Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0151

Datum uitspraak2007-11-14
Datum gepubliceerd2008-01-03
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers1343-R-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Niet naleven verweertermijn en instellen Incidenteel appel. Grootouders zijn belanghebbenden. Verzoek om DNA-test afgewezen. Aan vader omgang voor drie jaren ontzegd.


Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 14 november 2007 Rekestnummer : 1342-R-06 Rekestnr. rechtbank : F1 RK 05-2976 [verzoeker], thans verblijvende in de penitentiaire inrichting “[x], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, procureur mr. S. de Kluiver. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: 1. [belanghebbende 1], beiden wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de grootouders, procureur: mr. W. Heemskerk; 2. Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, kantoorhoudende te Rotterdam, hierna te noemen: Jeugdzorg; 3. de raad voor de kinderbescherming, vestiging Rotterdam, hierna te noemen: de raad; 4. het Openbaar Ministerie, ressortsparket ’s-Gravenhage, hierna te noemen: het Openbaar Ministerie. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vader is op 26 september 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 29 juni 2006. De grootouders hebben op 27 april 2007 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel en op 6 juni 2007 een aanvullend verweerschrift ingediend. De raad heeft op 6 juni 2007 een verweerschrift ingediend. Het Openbaar Ministerie heeft het hof op 26 september 2007 zijn civiele conclusie doen toekomen. Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 1 november 2006, 17 april 2007 en 24 september 2007 aanvullende stukken ingekomen. Van de zijde van Jeugdzorg heeft het hof op 2 mei 2007 en op 27 september 2007 stukken ontvangen. Van de zijde van het Openbaar Ministerie heeft het hof het pro justitia rapport van 20 juni 2007 en het pro justitia rapport van 10 juni 2007 ontvangen, betreffende een in opdracht van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam, verricht psychologisch respectievelijk psychiatrisch onderzoek naar de geestvermogens van de vader. Op 5 oktober 2007 is de zaak, samen met de zaak met rekestnummer 1343-R-06 (betreffende de ontzetting van het gezag) mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. A.A.J. de Nijs, de grootouders, bijgestaan door hun advocaat mr. A.T. Tilburg, namens de raad de heer Dekker en namens Jeugdzorg mevrouw M.T. Schippers, mevrouw W. Straver en mevrouw Schuijs, bijgestaan door advocaat mr. S. Scheimann. Namens het Openbaar Ministerie is niemand verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de vader, de advocaat van de vader en de grootvader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde (pleit)notities. De grootouders zijn op hun verzoek buiten de aanwezigheid van de vader gehoord. De vader is aansluitend in de gelegenheid gesteld te reageren op hetgeen door de grootouders naar voren is gebracht. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking, waarbij is bepaald dat Jeugdzorg, voogd over de hierna te noemen kinderen, aan de vader met ingang van 1 juli 2006 tweemaal per jaar een recente goed gelijkende kleurenfoto van de kinderen doet toekomen. Voorts is bepaald dat de informatie- en consultatieregeling als bedoeld in artikel 1:377b, eerste lid BW, buiten toepassing blijft. Tevens is de vader het recht op omgang met de kinderen ontzegd. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Bij beschikking van 7 november 2007 heeft het hof de beschikking van de rechtbank, waarbij de vader is ontzet van het gezag over de kinderen, bekrachtigd. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET INCIDENTEEL APPEL De vader heeft gesteld dat de grootouders niet-ontvankelijk zijn in het incidenteel appel dan wel dat het incidenteel appel moet worden afgewezen, aangezien zij het incidenteel appel (dat is vervat in het verweerschrift) na de door het hof bepaalde verweertermijn hebben ingediend. Het hof overweegt het volgende. In artikel 361 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is voor het indienen van verweerschriften in hoger beroep, in tegenstelling tot verweerschriften in eerste aanleg, een termijn opgenomen omdat, zo blijkt uit de wetgeschiedenis, het als minder gelukkig werd ervaren wanneer in deze procedures pas tijdens de behandeling blijkt dat een verweerschrift wordt ingediend. De wet heeft geen sanctie verbonden aan het niet naleven van de termijn. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad kan de sanctie van niet-ontvankelijkheid, buiten de gevallen van ernstige schending van de goede procesorde, pas toepassing vinden als de wet daartoe een basis biedt. Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval geen sprake van ernstige schending van de goede procesorde. Het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, is weliswaar na de termijn maar ruimschoots voor de mondelinge behandeling ingediend. De vader heeft voldoende tijd gehad om van het verweerschrift en het daarin vervatte incidenteel appel kennis te nemen en hij heeft zich op 24 september 2007 schriftelijk en ter terechtzitting in hoger beroep mondeling verweerd tegen het incidenteel appel, zodat hij door het niet naleven van de termijn niet in zijn belangen is geschaad. Het hof is van oordeel dat het te laat indienen van het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, in dit geval zonder gevolgen kan blijven en dat de grootouders kunnen worden ontvangen in hun incidenteel appel. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is de omgangsregeling en de informatie- en consultatieregeling tussen de vader en [kind 1], geboren op [geboortedatum], hierna te noemen: [kind 1], en [kind 2], geboren op [geboortedatum], hierna te noemen: [kind 2]. 2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het Trauma Centrum Utrecht als deskundige organisatie onderzoek zal doen naar de wenselijkheid en de mogelijkheden van omgang tussen de vader en de kinderen, dat Jeugdzorg de vader elke twee maanden informeert over het wel en wee van de kinderen, in die zin dat vier keer per jaar schriftelijke informatie wordt verstrekt en twee keer per jaar een persoonlijk contact plaatsheeft tussen de vader en de gezinsvoogd, en te bepalen dat middels DNA-onderzoek zal worden vastgesteld of de vader de biologische vader is van de kinderen, en voor het overige de bestreden beschikking te bekrachtigen. 3. De grootouders bestrijden zijn beroep en verzoeken incidenteel de bestreden beschikking wat betreft de verplichting om een foto van de kinderen naar de vader te sturen, te vernietigen en het inleidend verzoek in zoverre af te wijzen. 4. Jeugdzorg verzoekt de beslissing op het verzoek van de vader om een omgangsregeling aan te houden tot er onderzoeksresultaten voorhanden zijn, het verzoek om informatie te ontvangen te honoreren in die zin, dat de vader van Jeugdzorg viermaal per jaar informatie ontvangt, en inzake het DNA-onderzoek een bijzondere curator te benoemen. 5. Het Openbaar Ministerie refereert zich wat betreft het DNA-onderzoek aan het oordeel van het hof en concludeert overigens tot afwijzing van het hoger beroep. 6. De raad bestrijdt het beroep van de vader wat betreft de omgangsregeling. Omgang 7. De vader stelt dat er geen gronden zijn om hem de omgang met zijn kinderen te ontzeggen en dat de belangen van de kinderen niet zijn gediend bij een ontzegging van de omgang. Voor de kinderen is het belangrijk een reëel vaderbeeld op te bouwen. Alvorens het hof kan beslissen moet het Traumacentrum Utrecht onderzoek doen naar de mogelijkheden en wenselijkheid van omgang tussen de vader en de kinderen. De in het kader van de strafzaak opgemaakte rapporten evenals het rapport van prof. dr. W.H.G. Wolters dienen buiten beschouwing te blijven, aldus de vader. 8. De grootouders willen niet dat de vader nu omgang heeft met de kinderen en zij stellen daartoe het volgende. De vader heeft de moeder van de kinderen om het leven gebracht en dit heeft (uiteraard) diep ingegrepen in het leven van de kinderen en van de grootouders. Blijkens de rapportages heeft de vader het syndroom van Asperger en heeft hij tevens theatrale en narcistische persoonlijkheidskenmerken. Hierdoor heeft de vader onder meer beperkingen van het gevoelsleven en geen empathie. Hij zal zich hierdoor niet kunnen inleven in het verlies van de kinderen. De omgeving waarin de vader verblijft is naar zijn aard niet geschikt voor omgang. Voorts is er een reëel gevaar dat de vader ook de kinderen wat zal aandoen. [kind 1] is onder behandeling van een psycholoog. Het vraagt veel energie om haar te laten deelnemen aan alledaagse activiteiten. Omgang zou voor veel spanningen in het gezin van grootouders en kinderen zorgen, en die kunnen zij op dit moment, terwijl het feit zich niet zo heel lang geleden heeft voorgedaan en er nog allerlei juridische procedures lopen, niet aan. De grootouders hebben professor Wolters onderzoek laten doen en hij komt tot de conclusie dat voorlopig geen contact zou moeten plaatshebben tussen de vader en de kinderen en dat verder onderzoek niet nodig is. De grootouders zijn bereid om mee te werken aan omgang als blijkt dat het voor de kinderen noodzakelijk is en als de vader is behandeld. 