Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0174

Datum uitspraak2007-11-21
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Alkmaar
Zaaknummers14/701426-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

Actievoerders dententiecentrum


Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR Parketnummers: 14.701426-07; 14.702732-07 (ttz. gev.) Datum uitspraak: 21 november 2007 OP TEGENSPRAAK VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonend [adres 1]. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 juni 2007 en 7 november 2007. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, die er toe strekt dat de rechtbank - alle ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren; - de verdachte deswege zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis; - omtrent de op de beslaglijst voorkomende voorwerpen de volgende beslissingen zal geven: in de zaak met parketnummer 14.701426-07: nummer 3 verbeurd verklaren, nummer 5 onttrokken aan het verkeer verklaren, nummer 4 bewaren ten behoeve van de rechthebbende, en de nummers 1 en 2 teruggeven aan de verdachte; in de zaak met parketnummer 14.702732-07: de nummers 2 en 3 verbeurd verklaren, en de nummers 1, 4 en 5 teruggeven aan de verdachte. Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de verdachte en door mr. H.G. Kersting (advocaat te Amsterdam en raadsman van de verdachte) naar voren is gebracht. 1. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 14.701426-07 ten laste gelegd dat 1. hij/zij op of omstreeks 29 maart 2007 op een of meer verschillende tijdstippen in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een of meer (toegangs)hek(ken) en/of een gedeelte van het detentiecentrum Heerhugowaard, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan DC Noord-Holland, locatie Noorderzand, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar/zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft verdachte toen en daar tezamen met haar/zijn mededader(s) -een of meer (toegangs)hek(ken) van het detentiecentrum aan de Franklinstraat kapot geknipt en/of -zich vastgeketend aan een of meer (toegangs)hek(ken) van het detentiecentrum aan de Franklinstraat en/of -een deel van het detentiecentrum ongeschikt gemaakt voor het dagprogramma; 2. hij/zij op of omstreeks 29 maart 2007 in de gemeente Heerhugowaard opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht en/of artikel 2 van de Politiewet, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [betrokkene 1], inspecteur van politie Noord-Holland Noord, district Noord-Kennemerland, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem/haar had bevolen, althans van hem/haar had gevorderd zich te verwijderen van het dak van het detentiecentrum Heerhugowaard en/of zich los te ketenen van een/de toegangshek(ken) van het detentiecentrum Heerhugowaard, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering; 3. hij/zij op of omstreeks 29 maart 2007 in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in verenging met een of meer anderen, althans alleen, toen de aldaar dienstdoende ambtena(a)r(en) van het Detentiecentrum Heerhugowaard en/of van de Dienst Vervoer en Ondersteuning van de Dienst Justitiële Inrichtingen, door geweld en/of bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, bestaande uit het onbruikbaar maken van de/het (toegangs)hek(ken) en/of een of meer gedeeltes van het Detentiecentrum die ambtena(a)r(en) heeft gedwongen rechtmatige ambtsverrichting(en), waaronder het uitvoeren van het dagprogramma in het detentiecentrum en/of het vervoer van gedetineerden, na te laten. Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 14.702732-07 ten laste gelegd dat 1. hij/zij op of omstreeks 22 juni 2007 op één of meer tijdstippen in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk één of meer (toegangs)hek(ken) en/of een gedeelte van het Detentiecentrum (DC) Noorderzand, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan DC Noord-Holland, locatie Noorderzand, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft verdachte toen en daar tezamen met zijn/haar mededader(s), althans alleen, - één of meer (toegangs)hek(ken) van het detentiecentrum aan de Franklinstraat kapot geknipt en/of - zich vastgeketend aan één of meer (toegangs)hek(ken) van het detentiecentrum aan de Franklinstraat; 2. hij/zij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 22 juni 2007 in de gemeente Heerhugowaard opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht en/of artikel 2 van de Politiewet, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door één of meer medewerker(s) van de politie Noord-Holland Noord, district Noord-Kennemerland, die was/waren belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was/waren belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtena(a)r(en) hem/haar had(den) bevolen, althans van hem/haar had(den) gevorderd zich te verwijderen van het terrein van het detentiecentrum Heerhugowaard en/of zich los te ketenen/maken van een/de toegangshek(ken) van het detentiecentrum aan de Franklinstraat, geen gevolg gegeven aan dit/die bevel(en) of die vordering(en); 3. hij/zij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 22 juni 2007 te Heerhugowaard tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, toen de aldaar dienstdoende ambtena(a)r(en) van het Detentiecentrum Noorderzand en/of van de Dienst Vervoer en Ondersteuning van de Dienst Justitiële Inrichtingen, door geweld en/of bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, bestaande uit het onbruikbaar maken van de/het (toegangs)hek(ken) van dat Detentiecentrum, die ambtena(a)r(en) heeft gedwongen rechtmatige ambtsverrichting(en), het vervoer van gedetineerden, na te laten. 2. VRIJSPRAAK De rechtbank is van oordeel dat, zowel in de zaak met parketnummer 14.701426-07 (pleegdatum 29 maart 2007) als de zaak met parketnummer 14.702732.07 (pleegdatum 22 juni 2007) niet kan worden bewezen dat de verdachte zich - al dan niet samen met een ander of anderen - heeft schuldig gemaakt aan het dwingen van ambtenaren tot het nalaten van ambtsverrichtingen. Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende bewijs voor een zodanig rechtstreeks verband tussen de verweten gedragingen en de nagelaten verrichtingen dat dit verdachte en haar medeverdachten als dwang kan worden toegerekend. Dit geldt zowel ten aanzien van het nagelaten gedetineerdenvervoer (pleegdatum 29 maart 2007 en 22 juni 2007) als ten aanzien van het achterwege blijven van de uitvoering van het dagprogramma (pleegdatum 29 maart 2007). Ten aanzien van het gedetineerdenvervoer geldt dat onvoldoende geconcretiseerd is dat het vervoer daadwerkelijk geen doorgang heeft kunnen vinden. Ten aanzien van het dagprogramma wordt uit de stukken niet inzichtelijk tot welke beperkingen is besloten en hoe en in welke mate die beslissing is ingegeven door de in de tenlastelegging bedoelde handelingen van verdachte (en medeverdachten). Als gevolg daarvan dient verdachte in de zaak met parketnummer 14.701426-07 (pleegdatum 29 maart 2007) feit 3, en de zaak met parketnummer 14.702732.07 (pleegdatum 22 juni 2007) feit 3 te worden vrijgesproken. De vraag of het gedetineerdenvervoer en de uitvoering van het dagprogramma als ambtsverrichtingen dienen te worden beschouwd, kan daarmee in het midden blijven. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat in de zaak met parketnummer 14.702732.07 in het dossier geen bewijs voorhanden is dat de verdachte geen gevolg heeft gegeven aan een vordering van de politie. Als gevolg daarvan dient de verdachte te worden vrijgesproken van feit 2. 3. BEWIJSOVERWEGINGEN EN BESPREKING VERWEREN Pleegdatum 29 maart 2007 Op 29 maart 2007 hebben actievoerders zich in de vroege ochtenduren toegang verschaft tot het detentiecentrum Noorderzand en gedurende enige tijd het dak van het detentiecentrum bezet gehouden. Andere actievoerders hebben zich vastgeketend aan het toegangshek. Beide groepen zijn gevorderd zich te te verwijderen, maar hebben hieraan geen gevolg gegeven. Uiteindelijk zijn beide groepen door de politie – zonder dat zij zich anders dan lijdzaam hebben verzet – zowel van het dak als van het hek verwijderd. Vooral het losketenen van het hek heeft geruime tijd in beslag genomen. Verdachte en medeverdachten hebben