Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0181

Datum uitspraak2007-10-25
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200700356
Statusgepubliceerd


Indicatie

De vrouw verzoekt voor het eerst in hoger beroep om een kinderbijdrage, terwijl in eerste aanleg geen verweer is gevoerd door de vrouw en in hoger beroep niet tegen de inhoudelijke beslissingen van de rechtbank wordt opgekomen. De vrouw is ontvankelijk in bedoeld verzoek tot het treffen van een nevenvoorziening, voor het eerst in hoger beroep (HR 23-2-01, NJ 2001, 237)


Uitspraak

25 oktober 2007 Sector Civiel recht Rekestnummer R200700356 Zaaknummer eerste aanleg 142553/ FA RK 06-1776 GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Beschikking in de zaak in hoger beroep van: [X.], wonende te [woonplaats], appellante, hierna: de vrouw, procureur: mr. A.T.L. van Zandvoort, t e g e n [Y.], domicilie gekozen hebbende te [domicilieplaats], geïntimeerde, hierna: de man, procureur: mr. A.H.J. Barten. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 juli 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 5 april 2007, heeft de vrouw verzocht voornoemde beschikking te vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen vast te stellen op een bedrag van € 140,- per kind per maand, onder bepaling dat de ingangsdatum zal zijn de datum waarop het appelschrift bij het hof is ingediend. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 5 juni 2007, heeft de man verzocht (primair) de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep en (subsidiair) de grief van de vrouw ongegrond te verklaren en haar verzoek om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op een bedrag van € 140,- per kind per maand af te wijzen. 2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift; - de brief met bijlagen van de procureur van de vrouw van 8 augustus 2007; - de brief met bijlagen van de procureur van de man van 12 september 2007. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 september 2007. Bij die gelegenheid is gehoord: - de vrouw, bijgestaan door mr. Van Zandvoort; - mr. Barten, namens de man. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de man niet ter zitting verschenen. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. Partijen zijn op 25 augustus 1988 te Turkije met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 juli 2006 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding was ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren: - [A.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar]; - [B.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar]; - [C.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar], over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. 4.3. De vrouw heeft verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en daarmee een zogenaamd vol appel ingesteld. Nu de vrouw geen grieven heeft gericht tegen de uitgesproken echtscheiding, de getroffen nevenvoorzieningen en de proceskostencompensatie, zal de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep 4.4. Nu de vrouw, bij gebreke van een (tijdig) ingediend verweerschrift, in eerste aanleg niet heeft verzocht om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van bovengenoemde kinderen vastgesteld. Thans verzoekt de vrouw het hof alsnog een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen. Ontvankelijkheid 4.5. De man heeft aangevoerd dat het verzoek tot echtscheiding aan de vrouw in persoon is betekend en dat eind 2003 tussen partijen eveneens een echtscheidingsprocedure is gevoerd, waarbij de vrouw wel een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen heeft verzocht, zodat zij bekend is met de problematiek. Gelet op het voorgaande mocht de man concluderen dat de vrouw in de onderhavige procedure nadrukkelijk en welover- wogen heeft afgezien van het verzoeken van een bijdrage. Nu de vrouw in haar appelschrift niet heeft aangegeven waarom zij in eerste aanleg heeft afgezien van een bijdrage en zij evenmin heeft gesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die haar beroep rechtvaardigt, is zij thans niet ontvankelijk in haar hoger beroep, aldus de man. De vrouw heeft aangevoerd dat zij wel degelijk ontvankelijk is in haar beroep, reeds nu in het onderhavige geval sprake is van twee instanties (rechtbank en hof) die de zaak volledig inhoudelijk behandelen. 4.6. Het hof stelt vast dat het in casu gaat om de vraag of het verzoek van de vrouw tot het treffen van een nevenvoorziening in de zin van art. 827 Rv voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan, ook indien in eerste aanleg geen verweer is gevoerd en in hoger beroep voor het overige niet tegen de inhoudelijke beslissingen van de rechtbank wordt opgekomen. Op grond van de geldende jurisprudentie beantwoordt het hof die vraag bevestigend. De schrapping van het tot 1 april 1995 geldende tweede lid van art. 827 Rv had blijkens de wetsgeschiedenis ten doel de mogelijkheid te openen dat verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen in de zin van dit artikel ook eerst in de loop van de procedure, en zelfs in hoger beroep gedaan zouden kunnen worden (HR 7 april 2000, NJ 2000, 377). Er bestaat geen grond die mogelijkheid te beperken tot het geval dat tussen partijen in hoger beroep een geschil bestaat over enige door de rechter in eerste aanleg gegeven beslissing (HR 23 februari 2001, NJ 2001, 237). De vrouw kan derhalve in haar verzoek worden ontvangen. Ingangsdatum wijziging 4.7. Tussen partijen staat vast, dat een (eventuele) betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen moet ingaan op de datum van indiening van het appelschrift, dat is 5 april 2007. Behoefte 4.8. De behoefte van de kinderen aan de verzochte bijdrage is in hoger beroep niet in geschil. Draagkracht 4.9. Het hof overweegt dat de man heeft gesteld dat het hem aan draagkracht ontbreekt, maar dat de man deze stelling niet nader heeft onderbouwd met financiële bescheiden. De door de man overgelegde financiële stukken uit 2003 en 2004 acht het hof daartoe namelijk volstrekt onvoldoende alsook onvolledig. Daarnaast is ter zitting gesteld dat de vrouw niet op de hoogte was van de door de man tijdens het huwelijk aangegane - ook al in een eerdere procedure - opgevoerde leningen, nu partijen feitelijk al uit elkaar waren bij het aangaan van deze leningen. Het hof heeft moeten constateren dat van de zijde man geen enkel recent financieel stuk in het geding is gebracht, hetgeen wel op zijn weg lag. Dit betekent dat het hof zich op geen enkele wijze een oordeel kan vormen over het standpunt van de man dat hij niet over draagkracht beschikt om te kunnen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen. Het hof heeft er daarom vanuit te gaan dat de man voldoende draagkracht heeft om de verzochte kinderbijdragen te kunnen voldoen. Het feit dat de man nagelaten heeft enig nader stuk in het geding te brengen, dient volledig voor zijn rekening en risico te komen. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden toegewezen. 5. De beslissing Het hof: verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voorzover dit is gericht tegen de echtscheiding, de getroffen nevenvoorzieningen en de proceskostencompensatie; wijst het verzoek van de vrouw toe; bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van: - [A.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar]; - [B.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar]; - [C.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar], zal voldoen een bedrag van € 140,- per kind per maand met ingang van 5 april 2007, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Everaars-Katerberg , en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 25 oktober 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.