en in verzekering gesteld. De rechter-commissaris heeft de verzekering rechtmatig geoordeeld en in het kader van de vordering tot inbewaringstelling onvoldoende bezwaren aanwezig geacht om deze te bevelen. 2.8. De Regiopolitie Groningen, [naam district]l heeft een proces-verbaal opgemaakt ter gelegenheid van [naam directeur]s voorgeleiding. Dit bevat onder meer het volgende. AANLEIDING ONDERZOEK Op 30 november 2005 te 22.44 uur werd er melding gedaan van inbraak in het autobedrijf [eiseres], gevestigd aan de [adres]. Uit de gegevens van de meldkamer van de regiopolitie Groningen blijkt dat er kort achter elkaar twee meldingen vanuit het betreffende pand zijn gedaan door de eigenaar [voornaam directeur] (roepnaam [voornaam]) [naam directeur]. In eerste instantie was er melding gemaakt van inbraak en in tweede instantie om 22.52 uur van brand. BRANDBEELD De brand betrof een uitslaande brand. Een groot gedeelte van de showroom en het magazijn ging door de brand verloren. In de showroom bevonden zich een dertigtal auto’s. Een groot deel hiervan, waaronder twee oldtimers, zijn volledig verloren gegaan. Tevens ontstond er grote schade aan het magazijn, de showroom en het kantoorgedeelte (…). MACHTIGING Op 1 december 2005 werd er door [naam directeur] een machtiging ondertekend waarin hij het onafhankelijk onderzoeksbureau I-TEK b.v. toestemming verleent, namens zijn verzekeringsmaatschappij, tot een nader onderzoek naar aanleiding van de brand (…). VERKLARINGEN [naam directeur] Op donderdag 1 december 2005 werd (…) een verklaring in concept opgenomen (…) dat: - hij het bedrijf de avond ervoor op 30 november 2005 omstreeks 19.15 uur had verlaten en omstreeks 19.30 uur thuis was. - hij omstreeks 21.00 uur was gebeld door de alarmcentrale dat het alarm op het bedrijf niet was ingeschakeld. - hij vervolgens omstreeks 22.00 uur weer op het bedrijf was (…). - hij vervolgens omstreeks 22.00 uur aan het internetten is gegaan in zijn kantoor op het bedrijf. - hij na ongeveer een kwartier rook riekte en een rookontwikkeling zag achterin de showroom. - hij vervolgens zag dat het interieur van een in de showroom staande Volvo type 850 brandde. - hij deze brand vervolgens bluste (…). - hij toen zag dat er een ruit nabij de uitgebrande auto stuk was. - hij vervolgens naar de receptie liep en toen zag dat de kassa was opengebroken. - hij hierna de politie heeft gebeld. - hij hierop door het pand was gelopen. - hij daarna in verband met de rook naar buiten was gelopen. - hij vervolgens ziet dat dezelfde auto weer vlam heeft gevat. BRANDONDERZOEK Door de collega’s van de Regionale Technische Recherche (…) werd een proces-verbaal opgemaakt naar aanleiding van een door hen ingesteld brandonderzoek. Hieruit kwam onder meer naar voren dat de brand op twee afzonderlijke plaatsen in het pand was ontstaan te weten in de showroom en in het magazijn. Er bestond geen relatie tussen beide brandhaarden. De ene brandhaard was niet verantwoordelijk voor het ontstaan van de andere brandhaard. Verder kwam uit het onderzoek naar voren dat de derde ruit aan de linkerzijde van de showroom al vernield was voor het uitbreken van de brand. Een en ander kon geconcludeerd worden aan de hand van het feit dat er inpandig glas op de vloer lag van deze ruit. De onderste scherven waren niet beroet (…). Gedurende het onderzoek werden er tevens geen afwijkingen in het elektrische systeem of elektrische apparatuur aangetroffen. Het magazijn had dermatige heftig in brand gestaan dat er geen oorzaak voor het ontstaan van deze brand kon worden vastgesteld (…). Het ter plaatse brengen of achterlaten van vuur of een technisch verklaarbare oorzaak kon niet met zekerheid worden aangetoond danwel uitgesloten. VERHOOR [naam directeur] D.D. 22 FEBRUARI 2006 (I-TEK b.v.) Op 22 februari 2006 werd er door de medewerkers van (I-TEK) een verklaring opgenomen van de heer [naam directeur]. Tijdens dit verhoor werd [naam directeur] ermee geconfronteerd dat uit de gegevens van de Particuliere Alarm Centrale (PAC), de uitdraai van het