Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0197

Datum uitspraak2007-11-28
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers98163
Statusgepubliceerd


Indicatie

Met betrekking tot het beroep op nietigheid/vernietigbaarheid van de verzekeringsovereenkomsten overweegt de rechtbank het volgende. De door Trion bij Aegon afgesloten polissen betreffen sommenverzekeringen (artikel 7:925 en 7:964 BW). Immers, de krachtens deze polissen verschuldigde uitkeringen zijn niet bedoeld als schadevergoeding. In artikel 7:964 BW is bepaald dat deze slechts toegelaten zijn bij persoonsverzekering en bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verzekeringen. Op basis van de niet weersproken nadere getalsmatige toelichting van Aegon (r.o. 2.3.) constateert de rechtbank dat op tien na alle verzekeringsovereenkomsten betrekking hadden op niet-bestaande personen. Deze betroffen dus niet het leven of de gezondheid van een mens en zijn daarom niet aan te merken als persoonsverzekering (artikel 7:925 lid 2 BW). Deze verzekeringen zijn evenmin bij algemene maatregel van bestuur aangewezen en daarom op grond van artikel 7:964 BW niet toegestaan. Gelet hierop zijn deze verzekeringen op grond van artikel 3:40 BW nietig, zodat de daarop gerichte vordering tot verklaring voor recht toewijsbaar is.


