Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0161

Datum uitspraak2007-12-12
Datum gepubliceerd2007-12-13
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers85633 / KG ZA 07-351
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schorsing executie. EEX-Vo.


Uitspraak

vonnis RECHTBANK LEEUWARDEN Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 85633 / KG ZA 07-351 Vonnis in kort geding van 12 december 2007 in de zaak van [eiser] wonende te IJlst, eiser, procureur mr. P. van der Sluis, advocaat mr. P. Garretsen te 's-Gravenhage, tegen de vennootschap naar Belgisch recht VLEESGROOTHANDEL CIS VAN DEN BROECK BVBA, gevestigd te 2322 Minderhout, gedaagde, procureur mr. S.L. Elzinga. Partijen zullen hierna [eiser] en Van den Broeck genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de mondelinge behandeling van 29 november 2007 - de pleitnota van [eiser] - de pleitnota van Van den Broeck. 1.2. [eiser] heeft producties overgelegd. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [eiser] voert in IJlst een onderneming uit onder de naam Vleeshandel W. [eiser]. 2.2. Van den Broeck heeft op 27 juni 2006 aan [eiser] een dagvaarding van 21 juni 2006 doen betekenen waarin [eiser] wordt opgeroepen om te verschijnen op de zitting van 6 september 2006 van de eerste kamer van de rechtbank van koophandel te Turnhout in België. Van den Broeck vordert in die dagvaarding betaling van twee facturen van € 10.157,24 en € 6.764,00, in totaal derhalve € 16.921,24, en daarnaast betaling van 10% van de verschuldigde hoofdsom uit hoofde van een schadebeding, alles te vermeerderen met rente. De dagvaarding bevat verder (onder meer) navolgende informatie: Dat de zaak slechts korte debatten vereist gezien het onbetwiste facturen betreft zodat de zaak in toepassing van artikel 735 Ger. W. ter inleidingszitting dient weerhouden en behandeld te worden. 2.3. De advocaat van [eiser] heeft de civiele griffie van de rechtbank van koophandel te Turnhout op 5 september 2006 een faxbericht gestuurd met de mededeling dat hij zich stelt voor [eiser] en met het verzoek om een aanhouding van zes weken teneinde schriftelijk voor antwoord te kunnen concluderen. 2.4. De Eerste Kamer van de rechtbank van Koophandel te Turnhout, België heeft bij vonnis van 6 september 2006 de vorderingen van Van den Broeck toegewezen. De rechtbank heeft [eiser] bij verstek veroordeeld om aan Van den Broeck € 16.921,24 te betalen, alsmede € 1.692,12, beide bedragen te vermeerderen met rente. Het vonnis van 6 september 2006 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Van den Broeck heeft dit vonnis aan [eiser] doen betekenen, en Van den Broek heeft de executie van het verstekvonnis aangezegd. [eiser] heeft bij dagvaarding van 9 oktober 2006 verzet tegen het Belgische verstekvonnis aangetekend. 2.5. Bij beschikking van 22 februari 2007 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan Van den Broeck verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het Belgische verstekvonnis. 2.6. Op 22 februari 2007 heeft ten overstaan van de voorzieningenrechter van deze rechtbank de mondelinge behandeling plaatsgevonden van een tussen [eiser] als eiser tegen Van den Broeck als gedaagde gevoerde kort gedingprocedure. In dat executiegeschil had [eiser] gevorderd dat Van den Broeck wordt veroordeeld zich t onthouden van iedere maatregel of actie die strekt tot tenuitvoerlegging van het Belgische verstekvonnis zolang de rechtbank van Koophandel te Turnhout geen uitspraak had gedaan op het door [eiser] ingestelde verzet, althans dat een andere passende voorziening zou worden getroffen. Bij kort gedingvonnis van 1 maart 2007 heeft de voorzieningenrechter de door [eiser] gevraagde voorzieningen geweigerd. 2.7. Bij vonnis van 12 maart 2007 heeft de Eerste Kamer van de rechtbank van Koophandel te Runhout het verzet van [eiser] tegen het Belgische verstekvonnis ontvankelijk doch ongegrond geacht en is het Belgische verstekvonnis integraal bekrachtigd. Van den Broeck heeft dit vonnis aan [eiser] doen betekenen. [eiser] heeft tegen dit vonnis in hoger beroep ingesteld bij het Hof van Beroep te Antwerpen. 