Centraal Controle Stuureenheid (CCS) en de mededelingen van de onderhoudsmonteur van Chubb Lips, bleek dat het alarm op 30 november 2005 omstreeks 19.15 uur niet was ingeschakeld. [naam directeur] verklaarde hierop dat hij er bij bleef dat het alarm door hem wel was ingeschakeld en dat hij het hem bekende monotone geluid had gehoord ten teken dat het systeem bezig was in te schakelen. Tevens werd [naam directeur] ermee geconfronteerd dat was vastgesteld aan de hand van het inbraaksignaleringssysteem dat er sprake was van een open zone van de showroom (…) doordat de betreffende Passief Infra Rood (PIR) afgeschermd is geweest danwel dat zich iemand in bedoelde zone heeft opgehouden. Volgens Chubb-Lips de melding ‘meterkast’ op de display niet in relatie zou staan tot het niet in kunnen schakelen van het inbraaksignaleringssysteem (…). [naam directeur] bevestigt verder nogmaals dat hij bij binnenkomst in het bedrijf omstreeks 22.00 uur het onderbroken piepend geluid maakte ten teken dat het inbraaksignaleringssysteem op alarm stond. Hij weet echter niet meer wat er in het display stond. Hij had daarop zijn code ingetoetst waarna het piepen stopte. Verder werd met [naam directeur] nog de route doorgenomen die hij in het bedrijf heeft gelopen na het ontdekken van de rook toen hij uit zijn kantoor de showroom inliep en weer terug. Hij bevestigt daarbij dat hij een mogelijke inbreker/brandstichter voor zijn kantoor langs heeft moeten zien lopen danwel iemand tegengekomen moet zijn. Dit was echter niet het geval geweest (…). [naam directeur] verklaarde verder dat hij er geen bezwaar tegen heeft dat deze verklaring ter beschikking wordt gesteld aan de politie. Tevens wijst hij nog op het feit dat er door de heer [naam getuige] op 30 november 2005 na 19.15 uur glasgerinkel was gehoord. De heer [naam getuige] had zich toen bevonden op de begraafplaats welke is gelegen achter het perceel van garage [naam directeur] (…). VERKLARING GETUIGE [naam getuige] (…). Hij verklaarde op 30 november 2005 (…) te zijn geweest op de begraafplaats Cereshof welke is gelegen achter de percelen van de [adres]. Op een gegeven moment hoorde hij toen een doffe knal en glasgerinkel. Toen hij vervolgens nagenoeg direct hierna bij zijn auto kwam zag hij daar op zijn klok dat deze 19.20 uur aangaf. [naam getuige] verklaarde verder dat gezien zijn positie het niet anders mogelijk was dan dat dit geluid was veroorzaakt bij het bedrijf van [naam directeur]. 2.9. Het openbaar ministerie had ten tijde van de dagvaarding nog geen beslissing over vervolging van [naam directeur] genomen. Hij heeft een verzoek ex art. 245 Wetboek van Strafvordering ingediend. De officier van justitie heeft besloten hem niet verder te vervolgen op de grond dat er onvoldoende wettig bewijs is. De kennisgeving van sepot is [naam directeur] op 13 februari 2007 toegezonden. 2.10. I.TEK heeft meerdere rapporten uitgebracht. Het eerste is gedateerd 18 januari 2005 (de rechtbank leest hiervoor 2006) en ondertekend door [XXX] en [XXX]. Een tweede aanvullend rapport is op 18 april 2006 opgemaakt door hen alsmede door [XXX] en [XXX]. 2.11. Dit tweede aanvullende rapport bevat als conclusie: Gelet op de gegevens, die reeds uit het onderzoek bekend zijn geworden en mede gelet op de aanvullend verkregen gegevens kan thans worden geconcludeerd, dat de brand in het risico-adres moet zijn ontstaan door het opzettelijk bijbrengen van vuur in de personenauto van het merk Volvo in de showroom alsmede in het magazijn, waarbij een sleutelhouder, in dit geval de heer [naam directeur] jr, betrokken moet zijn geweest. Betrokkenheid van derden is niet aannemelijk. In ieder geval is hiervoor geen enkele aanwijzing verkregen. 2.12. Bovemij weigert uit te keren op de verzekeringspolis. 2.13. ABN AMROBank schrijft op 27 januari 2006 aan Bovemij naar aanleiding van de brandschade bij [eiseres] onder meer: Op grond van ons pandrecht op inventaris en voorraden is er sprake van een rechtsgeldig pandrecht op de te verwachten schade-uitkering. Hierbij openbaren wij ons pandrecht jegens u. Dit betekent dat te verwachten schade-uitkeringen slechts bevrijdend en rechtsgeldig uitgekeerd kunnen worden ten gunste van rekeningnummer [rek.nr.] ten name van [eiseres] B.V. te Stadskanaal. 