
Jurisprudentie
BC0156
Datum uitspraak2007-11-07
Datum gepubliceerd2007-12-18
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers1531-M-06
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-18
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers1531-M-06
Statusgepubliceerd
Indicatie
Voorlopige omgangsregeling van zes omgangscontacten is een niet voor hoger beroep vatbare beslissing.
Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 7 november 2007
Rekestnummer : 1531-M-06
Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-873
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
procureur mr. E. Grabandt,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
procureur mr. R.W. de Vos van Steenwijk.
Als informant is aangemerkt:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuid-Holland Zuid en Zeeland,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De moeder is op 30 oktober 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Middelburg van 23 augustus 2006.
De vader heeft op 29 mei 2007 een verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel ingediend.
Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 8 november 2006 en op 20 november 2006 aanvullende stukken ingekomen. De moeder heeft op 15 juni 2007 een verweerschrift op het voorwaardelijk incidenteel appel ingediend.
Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 11 oktober 2007 aanvullende stukken ingekomen.
De Raad heeft het hof bij brief van 11 mei 2007 het raadsrapport van 28 maart 2006 aan het hof te doen toekomen.
Op 17 oktober 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.T.E. Kranenburg en namens de Raad: de heer C.M.J. Vandenbooren. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.
HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 9 november 2005 van de rechtbank Middelburg.
- Bij de tussenbeschikking van 9 november 2005 is onder meer bepaald dat de verdere behandeling ten aanzien van de omgangsregeling wordt aangehouden in afwachting van het door de rechtbank bij proces-verbaal van 11 oktober 2005 verzochte onderzoek door de Raad.
- Bij de opvolgende – bestreden – beschikking is een voorlopige omgangsregeling bepaald van zes omgangscontacten tussen de vader en na te noemen kinderen, waarna bij de rechtbank een evaluatie zal plaatsvinden. Iedere verdere behandeling is aangehouden.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
1. In geschil is de omgang tussen de vader en de minderjarige kinderen:
[kind 1], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 1], en
[kind 2], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 2],
ook gezamenlijk verder: de kinderen, die bij de moeder verblijven. De kinderen zijn geboren uit een affectieve relatie tussen de vader en de moeder. De vader heeft de kinderen erkend en de moeder heeft het eenhoofdig gezag over de kinderen.
2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, een nader onderzoek door een ter zake deskundige onafhankelijke instantie, bijvoorbeeld het FORA, naar de persoonlijkheid van de vader te gelasten en daarbij tevens aanvullend advies te vragen aangaande de vraag of er sprake is van ernstige bezwaren die zich tegen een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen zouden verzetten, dan wel een dusdanig voorlopige omgangsregeling vast te stellen als het hof – na daartoe aanvullend advies van een ter zake deskundige onafhankelijke instantie of instanties hebben verkregen – mag vermenen te behoren, aangaande de kinderen.
3. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de moeder in het door haar ingestelde appel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoeken als ongegrond en onbewezen, af te wijzen. Voorts verzoekt de vader het hof in voorwaardelijk incidenteel appel op de in zijn beroepschrift voormelde gronden en middelen te bepalen dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan de bij de bestreden beschikking vastgestelde voorlopige omgangsregeling, bij gebreke waarvan de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat zij met de nakoming in gebreke mocht zijn na betekening van de in deze te wijzen beschikking.
4. De moeder verzet zich daartegen en verzoekt daarbij de vader in zijn voorwaardelijk incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoeken als ongegrond en onbewezen af te wijzen.
Ontvankelijkheid principaal appel
5. De vader stelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de rechtbank in de bestreden beschikking door de gedeeltelijke en voorlopige toewijzing van het verzochte aan het gehele geding geen einde maakt. Artikel 358 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt, dat afzonderlijk hoger beroep van tussenbeschikkingen niet is toegelaten, tenzij de rechter anders bepaalt, hetgeen in casu volgens de vader niet is geschied. De bestreden beschikking dient dan ook een tussenbeschikking te worden aangemerkt, nu de rechtbank heeft bevolen zes omgangscontacten te houden om vervolgens deze contacten te evalueren op een terechtzitting, waarbij iedere verdere beslissing is aangehouden.
6. In haar verweerschrift tegen het voorwaardelijk incidenteel appel stelt de moeder dat het appel wel degelijk ontvankelijk is. De rechtbank heeft door omgangscontacten te gelasten een eindbeslissing genomen aangaande de vraag of en zo ja, op welke wijze er op verantwoorde wijze omgang tussen de vader en de kinderen kan plaatsvinden, ook al zijn deze contacten door de rechtbank bestempeld als “voorlopige omgangsregeling”. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de moeder verwezen naar haar verweerschrift en gesteld dat er sprake is van een definitieve en in de tijd begrensde eindbeslissing, waartegen hoger beroep openstaat. Het betreft hier proefcontacten die duidelijk omschreven zijn.
7. De Raad refereert zich voor wat betreft de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan het oordeel van het hof.
8. Het hof overweegt als volgt. Anders dan de advocaat van de moeder is het hof van oordeel dat in de bestreden beschikking geen in tijd begrensde omgangsregeling is bepaald. Het hof begrijpt de beslissing van de rechtbank aldus, dat in het kader van de voorliggende vraag met betrekking tot de omgang, de rechtbank – in vervolg op de drie proefcontacten zoals deze door de Raad zijn uitgevoerd – zes nadere onderzoekscontacten oplegt om na ommekomst daarvan de resultaten te evalueren en deze mee te wegen in de te geven eindbeschikking aangaande de omgang. Gelet op deze lezing is het hof van oordeel dat de voorliggende beslissing een tussenbeschikking is waartegen – nu de rechtbank niet anders heeft bepaald – geen hoger beroep openstaat.
9. Het hof verklaart op die grond verzoekster niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.
Voorwaardelijk incidenteel appel
10. De vader heeft voorwaardelijk, voor het geval de moeder in haar beroep ontvankelijk zou zijn, incidenteel appel ingesteld.
11. Gelet op de vorenstaande niet-ontvankelijkheid van het principaal appel, behoeft het voorwaardelijk ingestelde incidentele appel geen nadere bespreking meer.
12. Mitsdien beslist het hof als volgt.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Van Leuven en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Schaaij als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2007.