Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0166

Datum uitspraak2007-12-12
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/7221 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schatting. CBBS. Gewenste motivering. Rechtsgevolgen.


Uitspraak

05/7221 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 november 2005, 05/1841 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellante en de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 12 december 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders. II. OVERWEGINGEN Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. Bij besluit van 22 september 2004 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 23 november 2004 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 16 februari 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 september 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat appellante door de verzekeringsarts N.L. van Luntesburg lichamelijk is onderzocht en dat deze informatie heeft ingewonnen bij de behandelende chirurg W.A. Bemelman. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante in staat is te achten tot licht overwegend zittend werk. De verzekeringsarts heeft vervolgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld waarbij rekening is gehouden met de beperkingen van appellante op de onderdelen aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft volstaan met dossierstudie, hetgeen de rechtbank aanvaardbaar heeft geacht omdat reeds recente informatie van de behandelend chirurg in het dossier voorhanden was. Na bestudering van het dossier is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat de mogelijkheden van appellante in de FML juist zijn weergegeven en dat de ontvangen informatie van de chirurg Bemelman geen aanleiding geeft tot een andere inschatting van het arbeidsvermogen te komen. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts terecht de conclusie van de verzekeringsarts heeft onderschreven. De rechtbank stelt verder dat de omschrijvingen van de geduide functies passen binnen de opgestelde FML. Voorzover sprake is van zogenoemde signaleringen, is naar het oordeel van de rechtbank in de rapportage van de arbeidsdeskundige afdoende gemotiveerd waarom deze geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellante op de datum in geding. In hoger beroep is namens appellante gesteld - veelal een herhaling van het in bezwaar en beroep gestelde - dat de rechtbank ten onrechte geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan en ten onrechte heeft geoordeeld dat appellante geschikt moet worden geacht voor de geduide functies. Appellante is sinds 1992 bekend met ernstige darmklachten (collitus ulcerosa). Op 23 april 2004 is zij geopereerd, gevolgd door een operatie op 30 april 2004 waarbij een tijdelijk stoma is aangebracht, dat op 1 augustus 2004 operatief is verwijderd. De rechtbank heeft voorts ten onrechte aanvaardbaar geacht dat de bezwaarverzekeringsarts uitsluitend dossieronderzoek heeft verricht. Gezien de ingrepen had de bezwaarverzekeringsarts informatie moeten inwinnen bij de behandelend sector nu appellante uitdrukkelijk heeft meegedeeld dat haar hersteltermijn op een jaar gesteld moest worden. De Raad oordeelt als volgt. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Naar het oordeel van de Raad is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en weloverwogen geweest en is in de FML in voldoende mate rekening gehouden met de klachten en vastgestelde beperkingen van appellante. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts kon volstaan met dossierstudie. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de recente informatie van de behandelend chirurg Bemelman van 16 november 2004 door de bezwaarverzekeringsarts is meegewogen. De chirurg stelt in zijn brief dat het bij de laatste controle goed ging met appellante en dat hij op korte termijn volledig herstel verwacht, waarbij appellante tevens weer volledig inzetbaar zal zijn, voor wat betreft het werk. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de informatie van de chirurg geen nieuwe gezichtspunten gezien. Dienaangaande merkt de Raad op dat uit de informatie van de chirurg niet blijkt, zoals appellante stelt, dat haar hersteltermijn op een jaar gesteld moet worden. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt voor de Raad geen reden voor een ander oordeel. Daarbij merkt de Raad op dat appellante haar stellingen noch in beroep noch in hoger beroep heeft onderbouwd met nadere medische stukken die aanleiding geven te twijfelen aan de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts. Wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting stelt de Raad vast dat de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen het CBBS in hoger beroep opnieuw heeft geraadpleegd en onderzocht of de geduide functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellante vallen. Daarbij heeft Hogeveen een nadere deugdelijke motivering gegeven op de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geduide functies. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit vóór 1 juli 2005 is genomen en dat in hoger beroep uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte motivering is gegeven. Gelet op ’s-Raads uit zijn uitspraken van 9 november 2004 (USZ 2004, 353) blijkende oordeel met betrekking tot het CBBS, leidt zulks tot de conclusie dat in dit geval, gezien inhoud en reikwijdte van die nadere motivering, het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Thans is de Raad van oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand kunnen worden gelaten. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden in eerste aanleg begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op € 322,- eveneens voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg in in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 140,- aan appellante vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007. (get.) Ch. van Voorst. (get.) J. Verrips. JL