2.14. Ter comparitie heeft [naam directeur] over de brand onder meer het volgende verklaard. De rit van het bedrijf naar mijn huis is ongeveer 5 minuten met de auto. Op die 30e november ben ik tussen 7 uur en kwart over 7 naar huis gegaan. Ik heb het alarm in het bedrijf aangezet. Toen kreeg ik een melding ‘meterkast’ en daarop heb ik de meterkast dichtgedaan en het alarm opnieuw aangezet. Ik hoorde de zoemtoon. Op grond daarvan stelde ik vast dat het alarm aan stond. Ik heb toen niets bijzonders gezien of gehoord. Ik ging naar huis. Mijn vrouw ging tegen 8 uur weg. Ik bracht de kinderen naar bed. Het was een gewone avond als alle andere. Tegen 9 uur belde de alarmcentrale dat er geen melding was ontvangen dat het alarm ingeschakeld was. Ik zei dat ik pas tegen 10 uur weg kon omdat mijn vrouw dan thuis was. Tegen 10 uur ben ik naar het bedrijf gegaan. Ik merkte niets bijzonders. Toen ik binnenkwam hoorde ik de zoemtoon van het alarm. Naar mijn idee was het de toon die aangeeft dat het alarm aan staat, maar het kan de toon van de foutmelding zijn geweest. Die tonen verschillen bijna niet van elkaar. Even na 10 uur belde de alarmcentrale mij. Ik ben daarna nog even aan het werk geweest. Dat gebeurt wel vaker. Ik had het thuis niet aangekondigd, maar heb mijn vrouw gebeld dat ik nog bleef werken. De beide telefoongesprekjes heb ik gevoerd vanaf mijn kantoor. Toen ik aan het werk was, rook ik rook. Ik keek toen direct op en zag rook uit de showroom komen. Ik liep daar naar toe en zag toen direct dat achterin de showroom de vlammen uit een auto sloegen. Ik ben er direct heen gegaan. Er hing daar een brandblusser. Die heb ik gepakt en ik heb de brand geblust. Het was een brand in het interieur van de auto. De ramen in de voorportieren stonden open bij die auto. Ik was ervan overtuigd dat ik de brand had geblust. Toen zag ik dat de ruit naast die auto ingeslagen was. Ik heb de politie gebeld en zag toen ook dat de kassa opengebroken was. Er waren op het bedrijf een stuk of 8 telefoons. De politie belde ik vanaf de receptiebalie. Ik was het gebouw binnengekomen aan de garagekant. Na de politie te hebben gebeld heb ik de deuren opengezet om de rook eruit te krijgen en ben ik zelf naar buiten gegaan om op adem te komen. Toen zag ik dat die auto weer in brand stond. De blusser was leeg en ik moest een ander zoeken. Die hing vóór in de showroom, maar toen ik hem had was de hitte rond de auto al te groot om te blussen. Ik heb toen 112 gebeld en nog snel spullen uit de werkplaats naar buiten gebracht, auto’s, gereedschap en gasflessen. Ik heb niet gemerkt dat er ook op een tweede plaats brand zou zijn ontstaan. De tweede brand aan dezelfde auto ging heel snel. De politie heeft letterlijk tegen mij gezegd dat ik niet voor in het magazijn had kunnen staan, omdat ik dan levend verbrand zou zijn, maar ik heb daar wel gestaan. Dat was namelijk op het moment dat ik de politie belde voor de inbraak. Ik heb toen gezegd dat de kassa opengebroken was. Daarna heb ik voor het magazijn gestaan vanwaar ik de kluis kon zien. Daarna ben ik nog naar buiten gegaan. 3. Het geschil 3.1. [eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van Bovemij tot betaling aan haar van € 191.402,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 5 januari 2007 en met de proceskosten. 3.2. [eiseres] stelt dat Bovemij op grond van de verzekeringsovereenkomst verplicht is haar brandschade te vergoeden. 3.3. Bovemij voert verweer. Primair beroept zij zich op niet ontvankelijkheid van [eiseres] omdat haar vordering op Bovemij is verpand aan ABN AMROBank en alleen deze nu de verpanding openbaar gemaakt is, betaling kan eisen en ontvangen. Hierbij beroept zij zich op de openbaarmaking in de brief van 27 januari 2006 en op art. 3:246 BW. Subsidiair beroept Bovemij zich op art. 9 van de algemene voorwaarden, de opzetclausule, en art. 7:952 BW (‘De verzekeraar vergoedt geen schade aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt’). 