zich beroepen op hun zwijgrecht. Uit de stukken, in het bijzonder een krantenartikel en de teksten op de in beslag genomen spandoeken, en uit het laatste woord van verdachte ter zitting, komt echter naar voren dat de actievoerders de aandacht wilden vestigen op de in hun ogen onrechtvaardige detentie gericht op uitzetting van vreemdelingen zonder verblijfstitel. Ten aanzien van feit 1 Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze stukken, teksten en laatste woord dat sprake is geweest van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen de dakbezetters en degenen die zich aan het hek hadden vastgeketend dat zij als medeplegers (feit 1) van elkaars handelingen dienen te worden beschouwd. Voorts acht de rechtbank, anders dan de verdediging, wettig en overtuigend bewezen dat het (mede)verdachten zijn geweest die het omheiningshek hebben vernield door dit open te knippen, om zich zo toegang tot het terrein en vervolgens het dak te verschaffen. Gelet op de aard van een detentiecentrum acht de rechtbank onaannemelijk dat dit gat (geruime) tijd eerder en/of door derden gemaakt zou zijn en sindsdien onopgemerkt zou zijn gebleven. Het omheiningshek heeft voorts, blijkens de door de raadsman overgelegde foto, een aanmerkelijke hoogte en is voorzien van prikkeldraad. De rechtbank kan de raadsman niet volgen in zijn stelling dat (mede)verdachten gemakkelijk over dit hek hebben kunnen klimmen. De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat het toegangshek van het Detentiecentrum onbruikbaar is gemaakt. De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachten hebben, door zich aan het toegangshek vast te ketenen, dit tijdelijk onbruikbaar gemaakt voor zijn bestemming. Onder 'onbruikbaar maken' valt ook het in zodanige staat brengen dat het niet gebruikt kan worden. Dit is ook het geval als het onbruikbaar maken van beperkte duur is en herstel in gebruik mogelijk is. De rechtbank acht niet bewezen dat (mede)verdachte(n) een deel van het detentiecentrum ongeschikt heeft (hebben) gemaakt voor het dagprogramma. Uit de stukken wordt niet inzichtelijk gemaakt welk deel van het detentiecentrum ongeschikt zou zijn gemaakt voor (welk deel van) het dagprogramma en wat het verband is met de in de tenlastelegging bedoelde handelingen van verdachte (en medeverdachten). Ten aanzien van feit 2 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering krachtens art. 2 van de Politiewet onbevoegd is gedaan omdat de Wet Openbare Manifestaties (WOM) van toepassing is. Artikel 7 van deze wet geeft de burgemeester de bevoegdheid een einde te maken aan een manifestatie. Blijkens art. 1, eerste lid van de WOM wordt onder openbare plaats verstaan: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. De rechtbank is van oordeel dat een detentiecentrum, alsmede het hek van een detentiecentrum bij uitstek niet is een plek die openstaat voor het publiek. Nu er geen sprake is van een openbare plaats, is ook Paragraaf II (artt. 2-7) Bepalingen voor openbare plaatsen niet van toepassing. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het bevel om zich van het dak van het detentiecentrum te verwijderen in strijd is met artikel 2 van het vierde protocol bij het EVRM: het recht om zich vrijelijk te verplaatsen. Dit betoog komt er op neer dat de raadsman van mening is dat iedereen op het dak van een detentiecentrum mag gaan zitten als er maar niemand lastig wordt gevallen. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Een dergelijke manifestatie is juist bedoeld om aandacht te trekken. Hiermee kan zowel binnen als buiten het detentiecentrum de orde worden verstoord. Daarmee is ook de veiligheid in het geding, zeker nu het een detentiecentrum betreft. Bovendien maakt het zitten op een dak van een ander inbreuk op de rechten van die ander. Het derde lid van genoemd artikel 2 van het vierde protocol biedt de basis om op deze gronden de bewegingsvrijheid te beperken. Op grond van het vorenstaande wordt het verweer in beide varianten verworpen. