
Jurisprudentie
BC0160
Datum uitspraak2007-11-07
Datum gepubliceerd2007-12-18
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers1855-H-06
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-18
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers1855-H-06
Statusgepubliceerd
Indicatie
Gerechtelijke vaststelling vaderschap niet mogelijk. Authentieke bescheiden zijn niet overgelegd.
Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 7 november 2007
Rekestnummer. : 1855-H-06
Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-3882
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. M.G. Evers.
Als belanghebbende is aangemerkt:
de heer [belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de man.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vrouw is op 27 december 2006 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 27 november 2006.
Het openbaar ministerie heeft het hof op 26 september 2007 een schriftelijke conclusie doen toekomen.
Op 17 oktober 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.G. Evers, en de man. De advocaat-generaal is niet verschenen. De vrouw en haar advocaat, alsmede de man, hebben het woord gevoerd.
VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage. Bij die beschikking is de vrouw in haar verzoek tot vaststelling van het vaderschap betreffende de hierna te noemen minderjarige niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de vaststelling van het vaderschap van de man over de minderjar[kind][kind], geboren op [geboortedatum], verder: [kind].
2. De vrouw verzoekt haar beroep gegrond te verklaren en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap alsnog toe te wijzen.
3. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot vaststelling van het vaderschap wegens het ontbreken van de gevraagde bescheiden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voert daartoe aan dat zij in een brief van 18 oktober 2006 heeft aangegeven waarom de gevraagde bescheiden niet overgelegd konden worden en dat zij samen met die brief, voor zover mogelijk, vervangende informatie heeft overgelegd. Voorts betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet kan worden beoordeeld welk recht van toepassing is; zij had namelijk al bij voormelde brief aangegeven dat het Nederlands recht toepasselijk is. Tot slot ziet de vrouw niet in op grond waarvan de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat zij niet in staat is om vast te stellen of man en de vrouw de biologische ouders van [kind] zijn. Volgens de vrouw blijkt uit het door haar overgelegde uittreksel uit het geboorteregister dat zij de moeder van [kind] is en blijkt uit het feit dat de man daarop als aangever staat vermeld dat hij de vader is.
Ter terechtzitting heeft de vrouw haar beroepschrift toegelicht. Zij heeft daarbij verwezen naar de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie. Daarin is – onder meer – geconcludeerd dat de rechtbank te ’s-Gravenhage bevoegd was van het verzoek kennis te nemen op de grond dat de man, als belanghebbende, woonachtig is te [woonplaats]. Voorts heeft de vrouw ter terechtzitting betoogd dat een uittreksel uit het gezagsregister of een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie met betrekking tot [kind] thans niet beschikbaar is, omdat [kind] in Nederland geen verblijfsstatus heeft. Tot slot stelt de vrouw ter terechtzitting dat door middel van een DNA-onderzoek het vaderschap eventueel kan worden aangetoond, als gevolg waarvan een registratie in het gezagsregister kan plaatsvinden. Zij verzoekt het hof dan ook de zaak voor twee maanden aan te houden om haar in de gelegenheid te stellen een dergelijke onderzoek te laten verrichten.
4. Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd dat de rechtbank de vrouw terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek en dat de bestreden beschikking derhalve dient te worden bekrachtigd.
5. Het hof stelt allereerst vast dat de vrouw geen authentiek afschrift van de geboorteakte van [kind] heeft overgelegd, doch slechts een kopie daarvan. Daarbij komt dat ter terechtzitting is komen vast te staan dat in de overgelegde kopie van het afschrift van de geboorteakte de geboorteplaats van de vrouw kennelijk onjuist is vermeld.
6. Op grond van de wet dient de rechter ambtshalve te toetsen of hem in een concreet geval rechtsmacht toekomt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet kan beoordelen of zij rechtsmacht heeft. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid, indien – voor zover thans van belang – een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Nu de man belanghebbende is en hij, blijkens het door de vrouw overgelegd uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie van de man, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.
7. De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof terecht overwogen dat zij niet kan beoordelen welk recht op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van het vaderschap van toepassing is. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wet conflictenrecht afstamming, wordt de vraag of, en onder welke voorwaarden, het vaderschap van een man gerechtelijk kan worden vastgesteld, beheerst door het recht van de staat van:
- de gemeenschappelijke nationaliteit van de man en de moeder of, indien dit ontbreekt,
- hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats of, indien ook dit ontbreekt,
- de gewone verblijfplaats van het kind.
De vrouw heeft de Marokkaanse nationaliteit, de man de Nederlandse en mogelijk de Syrische, zodat een gemeenschappelijke nationaliteit ontbreekt.
Nu de vrouw geen authentiek uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie van zowel haarzelf als van [kind] heeft overgelegd en derhalve niet kan worden vastgesteld wat de gewone verblijfplaats van de vrouw en/of [kind] is, is het gelet op voormeld artikel niet mogelijk het toepasselijk recht aan te wijzen. Dat de vrouw in een brief van 18 oktober 2006 de rechtbank heeft verzocht het Nederlandse recht toe te passen, doet daaraan niet af.
Voorts is het hof met de rechtbank van oordeel dat het niet mogelijk is om vast te stellen of [kind] uit de vrouw is geboren en of [kind] niet reeds twee ouders heeft. Immers, door de vrouw is geen authentiek afschrift van de geboorteakte en geen authentiek uittreksel uit het gezagsregister overgelegd. Dat, zoals door de vrouw ter terechtzitting is betoogd, door middel van een DNA-onderzoek zou kunnen worden vastgesteld dat de man de biologische vader van [kind] is, laat onverlet dat met de uitkomst van het DNA-onderzoek het vaderschap nog altijd niet kan worden vastgesteld. De vrouw zal daartoe nog altijd authentieke uittreksels van haarzelf en [kind] uit de gemeentelijke basisadministratie, een authentiek uittreksel uit het gezagsregister en een authentiek afschrift van de geboorteakte van [kind] moeten overleggen. Het verweer dat de vrouw niet in staat is de gevraagde bescheiden over te leggen en dat zij, voor zover mogelijk, vervangende informatie heeft overgelegd, komt het hof niet overtuigend over. Zo had de vrouw een uittreksel uit het gezagsregister kunnen overleggen en had zij gedocumenteerde informatie over de nationaliteit van haarzelf (anders dan een niet vertaalde kopie van een buitenlands paspoort) en [kind] kunnen verschaffen. Het hof ziet, nu in deze zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet de noodzakelijke documentatie en informatie is verschaft, geen reden de zaak aan te houden.
8. Op grond van het vorenstaande dient het verzoek van de moeder tot vaststelling van het vaderschap te worden afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve, met verbetering van gronden, bekrachtigen.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Mos-Verstraten en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2007.