Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0194

Datum uitspraak2007-11-28
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers155801
Statusgepubliceerd


Indicatie

Nu eiser geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het besluit van 29 juni 2006, is dit besluit onherroepelijk geworden en heeft het formele rechtskracht. Dit brengt mee dat er in deze procedure van moet worden uitgegaan dat het besluit zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Voor een inhoudelijke toetsing van het besluit, bijvoorbeeld ten aanzien van de redelijkheid van de genoemde (relatief korte) begunstigingstermijn, is dan ook geen plaats.


Uitspraak

vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 155801 / HA ZA 07-828 Vonnis van 28 november 2007 in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], eiser in het verzet, procureur mr. F.J. Boom, advocaat mr. J.A.A. van de Westelaken te Arnhem, tegen de rechtspersoon naar publiek recht GEMEENTE MAASDRIEL, zetelende te Kerkdriel, gedaagde in het verzet, procureur mr. R.P. Elzas, advocaat mr. J.A.M. van Heijningen te 's-Hertogenbosch. Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 1 augustus 2007 - het proces-verbaal van comparitie van 17 oktober 2007. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [eiser] exploiteert een champignonkwekerij aan de Meiweg 7 te Kerkdriel. 2.2. In verband met de uitbreiding van zijn bedrijf heeft [eiser] in 2003 een bouwvergunning aangevraagd bij de Gemeente. Uit onderzoek ter plaatse van de uitbreiding bleek dat de bodem en het grondwater mogelijk verontreinigd waren en dat aanvullend onderzoek noodzakelijk was. [eiser] is hiertoe op 15 juli 2003 aangeschreven door het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente (hierna: het college). Op 24 oktober 2005 is [eiser] nogmaals aangeschreven. 2.3. Bij brief van 13 maart 2006 (verzonden op 14 maart 2006) heeft het college [eiser] het volgende medegedeeld - voor zover relevant - : “ Reeds per brief, verzonden 15 juli 2003 en 25 oktober 2005, bent u verzocht een nader bodemonderzoek te laten uitvoeren. Tijdens een op 11 november 2005 uitgevoerde milieucontrole is nogmaals gesproken over het aanvullend onderzoek. U gaf aan van plan te zijn uw kwekerij uit te breiden maar dat hiervoor eerst het bestemmingsplan buitengebied moest zijn vastgesteld. Het aanvullend onderzoek kon op deze manier worden gecombineerd met het onderzoek dat in het kader van de bouw moest worden uitgevoerd. Afgesproken is om het nader onderzoek enkele maanden uit te stellen. In februari 2006 is het bestemmingplan buitengebied door de gemeenteraad vastgesteld. Het kan echter nog wel een jaar duren voordat dit bestemmingsplan definitief is. Daarbij staan uw uitbreidingsplannen volledig los van de verplichting tot het laten uitvoeren van het aanvullend onderzoek. Gezien het bovenstaande schrijf ik u hierbij aan om: Binnen 4 weken, na verzending van deze brief, een rapport van een nader onderzoek in te dienen op de afdeling Bouwen en Milieu van de gemeente Maasdriel. Vooraankondiging sanctiebesluit Ik wil u nog één keer de mogelijkheid bieden het onderzoek uit te laten voeren. Als de overtreding niet binnen de gestelde termijn ongedaan wordt gemaakt ben ik van plan om het college voor te stellen u een last onder dwangsom op te leggen van € 50,- per dag met een maximum van € 5000,-.” 2.4. [eiser] heeft in mei 2006 opdracht gegeven aan Bodemstaete BV Milieukundig Bodemonderzoek te ’s Hertogenbosch (hierna: Bodemstaete) om nader onderzoek te verrichten naar de verontreiniging op zijn terrein. 2.5. Bij besluit van 29 juni 2006 (verzonden 5 juli 2006) heeft het college [eiser] een last onder dwangsom opgelegd. In dit besluit is - samengevat - aangegeven dat [eiser] artikel 4 van het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer heeft overtreden, aangezien hij geen nader onderzoek heeft laten uitvoeren. [eiser] is vervolgens in de gelegenheid gesteld alsnog vóór 1 augustus 2006 dit onderzoek te laten uitvoeren, bij gebreke waarvan een dwangsom wordt opgelegd van € 50,- per dag, met een maximum van € 5.000,-. [eiser] heeft geen rechtsmiddel ingesteld tegen dit besluit. 