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen zich te verwijderen konden worden gebaseerd op artikel 2 van de Politiewet en bevoegd zijn gegeven. Ten aanzien van feit 1 en feit 2 Ten aanzien van beide feiten heeft de verdediging betoogd dat de materiële wederrechtelijkheid zou ontbreken, subsidiair dat sprake is geweest van overmacht (als noodtoestand). In de visie van de verdediging dient verdachte op een van deze gronden te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft verwezen naar bovengenoemde ideële motieven van verdachte en gesteld dat verdachte geen ander middel had om het gestelde doel te bereiken. De rechtbank verwerpt dit verweer in beide onderdelen. Verdachte stonden andere middelen ten dienste om de maatschappelijke aandacht te vestigen op wetgeving en uitvoeringspraktijk ten aanzien van vreemdelingen zonder verblijfstitel. Niet valt in te zien dat verdachte dit doel slechts door handelingen in strijd met de strafwet zou kunnen bereiken of hoe dit doel deze handelingen zou kunnen rechtvaardigen. Pleegdatum 22 juni 2007 Op 22 juni 2007 hebben actievoerders een gat geknipt in het omheiningshek van detentiecentrum Noorderzand. Een van hen heeft zich door dit gat korte tijd op het terrein begeven. Andere actievoerders hebben zich vastgeketend aan het toegangshek. Deze groep is gevorderd zich te verwijderen, maar heeft hieraan geen gevolg gegeven. Uiteindelijk is deze groep door de politie van het hek verwijderd. Het losketenen heeft geruime tijd in beslag genomen. Door de actievoerders is geen verzet tegen de politie gepleegd of anderszins geweld tegen personen gebruikt. Verdachte en medeverdachten hebben zich beroepen op hun zwijgrecht. Uit de stukken, in het bijzonder de teksten op de in beslag genomen spandoeken en het laatste woord van de verdachte, komt echter naar voren dat de actievoerders de aandacht wilden vestigen op de in hun ogen onrechtvaardige detentie gericht op uitzetting van vreemdelingen zonder verblijfstitel. Ten aanzien van feit 1 Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen degenen die bij het gat in het omheiningshek zijn aangehouden en degenen die zich aan het toegangshekhek hadden vastgeketend, dat zij als medeplegers van elkaars handelingen dienen te worden beschouwd. De rechtbank verwijst naar de verklaring van toezichthouder [betrokkene 2] (p. 17) waaruit naar voren komt dat de actievoerders tegelijk in twee auto's arriveerden en het proces verbaal van bevindingen (p. 13) waaruit naar voren komt dat degenen die bij het gat in het omheiningshek zijn aangehouden kort daarvoor van de andere groep waren weggerend. De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat het toegangshek van het Detentiecentrum onbruikbaar is gemaakt. De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachten hebben, door zich aan het toegangshek vast te ketenen, dit tijdelijk onbruikbaar gemaakt voor zijn bestemming. Onder "onbruikbaar maken' valt ook het in zodanige staat brengen dat het niet gebruikt kan worden. Dit is ook het geval als het onbruikbaar maken van beperkte duur is en herstel in gebruik mogelijk is. De verdediging heeft betoogd dat de materiële wederrechtelijkheid zou ontbreken, subsidiair dat sprake is geweest van overmacht (als noodtoestand.) In de visie van de verdediging dient verdachte op een van deze gronden te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft verwezen naar bovengenoemde ideële motieven van verdachte en gesteld dat verdachte geen ander middel had om het gestelde doel te bereiken. De rechtbank verwerpt dit verweer in beide onderdelen. Verdachte stonden andere middelen ten dienste om de maatschappelijke aandacht te vestigen op wetgeving en uitvoeringspraktijk ten aanzien van vreemdelingen zonder verblijfstitel. Niet valt in te zien dat verdachte dit doel slechts door handelingen in strijd met de strafwet zou kunnen bereiken of hoe dit doel deze handelingen zou kunnen rechtvaardigen. 4. BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat (in de zaak met parketnummer 14.701426-07) 1. zij op of omstreeks 29 maart 2007 in de gemeente Heerhugowaard, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk en wederrechtelijk een hek van het Detentiecentrum Heerhugowaard, toebehorend aan DC Noord-Holland, heeft vernield en een toegangshek van het Detentiecentrum Heerhugowaard, toebehorend aan DC Noord-Holland, onbruikbaar heeft gemaakt, immers heeft verdachte toen en daar tezamen met haar mededaders - een hek van het Detentiecentrum aan de Franklinstraat kapotgeknipt en - zich vastgeketend aan een toegangshek van het Detentiecentrum aan de Franklinstraat; 2. zij op 29 maart 2007 in de gemeente Heerhugowaard opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens artikel 2 van de Politiewet gedaan door [betrokkene 1], inspecteur van politie Noord-Holland Noord, district Noord-Kennemerland, die was belast met de uitoefening van enig toezicht, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar van haar had gevorderd zich los te ketenen van een toegangshek van het Detentiecentrum Heerhugowaard, geen gevolg gegeven aan die vordering; (in de zaak met parketnummer 14.702732-07) 1. zij op 22 juni 2007 in de gemeente Heerhugowaard, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk en wederrechtelijk een hek van het Detentiecentrum (DC) Noorderzand, toebehorend aan DC Noord-Holland, locatie Noorderzand, heeft vernield en een toegangshek van het DC Noorderzand, toebehorend aan DC Noord-Holland, locatie Noorderzand, onbruikbaar heeft gemaakt, immers heeft verdachte toen en daar tezamen met haar mededaders - een hek van het detentiecentrum aan de Franklinstraat kapotgeknipt en - zich vastgeketend aan een toegangshek van het Detentiecentrum aan de Franklinstraat. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging. 5. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: In de zaak met parketnummer 14.701426-07 feit 1: medeplegen van opzettelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en medeplegen van opzettelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken. feit 2: opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar, met de uitoefening van enig toezicht belast. In de zaak met parketnummer 14.702732-07 feit 1: medeplegen van opzettelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en medeplegen van opzettelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken. 6. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7. MOTIVERING VAN DE STRAF De rechtbank heeft de na te noemen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte (voorzover daarvan heeft kunnen blijken) De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte en de medeverdachten hebben met hun handelingen kennelijk de aandacht willen vestigen op een hen onwelgevallig aspect van het overheidsbeleid, in casu het uitzettingsbeleid ten aanzien van vreemdelingen. Hoewel de overtuiging van verdachte en de medeverdachten als zodanig dient te worden gerespecteerd en het verdachte en de medeverdachten vrijstaat om voor deze overtuiging uit te komen, staat bij de rechtbank voorop dat daarbij de normen van de rechtsorde dienen te worden gerespecteerd en nageleefd. Het overtreden van de strafwet is niet aanvaardbaar en verdachte en de medeverdachten zullen daarvan consequenties moeten ondervinden. Bij het bepalen van strafmaat en strafsoort heeft de rechtbank overwogen dat verdachte en de medeverdachten als overtuigingsdaders moeten worden beschouwd, als groep zijn opgetreden, geen geweld tegen personen hebben gebruikt, zich (uiteindelijk) lijdzaam hebben laten verwijderen en dat de veroorzaakte materiële schade beperkt is gebleven. De rechtbank ziet in bovenstaande aanleiding tot terughoudendheid ten aanzien van strafmaat en modaliteit en voorts daarin (per strafzaak) geen onderscheid te maken tussen verdachte en de medeverdachten. In het bijzonder zal de rechtbank geen onderscheid maken tussen verdachten die zich niet of wel tevens schuldig hebben gemaakt aan overtreding van artikel 184 Sr, evenmin tussen verdachten met en zonder strafblad voor eerdere overtuigingsfeiten, en tenslotte geen onderscheid maken tussen verdachten van wie de personalia bekend zijn en degenen die hun identiteit voor justitie verborgen hebben gehouden. Hierbij wordt overwogen dat, gelet op het overtuigingskarakter, van strafoplegging slechts een geringe preventieve werking mag worden verwacht en dat er anderzijds voor gewaakt