Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0189

Datum uitspraak2007-12-13
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers07/671, 07/672, 07/673 WRO K1
Statusgepubliceerd


Indicatie

De gemeente Maasgouw (voorheen gemeente Maasbracht) heeft het plan ontwikkeld om een segment van de voormalige vestingwerken te Stevensweert te reconstrueren (verder ook: het plan). Een deel van het plan is in strijd met de ter plaatse vigerende bestemmingen, reden waarom verweerder, nadat de bevoegdheid daartoe door de gemeenteraad aan hem was gedelegeerd, heeft besloten om vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan “Oude Kern Stevensweert”. Het plan is daartoe op 30 oktober 2003 ter inzage gelegd.


Uitspraak

RECHTBANK Roermond meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr.: 07 / 671 en 07 / 672 en 07 / 673 WRO K1 Inzake: [Eiser 1], wonende te [woonplaats] en [eisers 2], wonende te [woonplaats] en [eisers 3], wonende te [woonplaats], eisers, tegen: het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasgouw, gevestigd te Maasbracht, verweerder. Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 20 maart 2007, kenmerk: ROER/RaF/402709. Datum van behandeling ter zitting: 1 november 2007. I. PROCESVERLOOP Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft verweerder met toepassing van artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend van het bestemmingsplan “Oude Kern Stevensweert”. Hiertegen zijn door [eiser 1] (hierna: eiser 1), [eisers 2] (hierna: eisers 2) en [eisers 3] (hierna: eisers 3) bezwaarschriften ingediend en na ongegrondverklaring van de bezwaren hebben zij beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij uitspraak van 16 maart 2006 heeft de rechtbank de beroepen van eisers gegrond verklaard, de door hen bestreden besluiten vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw diende te beslissen op de bezwaren van eisers. Bij besluit van 13 maart 2007 (verder: het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Tegen dat laatste besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan mr. W.K.J. van Santen (gemachtigde van eiser 1), eisers 2 en mr. L.M.A. Schrieder (gemachtigde van eisers 3) gezonden. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 1 november 2007, waar eiser 1 en eisers 3 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden mr. Van Santen en mr. Schrieder voornoemd, en waar eisers 2 in persoon zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.M.J.G. Neelis en drs. M.H.C. Peeters, beiden werkzaam bij Tonnaer Adviseurs in Omgevingsrecht BV, en door de heer B. Taken van Taken Landschapsarchitectuur en Ecologie. II. OVERWEGINGEN De feiten De gemeente Maasgouw (voorheen gemeente Maasbracht) heeft het plan ontwikkeld om een segment van de voormalige vestingwerken te Stevensweert te reconstrueren (verder ook: het plan). Een deel van het plan is in strijd met de ter plaatse vigerende bestemmingen, reden waarom verweerder, nadat de bevoegdheid daartoe door de gemeenteraad aan hem was gedelegeerd, heeft besloten om vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan “Oude Kern Stevensweert”. Het plan is daartoe op 30 oktober 2003 ter inzage gelegd. Eiser 1 woont aan [adres 1]. Eisers 2 wonen aan de [adres 2]. Eisers 3 wonen aan de [adres 3]. Het gebied waarop de vrijstelling ziet, wordt aan de zuidzijde begrensd door de Singelstraat Noord en aan de oostzijde door Bastion Holland. Gedurende de termijn van de terinzagelegging hebben eisers zienswijzen ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder besloten dat de zienswijzen van eisers niet tot gewijzigde inzichten leidden en dat voorts een verklaring van geen bezwaar zou worden aangevraagd bij Gedeputeerde Staten (GS). Die verklaring is op 27 juli 2004 verleend. Op 5 oktober 2004 nam verweerder het primaire besluit tot verlening van vrijstelling. Nadat de commissie bezwaarschriften van verweerders gemeente advies had uitgebracht, heeft verweerder bij besluiten van 24 mei 2005 de bezwaren van eisers onder nadere motivering ongegrond verklaard. Naar aanleiding van de daartegen door eisers ingestelde