Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0169

Datum uitspraak2007-10-24
Datum gepubliceerd2007-12-17
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers204-R-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

Partner- en kinderalimentatie. Draagkracht man en ingangsdatum alimentatieverplichting; niet met terugwerkende kracht verlaging.


Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 24 oktober 2007 Rekestnummer. : 204-R-07 Rekestnr. rechtbank : F2 RK 06-774 [De minderjarige sub 1], wonende voorheen te [woonplaats], thans te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, procureur mr. W. Heemskerk, tegen [de vrouw], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. E. Grabandt. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 9 februari 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 29 november 2006. De vrouw heeft op 7 september 2007 een verweerschrift ingediend. Van de zijde van de man zijn bij het hof op 21 februari en 27 september 2007 aanvullende stukken ingekomen. De advocaat van de vrouw heeft laatstgenoemde stukken niet ontvangen. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de man de stukken alsnog aan haar overhandigd. Op 10 oktober 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. A.J. Kiela en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. Th.Th.M. L. Boersma. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd. De hierna te noemen minderjarige [naam minderjarige] heeft ondanks uitnodiging daartoe van het hof niet schriftelijk zijn mening ten aanzien van de kinderalimentatie kenbaar gemaakt. De man heeft ter terechtzitting zijn beroepschrift in die zijn gewijzigd, dat hij thans verzoekt om de bestreden beschikking voor wat betreft het afwijzen van de verzoeken tot nihilstelling kinder- en partneralimentatie over de periode 7 november 2003 tot 7 juni 2006 te vernietigen. Voor het overige handhaaft de man het petitum van zijn beroepschrift. VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te Rotterdam. Bij die beschikking is – met wijziging van de beschikking van 7 november 2003 – de aan de man opgelegde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 7 juni 2006 op € 294,- per maand gesteld, het meer of anders verzochte is afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil zijn de door de man te betalen partneralimentatie en de kinderalimentatie voor de minderjarige kinderen: [de minderjarige sub 1], geboren [in] 1992, verder: [de minderjarige sub 1], en [de minderjarige sub 2], geboren [in] 2000, verder: [de minderjarige sub 2], ook gezamenlijk verder: de kinderen, die bij de vrouw verblijven. 2. De man verzoekt de bestreden beschikking voor wat betreft het afwijzen van de verzoeken tot nihilstelling van de kinder- en partneralimentatie over de periode 7 november 2003 tot (het hof leest:) 7 juni 2006 te vernietigen en, opnieuw beschikkende, alsnog de beschikking van 7 november 2003 te wijzigen in dier voege dat over genoemde periode de kinder- of partneralimentatie zal worden gesteld op nihil, dan wel dat bedrag dat het hof meent te moeten vaststellen en dat de reeds betaalde bedragen niet kunnen worden teruggevorderd en dat de openstaande bedragen zullen zijn kwijtgescholden, althans dat deze niet meer behoeven te worden betaald. 3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt daarbij, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het appel van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4. De man stelt in zijn beroepschrift dat hij het niet eens is met de vaststelling van de rechtbank dat hij in de periode van 1 december 2003 tot 1 maart 2006 beschikte over voldoende verdiencapaciteit en dat de problemen van de man aan hemzelf te wijten waren. De man meent dat de rechtbank volledig is voorbijgegaan aan het feit dat zijn mentale weerbaarheid is gebroken gelet op zijn verleden en de feitelijkheden die zich hebben voorgedaan. Er is sprake geweest van een veelvoud aan oorzaken die uiteindelijk tot de “uitval” van de man hebben geleid. Zo ging het niet goed op het werk bij [de voormalige werkgever] van de man hetgeen resulteerde in ontslag, leed de man onder de echtscheiding en is zijn zoontje overleden in 1995, hetgeen hem nog immer parten speelt. Het verlies van zijn baan leidde tot verlies van woonruimte. Ook moest de man € 80.000,- terugbetalen aan [zijn voormalige werkgever]. De man heeft zich laten opnemen in een pastoraal centrum in [het buitenland] en heeft getracht werk te vinden hetgeen uiteindelijk is gelukt. De man grieft niet tegen zijn draagkracht vanaf 7 juni 2006. Echter in de periode daarvoor van 7 november 2003 tot (het hof leest:) 7 juni 2006 is er geen draagkracht geweest, aldus de man. Ter terechtzitting heeft de man zijn beroepschrift toegelicht en de stellingen van de vrouw zoals weergegeven in haar verweerschrift weersproken. 