Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0172

Datum uitspraak2007-12-12
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/1494 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schatting met toepassing van het CBBS. Eerst in hoger beroep juiste motivering. Vernietiging besluit met in stand laten rechtsgevolgen.


Uitspraak

06/1494 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 januari 2006, 05/2708 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstitiut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 12 december 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.M. Voogt, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Voogt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden. II. OVERWEGINGEN Appellant, die werkzaam is geweest als barmedewerker, heeft zich op 16 december 2002 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens spanningsklachten. Per einde wachttijd is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 24 februari 2004 en 27 oktober 2004 is appellant verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts J.W.A. Verheijde. Na informatie te hebben ingewonnen bij de Riagg heeft de verzekeringsarts in zijn rapportage van 8 december 2004 zijn conclusie, zoals vervat in zijn rapportage van 27 oktober 2004, dat bij appellant sprake is van reële benutbare en duurzame mogelijkheden voor het verrichten van loonvormende arbeid, gehandhaafd. De verzekeringsarts heeft vervolgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld waarbij rekening is gehouden met de fysieke en psychische beperkingen van appellant. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige R.D.G. van Dijk in zijn rapportage van 13 januari 2005 geconcludeerd dat sprake is van arbeidsongeschiktheid naar de mate van minder dan 15%. Daarbij is aangegeven dat appellant in staat wordt geacht tot het verrichten van een zevental functies. Bij besluit van 14 januari 2005 heeft het Uwv met ingang van 15 maart 2005 de uitkering ingetrokken. De bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe heeft in zijn rapport van 30 mei 2005 aangegeven dat hij geen reden ziet om af te wijken van het primaire medisch oordeel. Het tegen het besluit van 14 januari 2005 gemaakt bezwaar is bij besluit van 3 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan de rapporten van de betrokken (bezwaar) verzekeringsarts en (bezwaar)arbeidsdeskundige. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting niet gezegd worden dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellant onvoldoende heeft onderkend en dat de opgestelde FML op onjuiste dan wel onvolledige wijze de medische beperkingen van appellant weergeeft. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een benoeming van een deskundige. De rechtbank is verder van oordeel dat genoegzaam is aangetoond dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant om te functioneren niet overschrijdt. In hoger beroep stelt appellant zich - kort gezegd - op het standpunt dat hij ten aanzien van zijn psychische klachten, zijn gewrichtsklachten en allergieën verdergaand beperkt is dan door de verzekeringsarts in de FML is aangenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt legt appellant een verklaring over van zijn huisarts A.C.P.M. Roels d.d. 21 maart 2006. Appellant is van oordeel dat de functie van portier, toezichthouder niet voor de schatting kan worden gebruikt omdat in de functie sprake is van zodanige wisselende diensten dat zijn slaapproblematiek zal toenemen. Tot slot stelt appellant dat niet onderzocht is of de geduide functies met de allergieën (met name blootstelling aan gras- of boompollen) zoals verwoord in de FML verenigd kunnen worden. De Raad overweegt als volgt. De Raad acht de onderzoeken van de (bezwaar)verzekeringsarts niet ontoereikend en heeft -evenals de rechtbank- in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts in de FML vastgestelde medische beperkingen. Uit overweging van zorgvuldigheid heeft de verzekeringsarts Verheijde informatie ingewonnen bij de Riagg. De verzekeringsarts heeft in deze informatie geen nieuwe gezichtspunten gezien en heeft appellant dan ook geschikt geacht voor het verrichten van loonvormende arbeid conform de door hem vastgestelde FML. De bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe heeft appellants belastbaarheid in de bezwaarfase opnieuw bezien en heeft de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen onderschreven. De bezwaarverzekeringsarts heeft de later in eerste aanleg overgelegde medische informatie van de huisarts J.A.M. Galesloot in zijn rapport van 28 november 2005 beoordeeld en ook hierin geen aanknopingspunten gevonden voor een bijstelling van de belastbaarheid van appellant. De Raad is tevens van oordeel dat de in hoger beroep ingebrachte medische verklaring van de huisarts Roels geen aanknopingspunten biedt voor het standpunt dat sprake is van verdergaande beperkingen dan door de verzekeringsarts is aangenomen. Mede gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de onderzoeken door de (bezwaar)verzekeringsarts als onvoldoende en onzorgvuldig moeten worden gekenschetst. Ten aanzien van appellants grieven in verband met zijn allergieën en zijn slaapstoornis, waardoor hij de functie van portier, toezichthouder niet zou kunnen vervullen, verwijst de Raad naar het verweerschrift van het Uwv in hoger beroep. De Raad onderschrijft in dit verband de overwegingen van het Uwv en merkt dienaangaande op dat in de FML in voldoende mate rekening is gehouden met appellants allergie voor gras- en boompollen en zijn slaapproblematiek. In hetgeen namens appellant verder in hoger beroep en ter zitting is aangevoerd heeft de Raad onvoldoende aanleiding gevonden voor een andersluidend oordeel. Wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting stelt de Raad vast dat door het Uwv in eerste aanleg een nieuwe uitdraai van het CBBS is ingebracht. Op verzoek van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt in zijn rapport van 19 september 2007 alle signaleringen met een ‘M’ nader gemotiveerd. Naar het oordeel van de Raad zijn de ogenschijnlijke overschrijdingen van de belastbaarheid van de geduide functies voldoende en adequaat gemotiveerd. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit vóór 1 juli 2005 is genomen en dat in hoger beroep uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte motivering is gegeven. Gelet op ’s-Raads uit zijn uitspraken van 9 november 2004 (USZ 2004, 353) en 12 oktober 2006 (LJN: AY9971 e.v.) blijkende oordeel met betrekking tot het CBBS, leidt zulks tot de conclusie dat in dit geval, gezien inhoud en reikwijdte van die nadere motivering, het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Thans is de Raad van oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand kunnen worden gelaten. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 15,90 aan reiskosten wegens het verschijnen ter zitting in hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1303,90 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarvan € 659,90 te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007. (get.) Ch. van Voorst. (get.) J. Verrips. MR