Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0188

Datum uitspraak2007-12-12
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/4028 WAO, 05/4029 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schatting. Belastbaarheid. Vernietiging besluit omdat dit besluit niet is voorzien van een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.


Uitspraak

05/4028 WAO, 05/4029 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 19 mei 2005, 04/3233 en 04/3234 (hierna: de aangevallen uitspraken), in de gedingen tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 12 december 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden. II. OVERWEGINGEN Appellante heeft op 29 oktober 2002 haar werkzaamheden in de functie van voorvrouw haringbedrijf gestaakt vanwege klachten aan de linkerarm, -schouder en -nek. Bij besluit van 10 februari 2004 is aan appellante met ingang van 28 oktober een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Aan dit besluit ligt onderzoek van de verzekeringsarts en van de arbeidsdeskundige ten grondslag. Op 4 mei 2004 heeft appellante zich ziekgemeld in verband met klachten aan de linkerarm, -schouder en -nek alsmede lage-rugklachten. Op basis van onderzoek van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 19 mei 2004 met ingang van die datum een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd. Bij besluit van 4 oktober 2004 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 19 mei 2004 ongegrond verklaard. Bij besluit van 14 oktober 2004 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2004 eveneens ongegrond verklaard. De tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen zijn bij de aangevallen uitspraken ongegrond verklaard. Appellante heeft zich gekeerd tegen de medische grondslag van de bestreden besluiten en een rapportage van het Instituut Psychosofia ingediend. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd. Met betrekking tot de medische grondslag van bestreden besluit 2 overweegt de Raad dat de verzekeringsarts appellante in staat heeft geacht te functioneren in fysiek minder belastend werk in een stress-arme omgeving en beperkingen heeft gesteld op de Functionele-mogelijkhedenlijst (FML). De verzekeringsarts heeft de schouderklachten als geobjectiveerd aangemerkt en - onder meer - in verband met die klachten beperkingen aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft informatie van de behandelend revalidatiearts in zijn beschouwing betrokken, alsmede de overige informatie van behandelaars, waaronder brieven van de Oefentherapeut Cesar. Volgens de bezwaarverzekeringsarts komen uit deze informatie geen nieuwe stoornissen of beperkingen naar voren met betrekking tot de situatie van appelante op 28 oktober 2003. De bezwaarverzekeringsarts is niet gebleken dat de FML de beperkingen van appellante onjuist of onvolledig zou weergeven. Hij heeft geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn van het standpunt van de verzekeringsarts af te wijken. Ten aanzien van de algemene klachten over de onderzoeksmethoden van verzekeringsartsen en de wijze van toetsing daarvan door de bestuursrechter, die de gemachtigde van appellante ook in andere procedures heeft aangevoerd, verwijst de Raad naar zijn ter zake gevormde jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2005 (LJN: AT9828). De Raad verenigt zich met de medische grondslag van bestreden besluit 2. Gelet op het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts faalt de stelling van appellante dat de symptomen van RSI onvoldoende in kaart zijn gebracht. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts zorgvuldig geweest. Appellante heeft gesteld dat het effect van de Cesar-therapie onderbelicht is gebleven. De Raad constateert dat informatie van de oefentherapeut Cesar en van de revalidatiearts in het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zijn betrokken. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan diens conclusie dat de medische informatie niet tot het stellen van verdere beperkingen leidt. Ook ziet de Raad geen grond voor aanvaarding van het ter zitting door appellante ingenomen standpunt dat nogmaals informatie van de revalidatiearts had moeten worden ingewonnen na afloop van de behandeling. De bezwaarverzekeringsarts heeft gemotiveerd aangegeven dat door de behandelend sector voldoende informatie is verschaft om tot vaststelling van de belastbaarheid te komen. De Raad kan zich in die motivering vinden. Niet is gebleken dat na afloop van de behandeling sprake zou zijn geweest van gegevens die nieuw licht werpen op de medische toestand van appellante per 28 oktober 2003. De in de rapporten van Instituut Psychosofia naar voren gebrachte