5. De vrouw stelt in haar verweerschrift ten aanzien van de grieven van de man dat het aan de man zelf is te wijten dat hij is ontslagen bij [zijn voormalige werkgever]. De man is in staat geweest om na zijn ontslag weer een goed betaalde baan te krijgen, maar heeft deze door eigen toedoen weer verloren. De vrouw en de kinderen kunnen hier niet de dupe van worden. Verder stelt de vrouw dat het ontslag van de man niet de reden was waarom hij uit zijn woning is vertrokken. Voorts betwist de vrouw dat de man in de periode van 7 november 2003 tot (het hof leest:)7 juni 2006 geen draagkracht had. De man heeft dit tot op heden niet aangetoond en hij heeft niet eerder dan op 28 april 2006 om een wijziging gevraagd. De vrouw betoogt tevens dat de man geen bewijsstukken overlegt van de schuld van € 80.000,- aan [zijn voormalige werkgever]. Bovendien heeft de man dit bedrag in eerste instantie verduisterd. Een dergelijke schuld dient niet ten koste te gaan van de alimentatieplicht. Verder verzoekt de man wijziging per 7 november 2003, terwijl hij in ieder geval tot 1 december 2003 in dienst is geweest bij [zijn voormalige werkgever]. De vrouw stelt ook dat de man in de periode 1 juni 2004 tot 1 maart 2005 wel inkomsten had door zijn dienstverband bij [zijn latere werkgever]. Dit blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgave en de salarisstroken. Niet duidelijk is wat de reden is van de beëindiging van het dienstverband van de man bij [zijn latere werkgever]. Indien de man iets valt te verwijten dient zijn ontslag niet ten koste van de alimentatie te gaan. Over de periode 1 maart 2005 tot 23 november 2005 legt de man geen stukken over. Pas op 23 november 2005 vraagt hij een bijstandsuitkering aan. De vrouw vraagt zich af waarom de man geen WW-uitkering heeft aangevraagd. Wat betreft de huur waarmee door de rechtbank rekening is gehouden, stelt de vrouw dat de man woonde bij [naam zorg- en dienstverlenend bedrijf] en dat hij, afgezien van de eigen bijdrage, geen huur betaalde. De door de man opgevoerde schulden zijn allemaal ontstaan na het huwelijk en dienen derhalve volgens de vrouw buiten beschouwing te worden gelaten. 6. Het hof overweegt als volgt. De man heeft zijn verzoek tot wijziging van de beschikking van 7 november 2003 bij de rechtbank ingediend op 7 juni 2006. Hij beroept zich daarin op een wijziging van omstandigheden vanaf 7 november 2003. De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is van gewijzigde omstandigheden en de ingangsdatum van de wijziging van de alimentatieverplichting bepaald op 7 juni 2006, zijnde de datum van het verzoekschrift van de man. Nu de man zich in hoger beroep uitsluitend verzet tegen deze datum en met zijn beroep op de gewijzigde omstandigheden uitsluitend een andere ingangsdatum bepleit voor de gewijzigde kinder- en partneralimentatie, ziet het hof zich slechts gesteld voor de vraag op welk tijdstip de alimentatieplicht van de man zou moeten worden gewijzigd. Gegeven de vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat het de rechtbank vrij stond om te bepalen dat de datum van indiening van het verzoekschrift van de man (in eerste aanleg) heeft te gelden als ingangsdatum van de kinder- en partneralimentatie. Daarbij overweegt het hof dat de man reeds eerder – op het moment dat de gewijzigde omstandigheden zich naar zijn mening voordeden – een verzoek tot wijziging van zijn alimentatieverplichting had kunnen indienen bij de rechtbank. Gelet op voorgaande en nu de man op dit moment geen argumenten – voor zover relevant – naar voren heeft gebracht die tot een ander oordeel leiden, is het hof van oordeel dat de rechtbank omtrent de ingangsdatum juist heeft beslist. Het appel is derhalve vergeefs ingesteld. Dit leidt tot bekrachtiging van de bestreden beschikking. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking. Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Dusamos en Van der Burght, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 oktober 2007.