
Jurisprudentie
BC0190
Datum uitspraak2007-06-05
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers018/2007
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers018/2007
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verlenging alimentatietermijn nieuw geval, duur huwelijk indien partijen tweemaal zijn gehuwd. Nieuwe echtgenote man is geen belanghebbende in dit geschil.
Uitspraak
5 juni 2007
Familiekamer
Rekestnummer 18/2007
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Beschikking
in de zaak van:
1. [verzoeker sub 1],
en
2. [verzoekster sub 2],
echtelieden,
beiden wonende te [woonplaats],
verzoekers, hierna te noemen: “de man” en “de echtgenote”,
procureur mr. P.A.C. de Vries,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster, verder te noemen “de vrouw”,
procureur mr. B.F.M. Bos.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Arnhem van 27 november 2006 zoals hersteld bij beschikking van 13 december 2006, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 138717 / FA RK 06-10679.
2 Het geding in hoger beroep/het principaal en het incidenteel beroep
2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 4 januari 2007, zijn de man en de echtgenote in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 27 november 2006 zoals hersteld bij beschikking van 13 december 2006. De man en de echtgenote verzoeken het hof die beschikking van 27 november 2006 te vernietigen en, indien het hof bij beschikking een verlenging van de alimentatieverplichting vaststelt, het bedrag dat de man maandelijks dient te voldoen op grond van de door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch gegeven beschikking van 18 februari 2003 voorlopig vast te stellen op nihil of zoveel minder als het hof juist acht.
2.2 Bij verweerschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 12 februari 2007, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. De vrouw verzoekt het hof de echtgenote niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep en voorts de man in zijn verzoek in hoger beroep, zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring en zijn voorwaardelijk verzoek tot voorlopige voorziening eveneens niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze verzoeken af te wijzen.
2.3 Bij aanvullend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 februari 2007, hebben de man en de echtgenote het hof verzocht met spoed de bestreden beschikking te vernietigen althans de bestreden beschikking te ontdoen van de uitvoerbaarheid bij voorraad, welk verzoek ook al is neergelegd in het beroepschrift.
2.4 De mondelinge behandeling heeft op 26 april 2007 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man en de echtgenote bijgestaan door mr. P.A.M.C. van de Laak, advocaat te Moergestel, en de vrouw bijgestaan door haar procureur.
2.5 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht van de procureur van de vrouw van 25 april 2007 met bijlagen.
3 De vaststaande feiten
Ten aanzien van partijen
3.1 De man en de vrouw zijn op 19 februari 1982 met elkaar gehuwd. Het huwelijk is in 1989 door echtscheiding ontbonden.
3.2 Uit het huwelijk is op [geboortedatum] 1983 [het kind] geboren.
3.3 De man en de vrouw zijn op 16 maart 2000 wederom met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 28 juni 2002 heeft de rechtbank ‘s-Hertogenbosch echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft deze beschikking, voor zover het betreft de tussen partijen uitgesproken echtscheiding, bij beschikking van 18 februari 2003 bekrachtigd en daarbij voorts bepaald dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen € 2.268,90 per maand, met ingang van de datum van de inschrijving van de tussen partijen uitgesproken echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Voormelde echtscheidingsbeschikking van 28 juni 2002 is niet op 28 april 2003 maar blijkens de akte “latere vermelding betreffende echtscheiding” van de ambtenaar van de burgerlijke stand van 6 mei 2003, op 6 mei 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Dit betekent dat het laatste huwelijk van partijen 3 jaren, 1 maand en 20 dagen heeft geduurd. De uitkering tot levensonderhoud bedraagt wegens wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2006 € 2.372,37 per maand.
3.4 In het echtscheidingsconvenant van partijen van 16 april 2003 is - voor zover thans van belang - het volgende opgenomen:
“ Ten verzoek van de man is een echtscheidingsprocedure bij de rechtbank te ’s-Hertogenbosch aanhangig gemaakt, in welke procedure de vrouw verstek heeft laten gaan, waarna de rechtbank bij beschikking d.d. 28-06-2002 op verzoek van de man de echtscheiding c.a. tussen partijen heeft uitgesproken.
De vrouw is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. In dat beroep heeft het gerechtshof bij beschikking d.d. 18-02-2003 de voornoemde uitspraak van de rechtbank bekrachtigd voor zover dat de echtscheiding betreft en voorts heeft het gerechtshof bepaald dat de man maandelijks een bedrag ad € 2.268,90 per maand aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.