3.4. Bovemij stelt in haar subsidiair gehouden betoog dat uit de onderzoeken van I-TEK en de politie kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van brandstichting en dat [naam directeur] daarbij betrokken is geweest. Ten aanzien van de brandstichting en de betrokkenheid van [naam directeur] daarbij voert Bovemij de volgende feiten en omstandigheden aan. Bovemij wijst erop dat er twee brandhaarden in het pand waren die niet met elkaar in relatie stonden, dat [naam directeur] het alarm niet heeft ingeschakeld op de avond van de brand en dat hij direct had moeten opmerken dat de ruit in de showroom kapot was en de kassa was opengebroken. Bovemij voert voorts aan dat [naam directeur] de tweede brandhaard in het magazijn had moeten opmerken en dat als een derde heeft ingebroken en brand heeft gesticht, [naam directeur] tijdens zijn aanwezigheid in het pand hiervan iets gemerkt had moeten hebben. Ten slotte wijst Bovemij erop dat [eiseres] voor de brand substantiële financiële problemen had en dat zij na vergoeding van de schade een betere financiële uitgangspositie zal hebben. 3.5. Ter onderbouwing van dit laatste voert Bovemij aan dat in de periode 2001-2004 het eigen vermogen van [eiseres] van € 351.000,00 tot € 24.000,00 gedaald was, dat eind 2005 een negatief eigen vermogen van € 146.692,00 bleek te bestaan en dat medio 2005 in een bespreking tussen [eiseres] en haar accountant de mogelijkheid van een faillissement aan de orde geweest is. Zij beroept zich voorts op [naam directeur]s verklaring dat de bedrijfsresultaten kort voor de brand niet florissant waren en op het feit dat de kredietruimte ten tijde van de brand slechts € 20.000,00 – volgens haar één ‘ordentelijke’ auto – was. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. Vooralsnog is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] het verweer dat zij niet ontvankelijk zou zijn omdat haar vordering op Bovemij is verpand aan ABN AMROBank en alleen deze betaling kan eisen en ontvangen, voldoende op losse schroeven heeft gezet door ter comparitie onder overlegging van een brief duidelijk te maken dat de bank haar toestaat de vordering te innen mits maar betaald wordt op de rekening van [eiseres] bij haar. Laten partijen zich hier niet meer over uit – Bovemij heeft hiertoe een voorbehoud gemaakt ter comparitie –, dan gaat de rechtbank van [eiseres]s ontvankelijkheid uit. 4.2. Wat de positie van ABN AMROBank betreft, heeft Bovemij voorts de vrees uitgesproken dat de bank in geval van een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een vonnis in deze zaak, gevolgd door een betaling door Bovemij op [eiseres]s rekening bij deze bank, direct zal overgaan tot verrekening van haar vordering op Bovemij met het aan [eiseres] betaalde bedrag, zodat Bovemij bij een eventueel andersluidende uitspraak in hoger beroep achter het net vist. Deze vrees van Bovemij is niet onbegrijpelijk, maar anderzijds heeft [eiseres] bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een toewijzend vonnis een evident zeer groot belang. [eiseres] zal de gelegenheid krijgen bij akte nader aan te geven hoe ABN AMROBank thans stelt te zullen omgaan met [eiseres], haar bedrijf en de financiering daarvan als Bovemij zou uitkeren. Zij zal dit kunnen doen hetzij bij de eerstvolgende keer dat zij zich op de rol kan uitlaten hetzij ter gelegenheid van de eerstkomende zitting in het kader van de getuigenverhoren. 4.3. De kernvraag is vervolgens of [eiseres] aanspraak kan maken op betaling door Bovemij van de door de brand veroorzaakte schade. 4.4. Dat door [eiseres] brandschade is geleden en dat Bovemij haar verzekeraar is uit hoofde van een verzekering die in beginsel zulke schade dekt, staat tussen partijen vast. Bovemij beroept zich echter op de uitsluiting voor opzet. Zij stelt dat er sprake is geweest van brandstichting en dat [naam directeur] daarbij betrokken is geweest. Is dit het geval, dan acht de rechtbank haar standpunt dat zij niet tot uitkering gehouden is, juist, omdat betrokkenheid van de bestuurder van [eiseres] bij de brandstichting gelijkgesteld moet worden met haar eigen betrokkenheid daarbij. 