
Jurisprudentie
BC0192
Datum uitspraak2007-12-13
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers07/674, 07/675 BESLU K1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers07/674, 07/675 BESLU K1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verweerder heeft, naar aanleiding van een daartoe door de gemeente Maasbracht ingediende aanvraag, aan de gemeente vergunning verleend voor de kap van 47 bomen
Uitspraak
RECHTBANK ROERMOND
meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
UITSPRAAK
Procedurenr.: 07 / 674 en 07 / 675 BESLU K1
Inzake:
[Eiser 1], wonende te [woonplaats] en [eisers 2], wonende te [woonplaats], eisers,
tegen:
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasgouw, gevestigd te Maasbracht, verweerder.
Datum en aanduiding van het bestreden besluit:
de brief d.d. 20 maart 2007,
kenmerk: ROER/RaF/601283.
Datum van behandeling ter zitting: 1 november 2007.
I. PROCESVERLOOP
Bij besluit van 18 april 2006 (het primair besluit) heeft verweerder, naar aanleiding van een daartoe door de gemeente Maasbracht ingediende aanvraag, aan de gemeente vergunning verleend voor de kap van 47 bomen. De tegen dat besluit ingediende bezwaren zijn door verweerder bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit -onder aanpassing van de motivering- ongegrond verklaard.
Tegen dat laatste besluit is bij deze rechtbank door mr. W.K.J. van Santen, gemachtigde van eiser 1, en door mr. L.M.A. Schrieder, gemachtigde van eisers 2, beroep ingesteld.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan gemachtigden van eisers gezonden.
De beroepen zijn behandeld ter zitting van de rechtbank op 1 november 2007, waar eiser 1 en eisers 2 zijn verschenen bijgestaan door hun gemachtigden
mr. Van Santen en mr. Schrieder voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.M.J.G. Neelis en drs. M.H.C. Peeters, beiden werkzaam bij Tonnaer Adviseurs in Omgevingsrecht BV, en door de heer B. Taken van Taken Landschapsarchitectuur en Ecologie.
II. OVERWEGINGEN
Feiten en stellingen van partijen
In verband met het door de gemeente Maasgouw (voorheen gemeente Maasbracht) ontwikkelde plan om een segment van de voormalige vestingwerken te Stevensweert te reconstrueren (verder ook: het plan), heeft zij bij verweerder een aanvraag ingediend om 8 notenbomen, 17 esdoorns, 17 essen, 3 kersenbomen,
1 mammoetboom en 1 sparrenboom te mogen kappen. De bomen staan op het stuk grond waarop de gemeente de reconstructie van de vestingwerken heeft voorzien.
Bij het primair besluit werd de vergunning onder opname van de volgende voorschriften verleend:
• Van deze kapvergunning mag gebruik worden gemaakt tot uiterlijk een jaar nadat deze onherroepelijk is geworden en alleen nadat de uitvoering van de “nieuwe” vestingwerken daadwerkelijke doorgang zal vinden.
• Vergunninghouder dient er zorg voor te dragen dat binnen het plangebied, na gebruikmaking van deze vergunning, na realisering van de vestingwerken, over wordt gegaan tot herplant van een 50-tal nieuwe bomen.
•Deze vergunning wordt eerst van kracht op de dag na het ongebruikt verstrijken van de bezwarentermijn van 6 weken na verzenddatum op grond van de Algemene wet bestuursrecht, dan wel na afloop van de bezwaren- en eventuele beroepsprocedure, tenzij burgemeester en wethouders de vergunning terstond van kracht verklaren.
Naar aanleiding van de tegen de verleende kapvergunning ingediende bezwaren heeft verweerder zich laten adviseren door de bezwaaradviescommissie van de gemeente. Onder overname van dat advies heeft verweerder de bezwaren van eisers bij het bestreden besluit deels gegrond en deels ongegrond verklaard, waarbij de verlening van de kapvergunning in stand is gelaten onder aanpassing van de motivering en de voorschriften. Het hierboven eerstgeciteerde voorschift werd daarbij vervangen door het volgende voorschrift:
• Van deze kapvergunning mag alleen gebruik worden gemaakt tot uiterlijk één jaar nadat de beroepstermijn die geldt voor zowel de kapvergunning alsmede het vrijstellingsbesluit ex artikel 19 WRO waarmee de reconstructie van de vestingwerken planologisch mogelijk wordt gemaakt, ongebruikt is verstreken, danwel het binnen deze termijn tegen één of beide besluiten ingestelde beroep bij de rechtbank niet heeft geleid tot vernietiging van één of beide besluiten.
