Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0171

Datum uitspraak2007-12-12
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/2122 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Is betrokkene terecht ingaande de datum in geding geen ziekengeld meer toegekend?


Uitspraak

06/2122 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 maart 2006, 05/3894 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 12 december 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R H. Vermeeren, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vermeeren. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma. II. OVERWEGINGEN Appellant, voormalig medewerker technische dienst, is in oktober 1999, wegens al langer bestaande klachten van de linkerschouder arbeidsongeschikt geworden. Terzake van deze arbeidsongeschiktheid is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 16 oktober 2002 ingetrokken. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij werd vastgesteld dat er een geringe bewegingsbeperking was van de linkerschouder, werd appellant in staat geacht functies te verrichten met een zodanig inkomen dat hij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de WAO. Op 23 oktober 2004 is appellant via een uitzendbureau gaan werken als autochauffeur, in welke functie hij auto’s van een trein moest halen en deze moest parkeren. Op 23 februari 2005 heeft appellant zich ziek gemeld wegens buikklachten. Na een ongeval op 13 maart 2005 kreeg appellant bovendien weer klachten van zijn linkerschouder. Op 23 mei 2005 is appellant gezien door een verzekeringsarts, die hem met ingang van 24 mei 2005 hersteld verklaarde. Bij besluit van 23 mei 2005 is aan appellant dienovereenkomstig met ingang van 24 mei 2005 geen ziekengeld meer toegekend. Naar aanleiding van het bezwaar tegen voormeld besluit is appellant op 30 augustus 2005 gezien door een bezwaarverzekeringsarts, die mede op grond van informatie van de behandelend sector geen aanleiding zag tot herziening van de medische grondslag van de primaire beslissing. Bij besluit van 20 september 2005 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Op grond van de stukken moest naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hadden vastgesteld, waarbij in aanmerking is genomen dat uit de rapportages van de verzekeringsartsen bleek dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde schouderklachten. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad heeft met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsarts bij onderzoek van appellant op 23 mei 2005. Uit het op deze datum opgemaakte rapport blijkt dat bij dat onderzoek geen belangrijke afwijkingen aan de schouder zijn vastgesteld, dat de beweeglijkheid gering beperkt was en de spierontwikkeling normaal was, terwijl appellant niet onder specialistische behandeling was. De verzekeringsarts zag geen aanleiding om aan te nemen dat appellant als gevolg van het ongeval van toen meer dan twee maanden geleden nog toegenomen beperkingen van de linkerarm had. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van in de bezwaarfase beschikbaar gekomen informatie van de behandelend sector, waaruit bleek dat appellant vooral klachten had van de linkerelleboog. Orthopedisch chirurg E.L. Hoffman heeft blijkens een brief van 11 augustus 2005 bij onderzoek op 28 juli 2005 vastgesteld dat de functie van de elleboog goed was, terwijl volgens een brief van deze specialist van 14 september 2005 bij MRI-onderzoek van de linkerelleboog geen afwijkingen van betekenis zijn gevonden. Voor de klachten van de linkerelleboog van appellant is toen dan ook geen verklaring gevonden. Uit de door appellant in bezwaar overgelegde medische gegevens is volgens de bezwaarverzekeringsarts dan ook niet gebleken dat er sprake was van ernstigere beperkingen dan waarvan de primaire verzekeringsarts was uitgegaan. In een nadere rapportage van 7 november 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat appellant evenals in het verleden in staat moest worden geacht tot schouder/arm sparend werk. In reactie op de in hoger beroep overgelegde medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts benadrukt dat appellants werk als autochauffeur niet zodanig belastend was dat hij daartoe, ondanks beperkingen van de linkerelleboog, niet in staat was. Appellant moest auto’s van de trein halen, waarbij hij met de rechter arm kon schakelen en met de linkerarm slechts hoefde te sturen, hetgeen, nu er geen sprake was van krachtsvermindering van de spieren, mogelijk moest zijn. Gelet op de rapportage van de reïntegratiebegeleider van 20 april 2005, waarin melding wordt gemaakt van de functie-inhoud en de functiebelasting en hetgeen appellant daaromtrent ter zitting heeft verklaard, ziet de Raad geen reden om aan dit standpunt te twijfelen. Dat appellant blijkens de verder in hoger beroep nog overgelegde medische gegevens op 3 mei 2007 is geopereerd aan de linkerelleboog, met daarop volgend een langzaam herstel van klachten, vormt voor de Raad gelet op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts van 12 oktober 2007 geen reden voor een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds is overwogen bestond er bij verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat plaatsvond één dag voor de in geding zijnde datum slechts een geringe bewegingsbeperking. De Raad ziet dan ook geen reden om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, dat de na de operatie van 3 mei 2007 bestaande klachten op de datum in geding niet aanwezig waren, voor onjuist te houden. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007. (get.) Ch. van Voorst. (get.) J. Verrips. JL