dient te worden dat de strafrechtelijke reactie geen contraproductief effect zal hebben. In hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd ten aanzien van de NN-verdachten, namelijk dat een geldboete tot executieproblemen zal leiden, ziet de rechtbank onvoldoende reden voor een ander uitgangspunt dan hierboven verwoord. De rechtbank zal iedere verdachte eenzelfde geldboete opleggen en de verdachten ten aanzien van wie door voeging van twee strafzaken vergelijkbare feiten bij twee gelegenheden zijn bewezenverklaard, het dubbele bedrag. De rechtbank heeft ten aanzien van verdachte bij de strafoplegging rekening gehouden met alle hierboven genoemde omstandigheden, en heeft tevens - met inachtneming van bovenstaande - gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 3 mei 2007. 8. MOTIVERING VAN DE BESLISSINGEN OMTRENT HET BESLAG In de zaak met parketnummer 14.701426-07 De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen: 3. 2 schakelkettingen met sloten, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde onder 1. met behulp van deze voorwerpen is begaan. De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen voorwerp: 5. 1 grijze stalen buis/pijp, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met het algemeen belang. Verder is uit het onderzoek op de terechtzitting gebleken dat het bewezen verklaarde onder 1. met behulp van dit voorwerp is begaan. De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen voorwerp: 4. 1 bruine houten ladder, dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende(n). Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen: 1. 1 rood spandoek "Stop deportatie nu" 2. 1 wit spandoek "Geen mens is illegaal" dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat deze persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt. In de zaak met parketnummer 14.702732-07 De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen: 2. 1 rode nijptang 3. 1 blauw hobbymes, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde onder 1. met behulp van deze voorwerpen is begaan. De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen: 1. 1 rood touw, ongeveer 9 meter lang 4. 1 wit spandoek "Sluit Noorderzand" 5. 2 rode spandoeken "Geen mens is illegaal" dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat deze persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt. 9. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN Met toepassing van het recht zoals dat gold ten tijde van het bewezen verklaarde, zijn de opgelegde straffen en maatregel gegrond op de artikelen 23, 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 184 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. 10. BESLISSING De rechtbank: Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 14.701426-07 onder 3., alsmede het in de zaak met parketnummer 14.702732-07 onder 2. en 3. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 14.701426-07 onder 1. en 2., alsmede het in de zaak met parketnummer 14.702732-07 onder 1. ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten. Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar. Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een geldboete van € 300 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 (zes) dagen. In de zaak met parketnummer 14.701426-07 Verklaart verbeurd: 3. 2 schakelkettingen met sloten. Verklaart onttrokken aan het verkeer: 5. 1 grijze stalen buis/pijp. Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van: 4. 1 bruine houten ladder. Gelast de teruggave aan de verdachte van: 1. 1 rood spandoek "Stop deportatie nu" 2. 1 wit spandoek "Geen mens is illegaal". In de zaak met parketnummer 14.702732-07 Verklaart verbeurd: 2. 1 rode nijptang 3. 1 blauw hobbymes. Gelast de teruggave aan de verdachte van: 1. 1 rood touw, ongeveer 9 meter lang 4. 1 wit spandoek "Sluit Noorderzand" 5. 2 rode spandoeken "Geen mens is illegaal". Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Dondorp, voorzitter, mr. Y.M.I. Greuter-Vreeburg en mr. S.N. Schipper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Huisman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 november 2007.