Voorts liet verweerder het hierboven als derde geciteerde voorschrift bij het bestreden besluit vervallen.
In beroep is namens eiser 1 het volgende aangevoerd.
De nadere motivering van de belangenafweging is onvoldoende, nu daarbij geen rekening is gehouden met het feit dat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te kennen heeft gegeven niet positief te staan tegenover de plannen van de gemeente om de vestingwerken te reconstrueren. Verweerder heeft bovendien geen aandacht besteed aan het belang van de bomen zelf, terwijl het gaat om kerngezonde bomen. Voorts is de vereiste ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet aangevraagd, maar nog niet verleend. Gelet daarop mocht verweerder niet reeds overgaan tot het verlenen van de kapvergunning.
Ten slotte wordt gesteld dat verweerder, door de gebruikmaking van de kapvergunning afhankelijk te stellen van het onherroepelijk worden van het vrijstellingsbesluit, een onzekere voorwaarde in het leven heeft geroepen. Dat is in strijd met de zorgvuldigheid.
Namens eisers 2 is het volgende naar voren gebracht. Vergunningverlening is prematuur, nu nog niet zeker is of de vestingwerken daadwerkelijk zullen worden gerealiseerd. Evenals eiser 1 zijn eisers 2 van mening dat de koppeling van de kapvergunning aan de vrijstellingsprocedure strijd oplevert met de rechtszekerheid, nu daarmee een koppeling is gemaakt met een toekomstige onzekere gebeurtenis.
Verder is het nieuw gestelde voorschrift eveneens in strijd met de rechtszekerheid, nu het denkbaar is dat de rechtbank niet binnen één jaar nadat beroep is ingesteld, uitspraak heeft gedaan en in dat geval mag er volgens het nieuwe voorschrift toch gekapt worden.
De bezwaaradviescommissie heeft gesteld dat het beter zou zijn, in dat voorschrift op te nemen dat de vrijstelling onherroepelijk moet zijn. Dit heeft verweerder ten onrechte niet gedaan. Voorts heeft verweerder in redelijkheid niet kunnen oordelen dat geen van de in de APV opgenomen weigeringsgronden voor vergunningverlening zich voordeed. De door verweerder in de vergunning opgenomen herplantplicht is onvoldoende geconcretiseerd, zodat daaraan geen betekenis kan worden toegekend. Tot slot is ook namens eisers 2 aangevoerd dat de kapvergunning niet had mogen worden verleend zolang nog niet duidelijk was of de vereiste ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet zou worden afgegeven.
Toepasselijke regelgeving
In artikel 4.4.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van verweerders gemeente is bepaald dat onder ‘houtopstand’ wordt verstaan, voor zover hier van belang: een of meer bomen.
In artikel 4.4.2 van de APV is, voorzover hier van belang, bepaald dat het verboden is om zonder vergunning van het college van burgemeesters en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.
In artikel 4.4.3a van de APV is bepaald dat de vergunning in elk geval kan worden geweigerd op grond van:
a. de natuurwaarde van de houtopstand;
b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;
f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.
In lid 2 van dit artikel is bepaald dat de vergunning tevens kan worden geweigerd indien de houtopstand is opgenomen in de door de gemeenteraad vastgestelde lijsten en tekeningen van waardevolle en monumentale bomen.
In het derde lid van artikel 4.4.5 van de APV is bepaald dat een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van feitelijk niet-gebruik tot het moment van definitief worden van de vergunning, oftewel tot het moment dat:
a. de bezwaar- of beroepstermijn voor derden is verstreken zonder dat bezwaar of beroep is ingediend;
b. beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening;
c. beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot voorlopige voorziening is gedaan.