4.5. Uit de onderzoeken van de politie en van I-TEK is gebleken dat er twee afzonderlijke brandhaarden in het pand waren, te weten in het interieur van de Volvo in de showroom en in het magazijn. Tussen deze brandhaarden bestond geen relatie. De politie heeft geen afwijkingen in het elektrische systeem of in de elektrische apparatuur aangetroffen. Naar aanleiding van het politie-onderzoek kon het ter plaatse brengen of achterlaten van vuur of een technisch verklaarbare oorzaak niet met zekerheid aangetoond of uitgesloten worden. Uit het voorgaande volgt dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de brandhaarden spontaan zijn ontstaan. De rechtbank onderschrijft dan ook het standpunt van Bovemij voor zover dit inhoudt dat het in hoge mate aannemelijk is dat er sprake is geweest van brandstichting. 4.6. Daarmee is, al aangenomen dat er sprake is geweest van brandstichting, nog niet duidelijk door wie de brand is gesticht. Bovemij acht een aantal feiten en omstandigheden die uit de onderzoeken naar voren zijn gekomen doorslaggevend om tot betrokkenheid van [naam directeur] bij brandstichting aan te nemen. Gezien het proces-verbaal van politie en het onderzoeksrapport van I-TEK en gelet op de verklaring van [naam directeur] ter comparitie overweegt de rechtbank het volgende ten aanzien van deze door Bovemij aangevoerde feiten en omstandigheden. Het gaat hierbij om het niet inschakelen van het alarm (4.7, 4.8), het niet tijdig opmerken van de vernielde ruit en de geopende kassalade (4.9, 4.10), het niet opmerken van de tweede brandhaard (4.11, 4.12), het niet zien van een mogelijke inbreker (4.13-4.15) en de motieven die mogelijk in de financiële situatie van [eiseres] lagen (4.16, 4.17). 4.7. Bovemij wijst erop dat [naam directeur] op de avond van de brand het alarm kennelijk niet heeft ingeschakeld. In het politie-onderzoek is dhr. [naam getuige] gehoord. Hij is hoofd Alarmcentrale van beveiligingsbedrijf SMC, waar [naam directeur] als klant bij is aangesloten. [naam getuige] heeft verklaard dat op 30 november 2005 het alarmsysteem om 19.14 uur is gereset en dat het alarm niet is ingeschakeld om 19.15 uur. [naam directeur] heeft ter comparitie verklaard dat hij toen hij naar huis ging, bij het aanzetten van het alarm de melding ‘meterkast’ kreeg en vervolgens de meterkast heeft dicht gedaan. Hij zou het alarm opnieuw in werking hebben gesteld en vervolgens een zoemtoon hebben gehoord die dat bevestigde. Eenmaal thuis kreeg hij van de alarmcentrale van SMC de melding dat het alarm niet was ingeschakeld. Hij was tegen 22.00 uur – het late tijdstip wordt verklaard doordat de vrouw van [naam directeur] niet thuis was en hij geen oppas had, zodat hij op haar moest wachten – terug in het bedrijf en hoorde daar een zoemtoon. [naam directeur] heeft ter comparitie verklaard dat de zoemtoon van de inwerkingtreding van het alarm en de zoemtoon van een foutmelding bijna niet van elkaar verschillen. 4.8. Uit het voorgaande is te concluderen dat [naam directeur] het alarm niet heeft ingeschakeld toen hij naar huis ging. Naar het oordeel van de rechtbank is het echter niet ondenkbaar dat hij bij het aanzetten van het alarm de zoemtoon van een foutmelding heeft aangezien voor de zoemtoon van de inwerkingtreding van het alarm en dat hij daarom in de veronderstelling verkeerde dat hij het alarm wél had aangezet. 4.9. Bovemij stelt dat [naam directeur] de vernielde ruit in de showroom en de opengebroken kassalade direct na terugkomst in het bedrijf rond 22.00 uur had moeten opmerken. [naam directeur] heeft ter comparitie verklaard dat hij tegen 22.00 uur via de garagekant het pand is binnen gekomen. Hij ging nog even aan het werk en pleegde vanuit zijn kantoor telefoontjes met de alarmcentrale en met zijn echtgenote. Hij rook vervolgens rook en zag dat achterin de showroom de vlammen uit een auto sloegen. Toen hij de brand in die auto bluste, zag hij dat de ruit naast de auto was ingeslagen. Hij belde vervolgens de politie met de telefoon vanaf de receptiebalie en zag vanaf die plek dat de kassa was opengebroken. 