beroepen heeft deze rechtbank bij uitspraak van 16 maart 2006 geoordeeld dat het door de gemeenteraad van verweerders gemeente in verband met artikel 19, vierde lid, van de WRO genomen voorbereidingsbesluit ten tijde van de besluiten van 25 mei 2005 was vervallen. De beroepen zijn om die reden gegrond verklaard. Op 16 februari 2006 en op 15 februari 2007 heeft de gemeenteraad opnieuw voorbereidingsbesluiten genomen. Nadat de commissie bezwaarschriften andermaal advies had uitgebracht, heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen, waarbij de bezwaren van eisers onder aanvulling van de motivering ongegrond zijn verklaard. Daartegen hebben eisers beroep ingesteld. In het verweerschrift heeft verweerder de beroepsgronden van eisers gemotiveerd weersproken. De beoordeling Ontvankelijkheid van deze beroepen De rechtbank overweegt allereerst dat eisers ontvankelijk zijn in de door en namens hen ingestelde beroepen. Hoewel uit artikel 49, vijfde lid van de Woningwet volgt dat in een geval, waarin ten behoeve van een project wel vrijstelling maar nog geen bouwvergunning is verleend, pas tegen de vrijstelling kan worden opgekomen wanneer de bouwvergunning is verleend, is zulks in het onderhavige geval niet aan de orde nu de beroepsgronden van eisers zich niet richten op bouwvergunningplichtige activiteiten. Vervolgens ligt voor ter beantwoording de vraag of verweerder bevoegd was om het onderhavige vrijstellingsbesluit te nemen. Daartoe wordt als volgt overwogen. Vrijstelling of bestemmingsplanprocedure? Namens eisers 1 en 3 is betoogd dat verweerder ten onrechte heeft gekozen voor een vrijstellingsprocedure in plaats van de met meer waarborgen omklede bestemmingsplanprocedure. Dit betoog slaagt niet. Zoals de ABRS in haar uitspraak van 7 december 2005 (LJN AU7569) heeft overwogen, staat het verweerder vrij om toepassing te geven aan de in artikel 19 WRO neergelegde -en los van de bestemmingsplanprocedure toepasbare- zelfstandige projectprocedure, indien aan de wettelijke vereisten van dat artikel wordt voldaan. Een nadere motivering van die keuze is niet vereist. De omvang van een project, de mate waarop inbreuk wordt gemaakt op het bestaande planologische regime of het feit dat het bestemmingsplan ouder dan tien jaar is en er niet daadwerkelijk een bestemmingsplan in voorbereiding is, brengen -anders dan eisers menen- niet met zich dat dient te worden gekozen voor een bestemmingsplanprocedure. Voor zover eisers hebben beoogd te stellen dat verweerder ten onrechte heeft volstaan met het nemen van ‘lege’ voorbereidingsbesluiten enkel ten behoeve van de te verlenen vrijstelling, wordt die stelling niet gevolgd. Vaste jurisprudentie van de ABRS is immers, dat de tekst noch de wetsgeschiedenis van artikel 19 WRO aanleiding geven om naast de eisen die ingevolge artikel 19, eerste lid en artikel 19a, eerste lid van de WRO gelden, als voorwaarde te stellen dat bij het verlenen van de vrijstelling het nieuwe bestemmingsplan feitelijk in voorbereiding is (zie bijvoorbeeld ABRS 8 februari 2006, LJN AV1242 en ABRS 17 december 2003, AO0358). Goede ruimtelijke onderbouwing Het antwoord op de vraag naar de bevoegdheid van verweerder is verder gelegen in het oordeel of voldaan is aan het wettelijk vereiste van een goede ruimtelijke onderbouwing. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied. Aan de ruimtelijke onderbouwing dienen naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) zwaardere eisen te worden gesteld naarmate de inbreuk op het planologisch regime groter is. Verweerder heeft door Taken Landschapsplanning een ruimtelijke onderbouwing doen opstellen, waarin uiteengezet is dat het plangebied voor het overgrote deel de bestemming ‘recreatief gebied met historische waarde’ heeft. Voor wat betreft dat gedeelte is het plan mitsdien in overeenstemming met de vigerende bestemming. De vrijstelling ziet dan ook met name op de randen van het plangebied, en daarnaast op een relatief grotere hoek die thans is bestemd als ‘sportterreinen’. Het betreft verder de bestemmingen ‘bijzondere doeleinden’, ‘openbaar groen’, ‘tuin’, ‘achtertuin I’, ‘eengezinshuizen’ en ‘verkeersdoeleinden’. In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat deze versnippering van bestemmingen aan de randen van het plangebied is veroorzaakt door een eerdere bestemmingsplanwijziging, waarbij stedelijke bestemmingen zijn geprojecteerd op delen van de geslechte verdedigingswerken. Vrijstelling van die planonderdelen is volgens de ruimtelijke onderbouwing vereist, om de vestingwerken aan de randen op een bevredigende wijze aan te laten sluiten op de bestaande stadsrand. Nu mitsdien een groot gedeelte van het plangebied reeds voorziet in recreatieve doeleinden met historische waarde, terwijl voorts het betrekken bij het plan van die -relatief kleinere- gebieden waarop die bestemming niet (meer) rust, kennelijk benodigd is om het plan op adequate en verantwoorde wijze uit te voeren, is de rechtbank van oordeel dat voldoende onderbouwd is dat er een relatie bestaat met het geldende bestemmingsplan. In de ruimtelijke onderbouwing (alsmede in het als aanvullingen daarop te beschouwen grondmechanisch onderzoek van 22 april 2005, het natuurwaardenonderzoek van 7 oktober 2004 en het verkeersrapport van 12 juli 2006) is voorts aandacht besteed aan een groot aantal relevante aspecten zoals luchtkwaliteit, archeologie, waterhuishouding, flora en fauna, bodemkwaliteit en de inpasbaarheid van het plan in de omgeving, zulks ook in relatie tot het gegeven dat het plangebied deel uitmaakt van een als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied. Dat gegeven heeft in het bestemmingsplan zijn uitwerking gekregen doordat in de bestemmingsdoeleinden van alle betrokken bestemmingen het criterium “met behoud van en/of in overeenstemming met de karakteristiek en de schoonheid van het stadsbeeld” is opgenomen. In de ruimtelijke onderbouwing is gemotiveerd dat met reconstructie van de vestingwerken aan dit criterium wordt voldaan, nu de vestingwerken een getrouwe kopie vormen van de oorspronkelijke vestingwerken. Gelet op het voorgaande voldoet de ruimtelijke onderbouwing aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. Aan dit bevoegdheidsvereiste is derhalve voldaan. Verklaring van geen bezwaar ten onrechte verleend? Het betoog van eisers, inhoudende dat GS de Rijksdienst voor de RMZ (verder: de RMZ) ten onrechte niet bij de door hen gemaakte belangenafweging hebben betrokken, wordt niet gevolgd. In de voorbereiding van het bestreden besluit heeft verweerder GS verzocht om nadere informatie. GS hebben daarop bij schrijven van 20 april 2006 laten weten dat zij na uitgebreid dossieronderzoek, navraag bij hun afdeling Cultuurhistorie en met inachtneming van hetgeen door de RMZ naar voren is gebracht, geen reden zien om hun standpunt ten aanzien van de eerder verleende verklaring van geen bezwaar te herzien. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel, dat de verklaring van geen bezwaar ten onrechte is verleend. De conclusie moet luiden dat verweerder bevoegd was om het onderhavige vrijstellingsbesluit te nemen. Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of verweerder alle betrokken belangen in kaart heeft gebracht en afgewogen, en of zulks is geschied op een wijze die de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De aan verweerder toekomende bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling is discretionair, hetgeen betekent dat dient te worden gerespecteerd dat verweerder in beginsel over een zekere mate van vrijheid beschikt om naar eigen inzicht en goeddunken uitvoering te geven aan die bevoegdheid. De beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen is derhalve afhankelijk van de inzichten die bij verweerder bestaan over de gewenste planologische ontwikkelingen in het desbetreffende gebied. De door de rechtbank uit te voeren toetsing zal zich om die reden dienen te beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot de verlening van de vrijstelling is kunnen komen. Verder is bij de aan te leggen toets van belang of verweerder met het nemen van het bestreden besluit in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Eisers hebben ten aanzien van de belangenafweging