De beoordeling
In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat het verlenen van een kapvergunning berust op een discretionaire bevoegdheid van verweerder, zodat de rechterlijke toetsing een terughoudende zal dienen te zijn. Deze zal zich dienen te beperken tot de vraag of verweerder bij de uitoefening van die bevoegdheid blijk heeft gegeven van een zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot weigering van de kapvergunning heeft kunnen overgaan. Verder is bij de aan te leggen toets van belang of verweerder met het nemen van het bestreden besluit in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de aanvullende overwegingen daartoe in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom het belang van de gemeente Maasgouw maakt, dat de bomen dienen te worden gekapt. Daarbij is een afweging gemaakt tussen dat belang en het belang van de bomen, en is in aanmerking genomen dat de bomen geen bijzondere waarde vertegenwoordigen. Er is onderzocht of de bomen kunnen worden gespaard en daarbij is gebleken dat op de plaats waar de bomen staan telkens een keermuur, gracht of ander onderdeel van de vestingwerken is voorzien.
Ter zitting is voorts door verweerder toegelicht dat een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet voor het kappen van de bomen volgens mededeling van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij niet nodig is. Bovendien zullen de kapwerkzaamheden niet worden uitgevoerd tijdens het broedseizoen. Gelet hierop bestond voor verweerder geen aanleiding om aan te nemen dat de Flora- en faunawet aan vergunningverlening in de weg stond.
Eenzelfde redenering heeft te gelden ten aanzien van de stelling van eisers 2, inhoudende dat het verlenen van de kapvergunning prematuur is omdat nog niet zeker is of de vestingwerken doorgang zullen vinden. Er bestaat slechts aanleiding om van vergunningverlening af te zien, indien en voor zover verweerder op voorhand in redelijkheid had dienen te voorzien dat de uitvoering van de vestingwerken geen doorgang zou vinden. Die situatie doet zich in het voorliggende geval niet voor, ook niet in het licht van het gegeven dat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg op enig moment te kennen heeft gegeven niet positief tegenover het plan om de vestingwerken te reconstrueren, te staan. Dat is immers een omstandigheid waarvan verweerder zich in de besluitvormingsprocedure rond de vrijstelling rekenschap heeft gegegeven en die ook in dat kader is gewogen, waarna niettemin door verweerder tot vrijstelling is overgegaan.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat geen van de in artikel 4.4.3a van de APV genoemde weigeringsgronden zich voordeed, hetgeen door eisers ook niet nader onderbouwd is weersproken.
Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder blijk heeft gegeven van een voldoende belangenafweging, zulks mede in aanmerking genomen de in de vergunning opgenomen herplantplicht die ter zitting namens verweerder nog nader is geconcretiseerd in die zin, dat zorggedragen zal worden voor herplant van bomen met een stamomtrek van minstens 20-25 centimeter.
Ten aanzien van het in het bestreden besluit op pagina 3 opgenomen (en hierboven onder ‘Feiten en stellingen van partijen’ geciteerde) nieuwe voorschrift wordt als volgt overwogen.
De rechtbank stelt vast dat met de opname van het nieuwe voorschrift niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 4.4.5, derde lid van de APV. Uit dat artikel volgt immers dat de vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van niet-gebruik tot het moment van definitief worden van de vergunning. Het ‘definitief worden’ van die vergunning is in de onderdelen a, b en c van het artikel vervolgens nader gedefinieerd en houdt volgens die onderdelen in dat de rechtbank een uitspraak over de zaak heeft gedaan, in voorlopige voorziening dan wel naar aanleiding van een ingesteld beroep. Is er geen bezwaar of beroep ingesteld, dan wordt de vergunning definitief (in de zin van het artikel) wanneer de bezwaar- respectievelijk beroepstermijn is verstreken.
Het nieuwe voorschrift stelt die voorwaarde van feitelijk niet-gebruik tot het moment van definitief worden niet; het strekt enkel tot een verbod van gebruikmaking van de vergunning vanaf een bepaald moment. Bij lezing van het -op zichzelf niet geheel duidelijke- voorschrift dient te worden geconcludeerd dat dat moment in het voorschrift is gesteld op ofwel één jaar nadat de beroepstermijnen van de kapvergunning en het vrijstellingsbesluit dat ten behoeve van het plan is genomen, ongebruikt zijn verstreken, ofwel één jaar nadat een wel ingesteld beroep bij de rechtbank niet heeft geleid tot vernietiging van één van die besluiten.