2.6. Op 6 juli 2006 heeft Bodemstaete per fax aan de Gemeente medegedeeld dat het onderzoek zich in een afrondende fase bevindt en dat het rapport naar verwachting na de zomervakantie gereed zal zijn. 2.7. Bij brief van 1 september 2006 (verzonden 7 september 2006) heeft het college aan [eiser] medegedeeld dat het aanvullend onderzoek niet tijdig is ingediend en dat daarom zal worden overgegaan tot het invorderen van de verschuldigde dwangsommen. [eiser] wordt verzocht om binnen veertien dagen € 1.600,- over te maken, zijnde de verbeurde bedragen over de periode 1 augustus tot en met 1 september 2006. Indien [eiser] hieraan niet voldoet zal het verschuldigde bij dwangbevel worden ingevorderd. 2.8. Omstreeks 7 september 2006 heeft Bodemstaete het rapport per post aan de Gemeente gezonden. 2.9. Op 19 september 2006 is namens [eiser] gereageerd op de brief van het college van 1 september 2006 en is de Gemeente verzocht af te zien van inning. 2.10. Bij brief van 5 december 2006 (verzonden 8 december 2006) heeft het college aan [eiser] medegedeeld - samengevat - dat zij het rapport op 11 september 2006 heeft ontvangen, derhalve eenenveertig dagen na afloop van de begunstigingstermijn, en dat zij geen aanleiding ziet om af te zien van het innen van de verschuldigde dwangsommen. Behoudens het eerder verbeurde bedrag van € 1.600,- wenst het college ook een bedrag van € 450,- te ontvangen over de periode van 2 tot en met 10 september 2006. [eiser] wordt verzocht binnen veertien dagen het totaalbedrag van € 2.050,- over te maken. Indien [eiser] hieraan niet voldoet zal het verschuldigde bij dwangbevel worden ingevorderd. 2.11. De Gemeente heeft [eiser] in januari 2007 nog een aanmaning gezonden. Ten slotte is op 15 maart 2007 een dwangbevel uitgevaardigd, welk bevel op 23 maart 2007 aan [eiser] is betekend. 2.12. [eiser] is op 4 mei 2007 in verzet gekomen tegen het dwangbevel. 3. Het geschil 3.1. [eiser] vordert samengevat - dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de vastgestelde dwangsom ad € 50,- per dag, met een maximum van € 2.050,- en vermeerderd met rente en kosten, zal verminderen tot nihil, althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding. 3.2. [eiser] stelt hiertoe dat het rapport omstreeks 7 september 2006 aan de Gemeente is gezonden en dat hij geen dwangsommen is verschuldigd omdat hij tijdig heeft voldaan aan de opgelegde last. Volgens [eiser] heeft de Gemeente ingestemd met indiening van het rapport na 1 augustus 2006 en is hierover contact geweest tussen de Gemeente, Bodemstaete en hemzelf. Door of namens de Gemeente is ook nimmer aangegeven dat een latere indiening direct zou leiden tot het verbeuren van dwangsommen, zodat hij er vanuit mocht gaan dat dit geen financiële consequenties zou hebben. Nu de Gemeente het rapport heeft ontvangen heeft zij bovendien geen belang bij de executie. Ten slotte acht [eiser] de executie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid disproportioneel en onevenredig. 3.3. De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. Aangezien het verzet tijdig is en op de juiste wijze ingesteld kan [eiser] in zijn verzet worden ontvangen. 