meerdere beroepsgronden naar voren gebracht, die in grote lijnen met elkaar overeenkomen. Ter behandeling ervan zal de rechtbank de beroepsgronden van alle eisers dan ook samenvatten en ze hieronder gezamenlijk bespreken. Aantasting van het woon- en leefklimaat Volgens eisers zal de aanleg van de vestingwerken leiden tot privacyverlies, nu met de aanleg van een hoge aarden wal waarin het plan voorziet, personen vanaf die wal in de woningen van eisers zullen kunnen kijken. Verweerder heeft aangegeven dat de aarden wal zal worden afgesloten voor het publiek, zodat niet aannemelijk is dat eisers enig privacyverlies zullen lijden ten gevolge van de aanleg van die wal. Verder kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet worden gezegd dat met het plan sprake is van een zodanige afname van uitzicht, bezonning of lichtinval, dat daarmee moet worden vastgesteld dat verweerder het belang van eisers hieromtrent onvoldoende of op onredelijke wijze heeft gewogen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de hoogte van de aarden wal, in combinatie met de ligging ervan ten opzichte van de woningen en (toekomstige) tuinen van eisers, niet zodanig is dat daarvan een onredelijke uitzicht-, bezonnings- en/of daglichtafname te verwachten valt. Naar aanleiding van het besluit van verweerder om het achter de woningen van eisers gelegen walpad ten behoeve van de bouw van de vestingwerken aan het openbaar verkeer te onttrekken, is reeds eerder (in 2005) een bezwaar- en beroepsprocedure gevoerd. Die procedure heeft geleid tot een uitspraak van deze rechtbank en daartegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat de uitspraak in rechte onaantastbaar is geworden. De argumenten die eisers 2 en 3 met betrekking tot de onttrekking van het walpad naar voren hebben gebracht, kunnen in deze procedure mitsdien geen rol meer spelen. Eisers 2 hebben aangevoerd dat zij vrezen overlast te zullen ondervinden van de aanleg- en bouwwerkzaamheden. De rechtbank volstaat ten aanzien van deze beroepsgrond met de vermelding dat een beoordeling omtrent eventuele door werkzaamheden ter uitvoering van het plan te verwachten overlast niet aan de orde is in deze procedure, die immers handelt over de ruimtelijke effecten van de vrijstelling op het betrokken gebied. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder, voor zover eisers hun huidige parkeergelegenheid ten gevolge van de reconstructie van de vestingwerken zullen verliezen, zulks voldoende heeft gecompenseerd door hen een binnen de vestingwerken gelegen -al dan niet overdekte- vervangende parkeerplaats aan te bieden. De rechtbank ziet voorts niet in hoe de omstandigheid dat eisers 3 hebben aangevoerd allergisch te zijn voor gras, met zich zou brengen dat verweerder hun belangen hieromtrent onvoldoende of onjuist heeft gewogen. Hoewel de aarden wal volgens het plan geheel zal worden bedekt met gras, is op luchtfoto’s zichtbaar dat het gebied waarop de vestingwerken zijn voorzien, thans geheel bestaat uit weilanden en dus volledig is bedekt met gras. Die weilanden zullen, wanneer de vestingwerken zijn gerealiseerd, verdwijnen en de hoeveelheid gras zal daarmee alleen maar afnemen. Draagvlak Eisers hebben voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een enquête die door eisers 2 is gehouden onder 288 personen, die allen in de buurt van het gebied waar de vestingwerken zijn voorzien, wonen. 270 Bewoners hebben zich volgens eisers bij die enquête tegenstander verklaard van de vestingwerken. Verder hebben eisers betoogd dat verweerder een referendum had moeten houden om het draagvlak voor de vestingwerken te peilen. