
Jurisprudentie
BC0153
Datum uitspraak2007-11-14
Datum gepubliceerd2007-12-18
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers319-H-07
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-18
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers319-H-07
Statusgepubliceerd
Indicatie
Betrouwbaarheid overgelegde jaarstukken.
Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 14 november 2007
Rekestnummer. : 319-H-07
Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-6462
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. H.H.M. de Vries-Veringa,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. A.M.M. van der Valk.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vrouw is op 6 maart 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 6 december 2006.
De man heeft op 20 april 2007 een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 6 april 2007 en 21 september 2007 aanvullende stukken ingekomen.
Van de zijde van de man zijn bij het hof op 25 september 2007 aanvullende stukken ingekomen.
Op 5 oktober 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur, en de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. M.A.Th. Klaver. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.
VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage. Bij die beschikking is onder meer het verzoek van de vrouw tot het bepalen van een partneralimentatie afgewezen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan:
De echtscheidingsbeschikking is op 12 maart 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de door de man te betalen alimentatie ten behoeve van de vrouw.
2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking (naar het hof begrijpt: voor zover haar verzoek tot het vaststellen van een partneralimentatie is afgewezen) te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, alsnog te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie zal worden bepaald op een bedrag van € 1.580,- per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof zal vermenen te behoren.
3. De man bestrijdt haar beroep.
4. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot het vaststellen van een partneralimentatie heeft afgewezen. De man heeft deze stelling van de vrouw gemotiveerd weersproken.
5. Het hof overweegt als volgt. Partijen twisten over de behoefte van de vrouw, meer in het bijzonder over hun netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, in verband met het vaststellen van haar behoefte. De man heeft in eerste aanleg gesteld dat het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk € 1.800,- per maand bedroeg. De rechtbank heeft, volgens de vrouw ten onrechte, overwogen dat de vrouw dit inkomen niet gemotiveerd heeft weersproken. De vrouw stelt, in hoger beroep, dat het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk € 3.732,- per maand bedroeg.
6. Het hof stelt vast dat partijen ten tijde van hun huwelijk gezamenlijk een horecaonderneming gedreven. Die onderneming hebben zij uiteindelijk verkocht; de onderneming is gestaakt per 31 december 2004. Partijen hebben het pand waarin hun onderneming werd gedreven, met ingang van 1 januari 2005, voor een periode van vijf jaar verhuurd (met koopoptie) aan de koper. Partijen genieten derhalve tot 2010 huurinkomsten.
7. Voorts stelt het hof vast dat de man op 25 februari 2005 de echtelijke woning van partijen heeft verlaten; partijen zijn toen feitelijk uiteen gegaan.
8. Daarnaast stelt het hof vast dat partijen in de jaren vóór hun feitelijk uiteengaan uitsluitend inkomen uit hun onderneming hebben genoten. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat er nog andere inkomsten waren dan deze inkomsten die voortvloeien uit de financiële gegevens betreffende de onderneming.
9. Het hof ziet in het vorenstaande aanleiding het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun huwelijk vast te stellen aan de hand van de door de vrouw overgelegde jaarstukken met betrekking tot de onderneming. De man heeft gesteld dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de inkomsten. Voor wat betreft de inkomsten van partijen gaat het hof uit van het resultaat van de onderneming betreffende de jaren 2000, 2001, 2002 en 2003. Gezien het feit dat de onderneming in 2004 is gestaakt neemt het hof dat jaar niet mee. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat de jaarcijfers van de onderneming geen getrouw beeld geven. Het resultaat uit de onderneming bedroeg: 2003 € 6.320,-, 2002 € 30.042,-, 2001 € 27.705,-, en 2000 € 22.895,-. Bij de bepaling van het uitgavenpatroon van partijen heeft het hof eveneens rekening gehouden met de door partijen gedane privé opnames. Met de man is het hof van oordeel dat op de opnames in mindering dient te worden gebracht de privé stortingen die partijen in die zelfde jaren hebben gedaan, teneinde de gemiddelde netto opnames te kunnen berekenen. Rekening houdend met het inkomen van partijen en rekening houdend met de uitgaven zoals gesteld door de man in zijn verweerschrift begroot het hof in redelijkheid de uitgaven op € 2.300,- netto per maand.