Uitspraak

vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 98163 / HA ZA 03-523 Vonnis van 28 november 2007 in de zaak van de naamloze vennootschap AEGON LEVENSVERZEKERING N.V., gevestigd te 's-Gravenhage, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, procureur mr. P.M. Wilmink, advocaat mr. J.C.A. Stevens te 's-Gravenhage, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TRION B.V., gevestigd te Breda, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, procureur mr. L.P. Veldhuijzen (onttrokken), 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FINPLAN BENEFITS B.V., gevestigd te Arnhem, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek, advocaat mr. L.H.A.M. Andriessen te Breda. Partijen zullen hierna Aegon, Trion en Finplan genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 27 juni 2007 - de akte van Aegon van 1 augustus 2007 - de antwoordakte van Finplan (thans geheten Finance & Benefits B.V.) van 26 september 2007. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De verdere beoordeling in conventie en in reconventie 2.1. De rechtbank volhardt bij haar vonnis van 27 juni 2007. 2.2. Bij dit vonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld op de grondslagen van de vordering van Aegon in te gaan, te weten onrechtmatig handelen/tekortkoming in de nakoming door Trion en Finplan en nietigheid/vernietigbaarheid van de verzekeringsovereenkomsten. Aegon is opgedragen te concretiseren bij hoeveel verzekeringsovereenkomsten sprake was van onjuistheden in de personalia en/of van niet-bestaande personen. Partijen zijn tevens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het indemniteitsbeginsel/de verzekerbaarheid van de verzekerde belangen en over de vraag tot welke gevolgen onrechtmatige daad, tekortkoming in de nakoming, nietigheid en vernietiging in hun visie leiden. Tevens is overwogen dat de duiding van de aard van de verzekeringsovereenkomsten nog verduidelijking behoefde. 2.3. Aegon heeft in haar akte uiteengezet dat sprake was van een verzekeringsovereenkomst waarbij Trion zowel verzekeringnemer als begunstigde was en tevens de premie verschuldigd was. Aegon heeft voorts aangegeven dat er 869 uittreksels uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA) zijn met betrekking tot de in de verzekeringsovereenkomsten genoemde personen. Daarvan geven 617 uittreksels aan dat de geboortedatum niet klopt. Met betrekking tot 242 personen is aangegeven dat naam, noch geboortedatum bekend zijn. Slechts bij tien verzekeringsovereenkomsten is sprake van een verzekerde die daadwerkelijk bestaat. Aegon verbindt daaraan de conclusie dat slechts in 0,0115% sprake is van een bestaande verzekeringsovereenkomst. Dit alles wordt door Finplan en Trion niet betwist. Aegon voert aan dat de verzekeringsovereenkomsten die zien op een niet-bestaande persoon nietig zijn omdat het “nu eenmaal onmogelijk is om een verzekeringsovereenkomst af te sluiten op het leven van iemand die niet bestaat”. 2.4. Aegon stelt tevens dat zij aan Finplan als tussenpersoon, achteraf volkomen ten onrechte, € 2.413.973,25 aan provisie heeft uitgekeerd. Aegon stelt dat Finplan is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgverplichting jegens Aegon en de grootscheepse fraude heeft mogelijk gemaakt, nu er meer dan 859 verzekeringsovereenkomsten door en met haar bemiddeling zijn afgesloten op de levens van niet bestaande personen. Zij stelt dat Aegon er immers op mocht vertrouwen dat de gegevens die haar door of via Finplan werden aangereikt zouden kloppen. Aegon stelt dat het voorgaande temeer ten aanzien van Trion geldt, nu Trion de gegevens heeft aangemaakt en verantwoordelijk is voor het aanreiken van de valse gegevens aan Aegon op basis waarvan de verzekeringen op de levens van niet-bestaande personen zijn afgesloten. 2.5. Finplan heeft ten verwere aangevoerd dat zij niet betrokken is geweest bij de acquisitie en geen kandidaten heeft benaderd, maar slechts als ‘doorgeefluik’ heeft gefungeerd en aanspreekpunt was voor de buitendienst van Aegon en mutaties heeft doorgegeven. Zij stelt dat Aegon niet aan haar stelplicht heeft voldaan inzake onrechtmatige daad, tekortkoming in de nakoming, nietigheid en/of vernietiging. 2.6. Met betrekking tot het beroep op nietigheid/vernietigbaarheid van de verzekeringsovereenkomsten overweegt de rechtbank het volgende. De door Trion bij Aegon afgesloten polissen betreffen sommenverzekeringen (artikel 7:925 en 7:964 BW). Immers, de krachtens deze polissen verschuldigde uitkeringen zijn niet bedoeld als schadevergoeding. In artikel 7:964 BW is bepaald dat deze slechts toegelaten zijn bij persoonsverzekering en bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verzekeringen. Op basis van de niet weersproken nadere getalsmatige toelichting van Aegon (r.o. 2.3.) constateert de rechtbank dat op tien na alle verzekeringsovereenkomsten betrekking hadden op niet-bestaande personen. Deze betroffen dus niet het leven of de gezondheid van een mens en zijn daarom niet aan te merken als persoonsverzekering (artikel 7:925 lid 2 BW). Deze verzekeringen zijn evenmin bij algemene maatregel van bestuur aangewezen en daarom op grond van artikel 7:964 BW niet toegestaan. Gelet hierop zijn deze verzekeringen op grond van artikel 3:40 BW nietig, zodat de daarop gerichte vordering tot verklaring voor recht toewijsbaar is. De artikelen 7:925 en 7:964 BW hebben op grond van artikel 68a Overgangswet NBW directe werking. De rechtbank overweegt dat ook in het vóór inwerkingtreding van deze artikelen geldende recht het sluiten van een levensverzekering met betrekking tot een niet-bestaand persoon niet mogelijk was. 2.7. De nietigheid houdt in dat de grondslag voor de betaling van de provisie aan Finplan is komen te vervallen, zodat deze onverschuldigd is betaald. Finplan heeft het door Aegon genoemde totaal aan provisie van € 2.413.973,25 niet betwist. Dit bedrag dient dus met aftrek van de provisie die is betaald voor overeenkomsten met betrekking tot bestaande personen door Finplan terugbetaald te worden. Aegon zal dan ook in de hierna bedoelde akte moeten toelichten welk provisiebedrag betrekking heeft op bestaande personen en welk deel betrekking heeft op niet-bestaande personen. 