Op verzoek van de vrouw heeft genoemd gerechtshof tevens bij beschikking voorlopige voorzieningen d.d. 27-03-2003 bepaald dat de man met ingang van 20-02-2003 een bedrag ad € 2.268,90 per maand aan de vrouw dient te betalen als voorlopige alimentatiebijdrage.
Gelet op het inkomen van de man enerzijds en zijn lasten anderzijds is de man niet in staat te achten een hogere bijdrage aan de vrouw te betalen. De onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is ingevolge de wettelijke bepaling in duur beperkt tot de duur van het huwelijk, zodat de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw na ommekomst van deze periode van rechtswege eindigt.”
3.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 21 maart 2006, heeft de vrouw verzocht bij beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de termijn van de alimentatieverplichting van de man te verlengen met 8 jaar, 10 maanden en 12 dagen, dan wel met een zodanige termijn als de rechtbank juist acht met bepaling dat deze termijn kan worden verlengd. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank vastgesteld dat de bij de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 februari 2003 aan de man opgelegde alimentatieverplichting zal voortduren gedurende vijf jaar te rekenen vanaf 6 juni 2006 en bepaald dat verlenging van deze termijn mogelijk is. Bij de herstelbeschikking van 13 december 2007 heeft de rechtbank de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Ten aanzien van de man
3.6 De man en de echtgenote zijn op 15 augustus 2003 gehuwd. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 2005 een kind geboren. Blijkens de beschikking van 18 februari 2003 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bedroeg het belastbaar loon van de man in 2000 f 115.317,-, in 2001 f 189.096,- en in 2002 € 88.215,- (f 194.000,-).
3.7 De man heeft vanaf 6 juni 2006 geen alimentatie meer betaald aan de vrouw.
Ten aanzien van de vrouw
3.7 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1959, is alleenstaand. De vrouw is sinds 15 april 2004 werkzaam als verkoopster in een bijouteriewinkel op basis van 20 uur per week. Haar aanvangssalaris bedroeg € 683,80 bruto per maand. Haar inkomen bedroeg volgens de jaaropgaaf 2006 € 10.051,- belastbaar in dat jaar. Blijkens de loonspecificatie van januari 2007 bedraagt het salaris thans € 689,20 bruto per maand, te vermeerderen met de vergoeding van de werkgever van de inkomensafhankelijk bijdrage ZVW van € 51,69 bruto per maand en vakantiegeld.
3.8 De vrouw heeft een eigen woning die belast is met een hypothecaire lening van € 190.000,-.
4 De motivering van de beslissing
4.1 Het hof is met de vrouw van oordeel dat de echtgenote in dit geval niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Artikel 798 Rv bepaalt dat onder belanghebbende in zaken betreffende het personen- en familierecht niet betreffende scheidingszaken wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Dat de echtgenote zich emotioneel betrokken voelt bij deze procedure tussen de man en de vrouw en dat zij de financiële gevolgen van de beslissing in deze zaak mede ervaart, maakt niet dat deze zaak rechtstreeks op haar rechten of verplichtingen betrekking heeft. Daarom zal het hof de echtgenote niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek in hoger beroep.
4.2 De vrouw heeft bij inleidend verzoek verlenging van de termijn van de alimentatieverplichting verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen op grond van artikel 1:157 lid 6 juncto lid 5 BW. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 4 mei 2007, LJN BA0038, beslist dat ingevolge artikel 1:166 BW de duur van een eerste huwelijk van dezelfde partijen meetelt bij de duur van een huwelijk als bedoeld in artikel 1:157 lid 6 BW. Toepassing van deze beslissing op het onderhavige geval zou betekenen dat het huwelijk van partijen langer heeft geduurd dan 5 jaren zodat artikel 1:157 lid 4 BW van toepassing zou zijn. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich schriftelijk uit te laten over de eventuele gevolgen van deze beslissing van de Hoge Raad voor hun zaak. Partijen kunnen voorts hun stellingen en standpunten desgewenst aanpassen. Het zal de vrouw vragen dit eerst te doen zodat de man hierop kan reageren. Vervolgens zal het hof een beschikking geven op een nader aan partijen op te geven termijn dan wel een mondelinge behandeling gelasten. Iedere verdere beslissing zal het hof aanhouden.
5 De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
verklaart de echtgenote niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;
verzoekt partijen zich schriftelijk aan het hof -met kopie aan de wederpartij- uit te laten zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen, de vrouw uiterlijk op 3 juli 2007 en de man op 31 juli 2007;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Mens, Van Gelder en Ernes en is op 5 juni 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.