4.10. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat niet valt uit te sluiten dat [naam directeur], gelet op de plekken in het gebouw waar hij achtereenvolgens zegt te zijn geweest, de vernielde ruit in die showroom inderdaad niet eerder dan bij de brand aldaar heeft kunnen opmerken en dat hij de opengebroken kassa pas heeft opgemerkt toen hij bij de receptiebalie waar die kassa zich bevond, kwam. 4.11. Bovemij stelt dat [naam directeur] de tweede brandhaard in het magazijn had moeten opmerken. [naam directeur] heeft ter comparitie verklaard dat hij niet gemerkt heeft dat er behalve in de showroom ook op een andere plaats in het pand brand was ontstaan. Hij heeft verklaard dat hij na het blussen van de brand in de showroom de politie heeft gebeld in verband met de vernielde ruit en de opengebroken kassa. Daarna zou hij, zo heeft hij verklaard, voor het magazijn hebben gestaan, de deuren hebben geopend om de rook te verdrijven en naar buiten zijn gegaan. Vervolgens zag hij dat de auto in de showroom wederom in brand stond, waarop hij getracht heeft deze te blussen. 4.12. Uit het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank volgen dat de brand in het magazijn ontstaan is op een moment dat [naam directeur] zich niet langer voor of in de nabijheid van het magazijn bevond, waardoor hij deze brand niet heeft kunnen opmerken. 4.13. Bovemij stelt dat indien wordt uitgegaan van de situatie dat een derde in het pand heeft ingebroken en brand heeft gesticht, [naam directeur] deze persoon had moeten zien. [naam directeur] heeft ter comparitie aangevoerd dat toen hij tegen 22.00 uur weer in het pand kwam, hij mogelijk een inbreker of inbrekers heeft gestoord die, zolang hij in het pand verbleef, niet ongezien weg kon(den) komen. Hij heeft geopperd dat de branden mogelijk zijn gesticht om zijn aandacht af te leiden. 4.14. Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat toen [naam directeur] naar huis ging, hij het alarm niet heeft ingeschakeld. In het politie-onderzoek is [naam getuige] als getuige gehoord. [naam getuige] bevond zich omstreeks 19.19 uur – een tijdstip dat niet veel verschilt van dat waarop [naam directeur] het bedrijf verlaten zou hebben – in de directe nabijheid van het pand van [naam directeur] en heeft op dat tijdstip een doffe knal en glasgerinkel gehoord. [naam directeur] heeft verklaard dat hij na de ontdekking van de brand in de auto in de showroom zag dat naast die auto een ruit vernield was en dat hij later zag dat de kassa was opengebroken. [naam directeur] heeft verklaard dat hij een hoop muntgeld en wat papiergeld in de losse kassalade op de vloer zag liggen. Uit het politie-onderzoek is gebleken dat de ruit is vernield voordat de brand uitbrak: er lag inpandig glas op de vloer, waarvan alleen de onderste glasscherven niet beroet waren. De echtgenote van [naam directeur], de boekhoudster van het bedrijf, heeft verklaard dat er die dag ongeveer € 600,00 in de kassa zat. Zij heeft verklaard dat van dit bedrag ongeveer € 550,00 verdwenen is. 4.15. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet uitgesloten dat één of meer personen nadat [naam directeur] naar huis was gegaan, door het vernielen van de ruit de showroom toegankelijk hebben gemaakt, direct of later het pand zijn binnengekomen om geld en/of goederen te stelen en dat zij tegen 22.00 uur door [naam directeur] gestoord zijn in hun bezigheden. Als inderdaad op deze wijze een persoon of personen zich wederrechtelijk de toegang tot het pand hadden verschaft, acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat zij hun uiterste best zullen hebben gedaan om niet door [naam directeur] opgemerkt te worden teneinde ongemerkt weg te kunnen komen. Het feit dat [naam directeur] verklaart