10. De vrouw stelt met betrekking tot de jaarstukken van de onderneming dat de vergoeding wegens privé gebruik van goederen meer bedroeg dan gemiddeld € 145,- per maand. De besparing ter zake van onder meer voedingsmiddelen, dranken en schoonmaakspullen bedroeg volgens haar € 320,-, en de besparing ter zake van duurzame gebruiksgoederen, zoals huishoudelijke apparatuur, kan geraamd worden op een bedrag van gemiddeld € 250,- per maand.
11. De man heeft gesteld dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft en heeft de door de vrouw gestelde bedragen gemotiveerd weesproken.
12. Het hof heeft ter zitting expliciet gevraagd waar het hof de door de vrouw gestelde bedragen in de jaarstukken kan vinden.
13. De vrouw heeft verklaard dat de bedragen zijn gemaskeerd in de jaarrekening. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar stelling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, te meer daar de man een en ander heeft weersproken. Het hof houdt met de door de vrouw gestelde posten dan ook geen rekening bij het vaststellen van het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun huwelijk.
14. Voorts stelt de vrouw dat partijen destijds de beschikking hadden over een rekening in Luxemburg met een saldo van € 22.000,-. De vrouw stelt dat gelet op het saldo van de rekening bij opheffing enerzijds en de periode van opbouw anderzijds, kan worden geconcludeerd dat sprake is geweest van besparingen ten bedrage van € 360,- per maand. Deze besparing dient volgens haar te worden bijgeteld bij het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk. De man heeft gesteld dat partijen zuinig leefden en zij daarom in staat waren te sparen. Het hof heeft het verweer van de man – mede bezien zijn uitleg ter zitting – zodanig begrepen dat de besparing voortvloeiden uit de hierboven genoemde inkomsten. Nu de vrouw haar stelling verder niet onderbouwt, houdt het hof daar geen rekening mee.
15. Ook stelt de vrouw dat partijen destijds beschikten over een extra netto inkomen uit fooien van gemiddeld € 325,- per maand. De man weerspreekt hetgeen de vrouw met betrekking tot de fooien heeft gesteld.
16. Het hof is van oordeel dat voor zover partijen de beschikking hadden over fooien, de vrouw geen inzicht heeft gegeven in de hoogte daarvan. Een concrete onderbouwing van haar stelling dienaangaande ontbreekt, zodat het hof geen rekening houdt met fooien.
17. De vrouw heeft inkomen uit arbeid. Zij werkte tot verkort gedurende 21 uur per week en genoot daarmee een inkomen van ongeveer € 800,- netto per maand. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij inmiddels een andere werkkring heeft aanvaard en dat zij thans gedurende 17 uur per week werkzaam is. De vrouw heeft het hof geen inzage verschaft in de omvang van haar huidige inkomen uit arbeid. Het hof gaat er, bij gebrek aan gegevens, van uit dat de vrouw niet minder is gaan verdienen.
18. De vrouw beschikt daarnaast over huurinkomsten die het hof in redelijkheid vaststelt op afgerond € 1.795,- netto per maand. Dat de vrouw een onderhoudsreserve, ten behoeve van onderhoudskosten aan het verhuurde pand, ten laste van haar inkomsten wil opbouwen doet daaraan niet af. Bovendien is ter zitting gebleken dat er tot op heden geen onderhoud aan het pand wordt verricht, noch dat een begroting ter zake van mogelijke onderhoudskosten is gemaakt. Nu er feitelijk geen onderhoudskosten zijn gemaakt en ieder inzicht in te maken onderhoudskosten ontbreekt, houdt het hof daarmee geen rekening. Het hof overweegt daarbij nog ten overvloede dat de man ter zitting heeft verklaard dat de huurders op eigen kosten het pand verbouwen en hebben gezegd dat zij de verantwoordelijkheid nemen voor (toekomstige) schade aan het pand.
19. Gezien het inkomen waarover de vrouw beschikt en het gezinsinkomen dat partijen tijdens hun huwelijk genoten, is het hof van oordeel dat de vrouw ruimschoots in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.
20. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.
21. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Kamminga en Breederveld, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2007.