argumenten leiden niet tot een ander oordeel. Ten aanzien van de met de beoordeling van de medische grondslag sterk verweven vraag of de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn, stelt de Raad vast dat de arbeidsdeskundige functies heeft geselecteerd aan de hand van (de eerste versie van) het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). In bezwaar heeft de arbeidskundige toegelicht dat - in overleg met de verzekeringsarts - deeltijdfuncties zijn geselecteerd omdat, enerzijds, de belasting in de functies wel acceptabel was voor appellante maar, anderzijds, appellante die functies niet gedurende acht uur per dag kon verrichten. Voorts heeft de arbeidskundige aangegeven dat geen beperkingen zijn gesteld op niet-matchende items en dat de functie medewerker tuinbouw op het onderdeel frequent reiken geschikt is voor appellante. Desgevraagd heeft de bezwaararbeidskundige in hoger beroep aangegeven dat in de “Notities functiebelasting” niet alle geselecteerde functies zijn toegelicht. Daarbij heeft de bezwaararbeidsdeskundige - aangezien het niet meer mogelijk was een uitdraai te maken van de door het CBBS gepresenteerde signaleringen - een overzicht ingediend van alle in de geselecteerde functies voorkomende belastingpunten en aangegeven op welke van de (k)FML-items die punten betrekking hebben. Ter zitting heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat een nadere toelichting van de geschiktheid van de functies niet nodig was. De Raad overweegt dat het Uwv geen inzicht heeft gegeven in de door het CBBS gepresenteerde signaleringen, terwijl niet op voorhand onaannemelijk is dat enige signalering is opgetreden. De Raad wijst erop dat op de FML diverse beperkingen zijn gesteld, onder meer met betrekking tot dynamische handelingen als hand- en vingergebruik en frequent reiken en met betrekking tot statische houdingen als geknield en boven schouderhoogte actief zijn, terwijl uit het Resultaat functiebelasting blijkt dat de belasting op de betreffende onderdelen van de geselecteerde functies geenszins te verwaarlozen is. Naar het oordeel van de Raad is het (vóór 1 juli 2005 genomen) bestreden besluit 2 derhalve niet voorzien van een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering als bedoeld in ’s Raads uitspraken van 9 november 2004 (LJN: AR4716 e.a.) en 12 oktober 2006 (LJN: AY9971 e.a.). Naar aanleiding van de ziekmelding van 4 mei 2004 heeft onderzoek van de verzekeringsarts plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft appellante in staat geacht de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich in zijn rapportage van 4 oktober 2004 verenigd met de conclusies van de verzekeringsarts. Uit hetgeen de Raad hiervoor met betrekking tot de WAO-beoordeling heeft overwogen, volgt dat niet vaststaat dat tenminste één van de in dat kader geselecteerde functies geschikt is voor appellante. Derhalve berust ook bestreden besluit 1 op een ontoereikende motivering. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden besluiten, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), alsmede de aangevallen uitspraken voor vernietiging in aanmerking komen. Het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de geleden renteschade. Het Uwv zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden. Appellante heeft verzocht te bepalen dat het Uwv de door appellante gemaakte kosten van de behandeling van het bezwaar vergoedt. De Raad stelt vast dat thans niet is voldaan aan de vereisten voor toewijzing van dit verzoek. Het Uwv zal bij het nieuw te nemen besluit (opnieuw) moeten bezien of aanleiding bestaat de door appellante gemaakte kosten van de behandeling van het bezwaar te vergoeden. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.288,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 1.288,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.576,-. Met betrekking tot de proceskostenveroordeling overweegt de Raad voorts dat de gemachtigde tevens heeft verzocht om vergoeding van de kosten van de ingebrachte rapporten van het Instituut Psychosofia. De Raad wijst dit verzoek af onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 april 2005 (LJN: AT4323). De Raad is voorts niet gebleken dat in de (hoger-)beroepsprocedure kosten zijn gemaakt voor het opvragen van inlichtingen bij de behandelend sector. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraken; Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond en vernietigt die besluiten; Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.576,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 280,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007. (get.) Ch. van Voorst. (get.) J. Verrips. JL