geen persoon of personen gezien te hebben dwingt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet tot de conclusie dat hij bij de brandstichting betrokken was. 4.16. Bovemij stelt dat het bedrijf van [eiseres] vlak voor de brand in grote financiële moeilijkheden verkeerde en dat er medio 2005 nog over de mogelijkheid van een faillissement gesproken zou zijn (zie 3.5). [naam directeur] heeft ter comparitie onder meer verklaard: In de zomer van 2005 is het woord faillissement inderdaad gevallen. In 2003 hadden we verlies geleden, in 2004 ook, maar minder, en we verwachtten dat we in 2005 rond het nulpunt uit zouden komen. Dat eiste de bank ook. We leken goed uit te komen, maar dat was niet zeker. Het contact met de bank was overigens goed. Ik had eens per half jaar een gesprek met de bank. 4.17. Kennelijk ging het in 2005 nog steeds niet goed, zo concludeert de rechtbank, maar dat een faillissement onafwendbaar was is onvoldoende gebleken. Van belang is in dit verband ook dat vooralsnog niet weersproken is dat [eiseres] eens per half jaar met de bank overlegde, hetgeen een frequentie is die niet op een crisissituatie duidt. In ieder geval staat vooralsnog niet vast dat er sprake is geweest van een zodanige reactie van [naam directeur] op de financiële situatie van [eiseres] dat hij hierin een motief voor brandstichting heeft gevonden, nog daargelaten dat de aanwezigheid van een motief nog niet van ieder mens een brandstichter maakt. 4.18. Uit de feiten zoals die tot nu toe gebleken zijn, kan worden geconcludeerd dat het [naam directeur] is geweest die op het moment dat [naam getuige] dit kon horen, de ruit heeft ingeslagen, het alarm op een storingsmelding heeft gezet en later is teruggekomen om – al dan niet met (een) handlanger(s) – brand te stichten en dat na een mislukte poging op twee plaatsen heeft gedaan. Zijn verweer, in het strafrecht als een Meer en Vaartverweer aangeduid, houdt in dat dezelfde tot nu toe gebleken feiten ook op een heel andere gebeurtenis kunnen duiden, namelijk op aanwezigheid van een of meer inbrekers, die kennelijk van het niet ingeschakeld zijn van het alarm gebruik hebben gemaakt en overlopen zijn door [naam directeur]. Daar komt bij dat de rechtbank, zoals zij onder 4.5 heeft overwogen, vooralsnog brandstichting als oorzaak van de brand in hoge mate aannemelijk acht, maar andere oorzaken niet kan uitsluiten. 4.19. Uit het voorgaande volgt dat thans naar het oordeel van de rechtbank niet vast staat dat [naam directeur] betrokken is geweest bij de brandstichting. Noch afzonderlijk noch tezamen genomen dwingen de onder 4.7 tot en met 4.17 behandelde omstandigheden, gezien in samenhang met wat overigens over het verloop van de brand gebleken is, tot de conclusie dat [naam directeur] bij de brandstichting betrokken was. Dat er sprake is van een opvallende samenloop van toevalligheden, verandert daaraan niets. 4.20. Conform de hoofdregel van artikel 150 Rv zal Bovemij haar stelling dat [naam directeur] betrokken is geweest bij de brandstichting dan ook moeten bewijzen. De rechtbank zal Bovemij daartoe in de gelegenheid stellen. 5. De beslissing De rechtbank 5.1. draagt Bovemij op te bewijzen dat de schade uit de brand bij [eiseres] op 30 november 2005 door opzet of roekeloosheid van [naam directeur] is veroorzaakt dan wel met zijn goedvinden is toegebracht, 5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 19 december 2007 voor uitlating door Bovemij of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, 5.3. bepaalt dat Bovemij, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen, 5.4. bepaalt dat Bovemij, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op woensdagen in de maanden januari tot en met maart 2008 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, 5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.D.A. den Tonkelaar in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4, 5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen, 5.7. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2007.