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Naar aanleiding van het voornemen om de vestingwerken te reconstrueren heeft verweerder een besluitvormingsprocedure in gang gezet, waarbij alle belanghebbenden in de gelegenheid zijn geweest om zienswijzen en bezwaren tegen het plan in te dienen. Behalve eisers (en enkele anderen, die echter geen beroep hebben ingesteld) hebben daarvan geen andere belanghebbenden gebruik gemaakt. Aldus heeft verweerder afdoende gelegenheid geboden aan alle belanghebbende personen om in de besluitvorming te worden betrokken. Voor de stelling dat verweerder buiten deze besluitvormingsprocedure om nog rekening had dienen te houden met de door eisers 2 gehouden enquête, of voor de stelling dat er een referendum had dienen te worden georganiseerd, bestaat derhalve geen grond. Monumentenzorg Namens de directeur van de (voormalige) RMZ is aan verweerder op enig moment schriftelijk kennis gegeven van het feit dat de RMZ niet positief stond tegenover het plan om de vestingwerken te reconstrueren. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd waarom hij voorbij is gegaan aan deze visie van de RMZ. Naar dezerzijds oordeel heeft verweerder op verschillende momenten duidelijk weergegeven waarom hij de opvatting van de RMZ niet deelt. De rechtbank wijst hiertoe onder meer op het rapport van Architectenbureau Dorrepaal, dat in opdracht van verweerder is opgesteld en waarin uitvoerig is ingegaan op het standpunt van de RMZ. Verder heeft verweerder de RMZ naar aanleiding van de brief, waarin genoemd standpunt aan verweerder werd medegedeeld, laten weten dat voor hem de weg van bezwaar openstond. Daarvan is geen gebruik gemaakt. Financiële haalbaarheid Door eisers is betwist dat realisering van de vestingwerken in financieel opzicht haalbaar is en het plan is op dat punt volgens hen onvoldoende onderbouwd. Daartoe hebben eisers verwezen naar een rapport dat door de rekenkamercommissie van verweerders gemeente is opgemaakt en waarin dat standpunt ondubbelzinnig naar voren komt. Ter zitting heeft verweerder gemeld dat de subsidies die hij ten behoeve het plan van diverse zijden ontvangt, tot 2009 zijn veiliggesteld. Gelet hierop en gelet op het feit dat verweerder(s gemeente) grote waarde hecht aan realisering van de vestingwerken, gaat de rechtbank er vanuit dat de benodigde financiën daarvoor aanwezig zullen zijn. Fijnstofonderzoek Eisers hebben opgeworpen dat ten gevolge van de aantrekkende werking die van de vestingwerken zal uitgaan, het botenverkeer zal toenemen. In het door verweerder uitgevoerde fijnstofonderzoek is die omstandigheid ten onrechte niet meegenomen, aldus eisers. Desgevraagd is namens verweerder ter zitting toegelicht waarom een toename van het botenverkeer niet te verwachten valt. De ligplaatsen in de nabij het plangebied gevestigde haven zijn alle vergeven en er is geen ruimte voor nieuwe boten. De rechtbank is dan ook van oordeel verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom in het fijnstofonderzoek geen rekening met een toename van het botenverkeer behoefde te worden gehouden. Flora en fauna Ten aanzien van de stelling van eisers, dat bepaalde diersoorten in hun voortbestaan zullen worden bedreigd indien het plan doorgang vindt, wordt het volgende overwogen. Verweerder heeft voor de soorten die op grond van de Flora- en faunawet voor bescherming in aanmerking komen, een ontheffing ingevolge die wet aangevraagd. Deze aanvraag is echter, naar verweerder stelt, op verzoek van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij weer ingetrokken, bij welk verzoek aan verweerder is medegedeeld dat een ontheffing niet noodzakelijk was nu zich op de locatie van de vestingwerken geen soorten bevinden die onder bescherming van die wet vallen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, in aanmerking genomen het verrichte natuurwaardenonderzoek in het kader van de ruimtelijke onderbouwing, met dit door eisers naar voren gebrachte belang dan ook voldoende rekening gehouden. Het bovenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. Hetgeen voor het overige door of namens eisers naar voren is gebracht, maakt dit oordeel niet anders. De beroepen zullen derhalve ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De rechtbank Roermond: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus gedaan door mrs. Th.M. Schelfhout , E.B.A. Ferwerda en J.M.H. Rijken-Lie (voorzitter), in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2007. Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier: Verzonden op: 13 december 2007. MV Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.