2.8. Aegon heeft voorts primair een verklaring voor recht gevorderd dat zij de betaalde premies kan behouden/kan verrekenen. Deze vordering ziet, zoals de rechtbank uit de toelichting van Aegon opmaakt, op Trion. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Artikel 7:938 lid 1 BW (welk artikel op grond van artikel 68a lid 1 Ow NBW onmiddellijke werking heeft) bepaalt dat geen premie is verschuldigd indien in het geheel geen risico is gelopen, behoudens het geval van opzet van de verzekeringnemer. Bij opzet van de verzekeringnemer tot misleiding van de verzekeraar is de premie wel ten volle verschuldigd. Namens Trion is ter comparitie verklaard door haar directeur: ‘Ik ben het er wel mee eens dat als je de stukken ziet dat de conclusie dan moet zijn dat er sprake is van onregelmatigheden. Dat kan niet anders. Ik heb het echter niet gedaan. (…) Ik vind het vreemd dat er op de aanvraagformulieren handtekeningen staan die overeenkomen met de namen van de verzekerden. Ik ben het ermee eens dat er handtekeningen van medewerkers van Trion op moeten staan. Het was Trion die de aanvraagformulieren invulde en ondertekende.’ Op basis van het feit dat in praktisch alle gevallen sprake was van niet-bestaande personen en gelet op de hiervoor weergegeven verklaring neemt de rechtbank aan dat er aan de zijde van Trion sprake moet zijn geweest van opzet tot misleiding van Aegon. De handelingen van haar werknemers moeten aan Trion worden toegerekend. Dit betekent dat de premies niet terugbetaald behoeven te worden en de primaire vordering van Aegon op dit punt toewijsbaar is. 2.9. Aegon heeft primair en subsidiair gevorderd Trion en Finplan hoofdelijk te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat op grond van tekortkoming in de nakoming/onrechtmatige daad. De vordering is gebaseerd op de ten onrechte uitgekeerde provisie - welke in r.o. 2.7. reeds aan de orde is geweest - en de werkzaamheden die Aegons medewerkers hebben uitgevoerd om de polissen op te maken en de fraude te onderzoeken. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat Trion naar het oordeel van de rechtbank met genoemde opzet tot misleiding onrechtmatig heeft gehandeld jegens Aegon. Aegon zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte haar daaruit voortvloeiende schade toe te lichten en te concretiseren. De vordering met betrekking tot de provisiebedragen is niet als schade toewijsbaar omdat deze reeds uit hoofde van onverschuldigd betaling terugbetaald dienen te worden. 2.10. Ten aanzien van Finplan is de rechtbank echter van oordeel dat ook in dit stadium van de procedure nog onvoldoende concrete aanwijzingen voorhanden zijn waaruit volgt dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgverplichting jegens Aegon dan wel onrechtmatig jegens Aegon heeft gehandeld. Dat het blijkbaar mogelijk is gebleken - zoals Aegon in haar laatste akte stelt - dat door en met Finplans bemiddeling meer dan 859 verzekeringsovereenkomsten zijn afgesloten op de levens van niet-bestaande personen, waardoor Finplan de grootscheepse fraude heeft mogelijk gemaakt, is daarvoor onvoldoende. Aegon stelt dat zij er op mocht vertrouwen dat de gegevens die haar door of via Finplan werden aangereikt zouden kloppen. Onvoldoende duidelijk is echter welke concrete uit de overeenkomst met Aegon voortvloeiende verbintenissen Finplan niet is nagekomen, terwijl evenmin duidelijk is op grond waarvan Aegon aanneemt dat Finplan niet mocht vertrouwen op de juistheid van de haar – door Trion – aangereikte gegevens. Ook in dit stadium van de procedure zijn er geen concrete aanwijzingen dat bij Finplan sprake was van wetenschap omtrent de valse persoonsgegevens. De conclusie uit het voorgaande is dat dit deel van de vordering ten aanzien van Finplan niet voor toewijzing in aanmerking komt. in de voorwaardelijke reconventie van Trion 2.11. Trion heeft voorwaardelijk - voor het geval in rechte mocht komen vast te staan dat er polissen moeten komen te vervallen - restitutie gevorderd van de door haar betaalde premies. Op grond van hetgeen hiervoor onder 2.8. is overwogen zal deze vordering te zijner tijd worden afgewezen met veroordeling van Trion, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten. in reconventie Finplan 2.12. Finplan heeft in reconventie een vordering ingesteld tot betaling van de door haar geleden schade, op te maken bij staat, welke het gevolg is van het abrupte ingrijpen door Aegon, de procedure en de beslaglegging. Finplan stelt dat zij aanzienlijke inkomsten bij Aegon misloopt en dat ook een andere verzekeringsmaatschappij de samenwerking met onmiddellijke ingang heeft opgezegd. 2.13. Dat Aegon de samenwerking met Finplan abrupt heeft beëindigd op grond van de constatering dat in veel van de door Finplan bemiddelde gevallen sprake was van levensverzekeringsovereenkomsten met betrekking tot niet-bestaande personen is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende om daaruit een aansprakelijkheid van Aegon uit tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen jegens Finplan of uit onrechtmatige daad te kunnen afleiden. Daarbij is van belang dat inmiddels als vaststaand kan worden aangenomen dat zelfs bijna alle overeenkomsten betrekking hadden op niet-bestaande personen. Voorts is van belang dat het verband met de opzegging door een andere verzekeringsmaatschappij evenmin is toegelicht, zodat Finplan onvoldoende heeft gesteld om daaruit aansprakelijkheid van Aegon op dit punt te kunnen afleiden. De vordering in reconventie zal dan ook te zijner tijd worden afgewezen, met veroordeling van Finplan als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van Aegon. in conventie en in reconventie verder 2.14. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 3. De beslissing De rechtbank in conventie 3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 12 december 2007 voor het nemen van een akte door Aegon over hetgeen is vermeld onder 2.7. en 2.9., in conventie en in reconventie 3.2. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door N.W. Huijgen, R.A. Boon en T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2007.