2.8. Op 23 maart 2007 heeft Van den Broeck de beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2007 waarbij aan Van den Broeck verlof is verleend tot tenuitvoerlegging van het Belgische verstekvonnis, aan [eiser] doen betekenen. Tegen deze beslissing van 22 februari 2007 heeft [eiser], bij verzoekschrift, het rechtsmiddel ingesteld van artikel 43 van de EG-Verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijk bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo). Op 20 juni 2007 heeft deze rechtbank dit verzoek van [eiser] afgewezen. [eiser] heeft tegen de op het rechtsmiddel van artikel 43 EEX-Vo gegeven beslissing, cassatie van artikel 44 EEX-Vo ingesteld bij de Hoge Raad. 2.9. Bij brief van 1 november 2007 is -laatstelijk- de executie van het Belgische verstekvonnis aangezegd. 3. Het geschil 3.1. [eiser] vordert samengevat - schorsing van de tenuitvoerlegging van het Belgische verstekvonnis van 6 september 2006, zolang niet onherroepelijk is beslist op het bij de Hoge Raad ingediende verzoekschrift tot cassatie. 3.2. Van den Broeck voert verweer, met conclusie tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. [eiser] wil met dit kort geding bereiken dat Van den Broeck het Belgische verstekvonnis van 6 september 2006 niet kan executeren zolang nog niet onherroepelijk is beslist op het door hem ingestelde beroep van 44 EEX-Vo. Van den Broeck is niet bereid de uitkomst daarvan af te wachten. 4.2. Artikel 47 lid 3 EEX-Vo bepaalt dat totdat uitspraak is gedaan over een rechtsmiddel overeenkomstig artikel 43 lid 5, tegen de verklaring van uitvoerbaarheid slechts bewarende maatregelen kunnen worden genomen ten aanzien van de goederen van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd. Een schuldeiser kan derhalve in de in dit artikel bedoelde periode geen definitieve executoriale maatregelen treffen. 4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat uit artikel 47 lid 3 EEX-Vo voortvloeit dat een schuldeiser niet mag executeren totdat op het rechtsmiddel van 43 lid 5 EEX-Vo is beslist. In die zin is de beslissing die voorzien is van een exequatur niet uitvoerbaar bij voorraad, zoals [eiser] terecht opmerkt. Partijen twisten evenwel over het antwoord op de vraag of ook het instellen van het beroep van artikel 44 EEX-Vo tegen de op het rechtsmiddel van artikel 43 EEX-Vo gegeven beslissing, die schorsende werking heeft. 4.3. De rechter is van oordeel dat deze vraag ontkennend beantwoord moet worden. Artikel 47 lid 3 EEX-Vo verwijst slechts expliciet naar het rechtsmiddel van artikel 43 lid 5 EEX-Vo, en niet -ook- naar artikel 44 EEX-Vo. Het is niet zo, dat uit de systematiek van de EEX-Vo zou volgen, dat daar waar naar artikel 47 lid 3 EEX-Vo verwezen wordt, eveneens het beroep van artikel 44 EEX-Vo begrepen zou zijn. Artikel 46 EEX-Vo bijvoorbeeld, verwijst naar zowel het rechtsmiddel van artikel 43, als dat van artikel 44 EEX-Vo. De rechter hecht er verder aan dat artikel 17 van de overwegingen op grond waarvan de verordening is vastgesteld, verwoordt dat op grond van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren niet alleen doeltreffend maar ook snel moet zijn. Tegen deze achtergrond moet artikel 47 lid 3 EEX-Vo naar het oordeel van de rechter naar de letter worden genomen, zodat een schuldeiser als Van den Broeck onder de omstandigheden als de onderhavige niet ook het beroep van artikel 44 EEX-Vo behoeft af te wachten voordat hij tot executie over mag gaan. 4.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevraagde voorziening zal worden geweigerd. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Van den Broeck worden vastgesteld op € 816,00 voor salaris procureur en € 251,00 voor griffierecht, in totaal derhalve op € 1.067,00. 5. De beslissing De voorzieningenrechter 1. weigert de gevraagde voorzieningen; 2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Van den Broeck vastgesteld op € 1.067,00. Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.J. Velsink op 12 december 2007.?