Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0155

Datum uitspraak2007-10-31
Datum gepubliceerd2007-12-18
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers1837-H-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen limitering (oud). Verlenging tot 2013. Onverminderde behoefte van de vrouw, geen wijziging.


Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 31 oktober 2007 Rekestnummer : 1837-H-06 Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-2142 [verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. D.G.M. van den Hoogen, tegen [verweerder], wonende te [woonplaats], verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, procureur mr. G. Janssen. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vrouw is op 27 december 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 3 oktober 2006. De man heeft op 28 februari 2007 een verweerschrift ingediend. Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 15 februari 2007 en op 10 september 2007 aanvullende stukken ingekomen. Op 19 september 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur, en de advocaat van de man mr. J. du Bois. De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking, waarbij de verplichting van de man om aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken is beëindigd met ingang van 25 juli 2006. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is de limitering dan wel de wijziging van de alimentatie voor de vrouw. 2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de man af te wijzen, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht. De man bestrijdt haar beroep. Limitering van de alimentatie 3. De vrouw voert aan dat de rechtbank ten onrechte de verplichting van de man tot betaling van alimentatie heeft beëindigd. De rechtbank had er volgens de vrouw rekening mee moeten houden dat zij pas over een aantal jaren aanspraak kan maken op een deel van het pensioen van de man, dat bovendien maar klein is, en dat de man over een zeer ruime draagkracht beschikt. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat haar behoefte is gedaald en dat zij geld opzij had kunnen en moeten zetten. Door een door het hof bepaalde wijziging van de alimentatie in 2000 en door het niet tijdig betalen van de alimentatie door de man is de vrouw in financieel moeilijke omstandigheden komen te verkeren, waardoor zij een doorlopend krediet heeft moeten afsluiten. Zij is volkomen ingeteerd op haar vermogen, onder meer door met een deel haar hypothecaire geldlening af te lossen. De rechtbank heeft hieruit ten onrechte afgeleid dat haar behoefte is afgenomen. Beëindiging van de alimentatie is te ingrijpend en kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar worden gevergd, aldus de vrouw. 4. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. 5. Het hof overweegt het volgende. Niet in geschil is dat het einde van de alimentatie voor de vrouw een ingrijpende terugval in haar netto besteedbaar inkomen betekent. Bij de beoordeling of de beëindiging van zo ingrijpende aard is, dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid al dan niet kan worden gevergd houdt het hof rekening met de volgende, niet betwiste dan wel voldoende aannemelijk gemaakte, omstandigheden: - partijen zijn in 1975 gehuwd en zijn bijna 16 jaar getrouwd geweest; - uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren; - de verdiencapaciteit van de vrouw is door het huwelijk negatief beïnvloed aangezien zij het grootste deel van de zorgtaken op zich genomen heeft en maar sporadisch heeft gewerkt; - de vrouw heeft over een aantal jaren recht op een deel van het pensioen van de man; - de vrouw heeft afgezien van pensioenopbouw bij haar huidige werkgever om meer netto besteedbaar inkomen per maand over te houden; - de vrouw is nu 59 jaar; - de vrouw heeft een (huwelijksgerelateerde) behoefte die groter is dan haar verdiencapaciteit, welke capaciteit zij, gelet op haar leeftijd, gezondheid, opleiding en werkervaring thans volledig benut; - de vrouw heeft in 2002 in het kader van de boedelscheiding een bedrag van € 151.719,48 ontvangen; - de vrouw heeft de hypothecaire geldlening op haar woning afgelost; - de vrouw heeft – behoudens haar woning – thans geen vermogen meer; - beide partijen weten dat de alimentatieverplichting niet onbeperkt behoort voort te duren; - de man heeft nu 16 jaar alimentatie betaald en heeft er belang bij de alimentatieverplichting tot een einde te zien komen; - de man kampt met gezondheidsklachten; - de man heeft een zeer ruime draagkracht. Al deze omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd en tegen elkaar afgewogen brengen het hof tot het oordeel dat beëindiging van de alimentatie thans zo ingrijpend is, dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. 6. De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht de termijn gedurende welke de alimentatieverplichting blijft voortduren te verlengen met negen jaar. De man is tegen verlenging van de alimentatieplicht. Partijen zijn in hoger beroep niet op hun standpunten teruggekomen. Gelet op de onder rechtsoverweging 5 genoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat de alimentatieplicht dient te worden verlengd tot de dag waarop de vrouw de 65-jarige leeftijd bereikt, en dat het mogelijk moet zijn deze termijn te verlengen. Wijziging van de alimentatie 7. De man heeft in eerste aanleg subsidiair verzocht de alimentatie te bepalen op € 400,- per maand. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de beslissing van dit hof van 7 januari 2000 niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet, aangezien de vrouw werkt en daarmee in eigen levensonderhoud kan voorzien. Zij heeft daardoor een lagere behoefte aan een bijdrage van de man. 8. De vrouw heeft betwist dat haar behoefte aan een bijdrage van de man is afgenomen. 9. Het hof overweegt het volgende. Anders dan de man leest het hof in de beschikking van 7 januari 2000 niet, dat de behoefte van de vrouw daarin is vastgesteld op fl. 3.000,- per maand. Het hof is van oordeel dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw gelet op de welstand ten tijde van het huwelijk en de daardoor als redelijk aan te merken uitgaven en reserveringen ook thans nog zodanig hoog is, dat zij naast haar eigen inkomsten onverminderd behoefte heeft aan (thans na indexering) € 1.722,47 per maand als bijdrage van de man. 10. De draagkracht van de man is niet in geschil en staat derhalve vast. 11. Het voorgaande brengt mee dat de alimentatie voor de vrouw nog steeds overeenkomstig de wettelijke maatstaven is, zodat er geen grond voor wijziging van de alimentatie is. 12. Dit leidt tot de volgende beslissing. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende: wijst het inleidende verzoek van de man tot limitering en tot wijziging van de alimentatie voor de vrouw af; bepaalt dat de verplichting van de man om aan de vrouw alimentatie te verstrekken voortduurt tot 1 juli 2013; bepaalt dat verlenging van deze termijn na ommekomst daarvan mogelijk is; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Husson en Burgers-Thomassen, bijgestaan door mr. Martens als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2007.