4.2. [eiser] heeft aangevoerd dat de Gemeente mondeling toestemming heeft verleend voor het later indienen van het rapport dan 1 augustus 2006, zodat zij niet gerechtigd is de dwangsommen te innen. In dit verband heeft [eiser] ter comparitie het volgende opgemerkt: “In de periode 5 tot 7 juli 2006 heb ik telefonisch contact gehad met de heer [XXX] van Bodemstaete. Hij vroeg mij of het akkoord was dat het rapport over de vakantie werd getild. Ik heb daarop gezegd dat (…) hij contact moest opnemen met de gemeente. Later heb ik gehoord dat [XXX] inderdaad contact heeft opgenomen met de gemeente en dat de heer [XXX] toen heeft gezegd dat het geen probleem was als het rapport pas na zijn vakantie zou worden ingediend. Dit is ook bevestigd in de fax van [XXX] van 6 juli 2006 (…). Vervolgens kreeg ik het besluit van de gemeente van 29 juni 2006. Dit is door de gemeente pas op 5 juli 2006 verzonden en kwam dus binnen bij mij nadat ik had gehoord dat [XXX] om uitstel had gevraagd. Omdat ik dacht dat het wel in orde zou zijn, heb ik geen bezwaar ingesteld (…).” 4.3. De Gemeente betwist dat mondeling uitstel zou zijn verleend en stelt voorts dat als dit al het geval is, de desbetreffende ambtenaar daartoe niet bevoegd was. Een besluit tot verlengen van de begunstigingstermijn kan immers enkel door het college worden genomen. 4.4. Nu [eiser] geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het besluit van 29 juni 2006, is dit besluit onherroepelijk geworden en heeft het formele rechtskracht. Dit brengt mee dat er in deze procedure van moet worden uitgegaan dat het besluit zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Voor een inhoudelijke toetsing van het besluit, bijvoorbeeld ten aanzien van de redelijkheid van de genoemde (relatief korte) begunstigingstermijn, is dan ook geen plaats. 4.5. In het besluit is bepaald dat het rapport vóór 1 augustus 2006 ingediend moest zijn en dat daarna dwangsommen verschuldigd zouden worden. Nu niet in geschil is dat het rapport pas na deze datum is ingediend, is [eiser] in beginsel dan ook gehouden de dwangsommen te voldoen. Daaraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat mogelijk eerder mondeling door een ambtenaar van de Gemeente zou zijn medegedeeld dat het rapport pas na de vakantie ingediend hoefde te worden, hetgeen overigens uitdrukkelijk door de Gemeente is betwist. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij het besluit heeft ontvangen nádat voormelde mededeling zou zijn gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank had het om die reden op de weg van [eiser] gelegen om na ontvangst van het besluit (zelf) nogmaals navraag te doen naar de uiterste datum van indiening en de status van de eerdere mededeling en zonodig bezwaar in te dienen tegen de lengte van de begunstigings-termijn. Dit heeft [eiser] echter nagelaten en daarmee heeft hij het risico genomen dat de Gemeente daadwerkelijk tot inning zou overgaan na 1 augustus 2006. Nu [eiser], als gezegd, deze datum voorts niet heeft bestreden in een bestuursrechtelijke procedure, was de Gemeente daartoe ook bevoegd. 4.6. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat het rapport omstreeks donderdag 7 september 2006 per post aan de Gemeente is verzonden. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat de Gemeente het rapport op maandag 11 september 2006 heeft ontvangen, zodat haar stelling dat de begunstigingstermijn met éénenveertig dagen is overschreden als juist moet worden aangemerkt. Nu in het besluit is bepaald dat [eiser] een dwangsom verbeurt van € 50,- per dag dat niet aan de last is voldaan, betekent dit dat in totaal € 2.050,- is verbeurd. 4.7. [eiser] heeft nog aangevoerd dat de Gemeente geen belang zou hebben bij de executie, omdat zij het rapport inmiddels heeft ontvangen. Die stelling gaat niet op. Met het opleggen van een dwangsom wordt beoogd een geconstateerde overtreding op te heffen dan wel herhaling daarvan te voorkomen. De verplichting tot betaling van de dwangsom ontstaat op het moment van de overtreding en vanaf dat moment is de Gemeente ook bevoegd tot inning over te gaan. Indien [eiser] niet aangesproken zou kunnen worden op betaling omdat het rapport reeds is ingediend, zou de dwangsom haar functie als dwangmiddel verliezen. Dit is onwenselijk. Uitgangspunt is dan ook dat bij overtredingen daadwerkelijk wordt ingevorderd, ook al is de overtreding inmiddels feitelijk opgeheven. Gelet op de marginale toetsingsbevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van het dwangsombesluit en de daarop gebaseerde invordering, kan het verzet slechts gegrond worden geoordeeld indien de Gemeente bij afweging van alle belangen in redelijkheid niet tot invordering had kunnen besluiten. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Het belang van de Gemeente bij het behouden van haar geloofwaardigheid en het voorkomen van (de schijn van) willekeur dient, afgezet tegen het belang van [eiser] bij niet betalen, zwaarder te wegen. 4.8. Dat de executie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid disproportioneel en onevenredig zou zijn is niet nader door [eiser] onderbouwd en, zoals hiervoor is overwogen, ook anderszins niet gebleken, zodat deze stelling eveneens wordt verworpen. 4.9. [eiser] heeft matiging van de verbeurde dwangsommen gevorderd. De rechtbank wijst er op dat het aan de bestuursrechter is om te beoordelen of het voor de dwangsom vastgestelde bedrag in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Zolang de bestuursrechter niet heeft geoordeeld dat die redelijke verhouding ontbreekt, moet het er voor worden gehouden dat deze er wel is. Voorts is het bestuursorgaan dat de last heeft opgelegd ingevolge artikel 5:34 Awb bevoegd deze op te heffen, op te schorten of te verminderen. In deze systematiek, waarbij het aan het bestuursorgaan en de bestuursrechter is om de hoogte van de dwangsom vast te stellen respectievelijk de redelijkheid daarvan te beoordelen, past het niet dat de civiele rechter die over het verzet tegen de invordering van de dwangsommen heeft te oordelen, de dwangsommen zou kunnen matigen. De wet voorziet daar overigens ook niet in. De vordering tot matiging wordt dan ook afgewezen. 4.10. Tot slot wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 5:33 Awb kunnen ook de op de invordering vallende kosten worden gevorderd. Daaronder vallen onder andere de kosten van het deurwaardersexploot waarbij het dwangbevel is betekend, alsmede de verdere kosten die de deurwaarder heeft moeten maken. Die kosten moeten in het dwangbevel worden gespecificeerd en uit het bevel moet blijken welk bedrag ter zake wordt ingevorderd, zodat vervolgens in rechte kan worden gedebatteerd over de vraag of deze kosten al dan niet te hoog zijn. Dit betekent dat voor zover in het dwangbevel niet concreet is aangegeven om welke kosten het gaat, de Gemeente op basis daarvan deze ook niet zal kunnen invorderen. Op de in het dwangbevel aangekondigde, niet nader omschreven of gespecificeerde inningskosten, kan dan ook geen aanspraak worden gemaakt. De betekeningskosten kunnen wel worden ingevorderd. Voorts kan aanspraak worden gemaakt op de wettelijke rente, nu [eiser] deze niet heeft betwist. 4.11. Uit het voorgaande volgt dat de Gemeente op basis van het dwangbevel van 15 maart 2007 kan overgaan tot invordering van het bedrag van € 2.050,- wegens verbeurde dwangsommen, verhoogd met de wettelijke rente. De vordering van [eiser] wordt dan ook afgewezen. 4.12. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op € 251,- aan vast recht en € 768,- aan salaris procureur (2 punten x tarief € 384,-). 5. De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vordering af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 1.019,-, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, en voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode na het aflopen van deze termijn, 5.3. veroordeelt [eiser] tevens in de nakosten, aan de zijde van de Gemeente bepaald op € 131,- voor (na)salaris procureur, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,- voor (na)salaris procureur en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, en voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode na het aflopen van deze termijn, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Verra en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2007.