Ter zitting is verweerder gevraagd nader toe te lichten, wat met dit voorschrift wordt beoogd. Namens verweerder is daarbij gemeld dat het voorschrift aldus is bedoeld, dat van de kapvergunning geen gebruik mag worden gemaakt totdat er door de rechtbank een uitspraak is gedaan die niet heeft geleid tot vernietiging van één of beide besluiten, dan wel totdat de beroepstermijn ongebruikt is verstreken. Vanaf die momenten is de vergunning dan nog één jaar geldig.
Deze bedoeling van verweerder strookt met datgene wat hij in het bestreden besluit op pagina 4, derde alinea, heeft overwogen, maar niet met de tekst van de in datzelfde besluit (en hiervoor geciteerde en besproken) opgenomen nieuwe voorwaarde. De rechtbank stelt verder vast dat de bedoeling van verweerder als zodanig past binnen het gestelde in artikel 4.4.5 van de APV.
Gelet op het feit dat in het bestreden besluit een voorschrift is opgenomen dat strijdig is met de vereisten die volgens de APV aan dergelijke voorschriften worden gesteld, komt het besluit voor vernietiging in aanmerking.
De rechtbank stelt voorts vast dat eisers in hun bezwaarschriften verweerder hebben verzocht aan hen een proceskostenvergoeding toe te kennen. Verweerder heeft daarover -hoewel uitdrukkelijk door de bezwaaradviescommissie gewezen op de verplichting daartoe- geen beslissing genomen. Deze omissie vormt eveneens een grond voor vernietiging van het bestreden besluit.
De beroepen zullen dan ook gegrond worden verklaard. De rechtbank ziet evenwel in de omstandigheid, dat verweerder ter zitting duidelijk heeft aangegeven hoe hij het desbetreffende nieuwe voorschrift heeft bedoeld, alsmede in het feit dat die bedoeling ook in het bestreden besluit wel naar voren komt en dat besluit voor wat betreft de belangenafweging de rechterlijke toetsing heeft doorstaan, aanleiding om gebruik te maken van de mogelijkheid die haar ingevolge artikel 8:72, vierde lid van de Awb toekomt om zelf in de zaak te voorzien op de volgende wijze.
Het bezwaar van eisers zal alsnog gegrond worden verklaard en aan de kapvergunning zal een voorschrift worden verbonden zoals hierna in het dictum te melden. Daarbij zal aansluiting worden gezocht bij de bedoeling van verweerder, met dien verstande dat in het voorschrift niet zal worden opgenomen dat van de kapvergunning geen gebruik mag worden gemaakt totdat er door de rechtbank een uitspraak is gedaan in de onderhavige zaak dan wel de zaak betreffende het vrijstellingsbesluit, nu immers heden uitspraak wordt gedaan in beide zaken.
Voorts zal bepaald worden dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Gelet op het feit dat het primaire besluit wordt gewijzigd, is sprake van een herroeping in de zin van artikel 7:15 van de Awb. De rechtbank acht dan ook termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van hun bezwaarschriften hebben gemaakt. Voorts wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten die eisers in verband met de behandeling van dit beroep hebben gemaakt. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op de in rubriek III vermelde bedragen, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigden van eisers twee punten zijn toegekend in bezwaar (een punt voor het indienen van de bezwaarschriften alsmede een punt voor het verschijnen ter hoorzitting) en twee punten in beroep (een punt voor het indienen van de beroepschriften alsmede een punt voor het verschijnen ter zitting) en het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1).
III. BESLISSING
De rechtbank Roermond:
verklaart de beroepen gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
wijzigt het primaire besluit in die zin, dat daaraan het volgende voorschrift wordt verbonden:
“Van deze vergunning mag slechts gebruik worden gemaakt tot één jaar na de datum van deze uitspraak.”
veroordeelt verweerder in de kosten va de bezwaarprocedure, aan de zijde van beide eisers begroot op € 644,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Maasgouw;
veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van beide eisers begroot op € 644,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Maasgouw;
bepaalt dat de gemeente Maasgouw aan eisers het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 143,00 volledig vergoedt.
Aldus gedaan door mrs. Th.M. Schelfhout, E.B.A. Ferwerda en J.M.H. Rijken-Lie (voorzitter), in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2007.
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
Verzonden op: 13 december 2007.
MV
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.