9. Volgens de raad brengt omgang met de vader risico’s voor de ontwikkeling van de kinderen met zich, gelet op de draaglast en –kracht van de grootouders om mee te werken aan een omgangsregeling, de spanningen die omgang tussen de vader en de kinderen zal opleveren bij de grootouders en de weerslag die dit op de kinderen zal hebben. Daarnaast is het niet in het belang van de kinderen nog verdere psychodiagnostische onderzoeken te ondergaan. Contra-indicaties voor omgang hebben voornamelijk te maken met de aanwezigheid van ernstige psychopathologie bij vader. Eventueel onderzoek zou zich hierop moeten richten, en niet op de kinderen. De raad vreest dat de kinderen niet aan hun ontwikkeling toekomen indien zij (opnieuw) worden belast met onderzoeken. 10. Jeugdzorg meent dat het de deskundigheid mist om te beslissen of omgang in het belang van de kinderen is. In principe is het van belang dat kinderen een reëel vaderbeeld opbouwen, maar er kan sprake zijn van contra-indicaties en dat zal onderzocht moeten worden. Daarnaast wenst Jeugdzorg zicht te krijgen op de ontwikkeling van de kinderen. Jeugdzorg heeft het Traumacentrum te Utrecht benaderd, maar de grootouders willen niet meewerken. In plaats daarvan hebben de grootouders professor Wolters benaderd, die de kinderen zonder toestemming van Jeugdzorg heeft onderzocht. Het rapport van Wolters dient daarom buiten beschouwing te blijven, aldus Jeugdzorg. 11. Het Openbaar Ministerie heeft zich over de omgang niet uitdrukkelijk uitgelaten. 12. Het hof is van oordeel dat thans geen onderzoek naar de wenselijkheid van en mogelijkheden tot omgang dient plaats te hebben en dat de vader de omgang met de kinderen moet worden ontzegd. Uit de overgelegde stukken en met name het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat zowel een onderzoek naar omgang als omgang zelf op dit moment te belastend zou zijn voor de grootouders en het risico met zich brengt dat zij voor de kinderen als opvoeders onbeschikbaar worden. Het hof acht dit een onaanvaardbaar risico en is daarom van oordeel dat het belang van de kinderen zich op dit moment tegen een onderzoek verzet en dat omgang op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Gelet op het recht op en belang bij omgang van ouders en kinderen zal het hof de vader de omgang ontzeggen voor bepaalde tijd en wel voor de duur van drie jaren. Tezijnertijd kan opnieuw een verzoek tot omgang worden gedaan, waarbij rekening gehouden kan worden met de omstandigheden zoals die zich na het verstrijken van de termijn van drie jaren voordoen. Informatieregeling 13. De vader stelt dat hij tot nu toe geheel verstoken blijft van informatie over de kinderen. Hij wil graag vier maal per jaar schriftelijk en twee maal per jaar in een persoonlijk onderhoud met de voogd geïnformeerd worden. 14. Jeugdzorg als voogd wil, nu het belang van de kinderen zich niet tegen informatieverstrekking verzet, de vader viermaal per jaar, waarvan tweemaal in een persoonlijk onderhoud, informatie over de kinderen verstrekken. 15. De raad noch het Openbaar Ministerie heeft zich over de informatieregeling uitdrukkelijk uitgelaten. 16. Het hof is van oordeel dat een informatieregeling als door Jeugdzorg voorgesteld enerzijds de vader voldoende informeert en anderzijds niet in strijd is met de belangen van de kinderen. Het hof zal overeenkomstig beslissen. Foto’s 17. De grootouders hebben in incidenteel appel verzocht te bepalen dat het inleidend verzoek, voor zover het ziet op het verstrekken van foto’s van de kinderen aan de vader, wordt afgewezen. Het verstrekken van foto’s schendt de privacy van de kinderen en zou fantasie en gedrag van de vader te sterk kunnen beïnvloeden. De grootouders wijzen op het rapport van professor Wolters, dat hen in die opvatting steunt. 18. De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens hem mag van het rapport van professor Wolters geen gebruik worden gemaakt, omdat buiten de wettelijke regelingen om onderzoek is verricht, de onderzoeksvragen zonder enige betrokkenheid van de voogd en van de vader zijn opgesteld, men gericht op het eigen belang en niet op het belang van de kinderen onderzoek heeft gedaan en omdat er medische documenten van de vader zonder zijn toestemming beschikbaar zijn gesteld aan derden. Het rapport is daardoor eenzijdig, op slechts een beperkt aantal gegevens gebaseerd en in strijd met de wet opgesteld. 19. Namens Jeugdzorg is ter terechtzitting van het hof verklaard dat Jeugdzorg bereid is foto’s aan de vader te verstrekken. 20. De raad noch het Openbaar Ministerie heeft zich over het verstrekken van foto’s uitdrukkelijk uitgelaten. 21. Naar het oordeel van het hof is het onderzoek van professor Wolters beperkt geweest en kan daarop niet zonder meer het oordeel worden gegrond dat het belang van de kinderen zich verzet tegen het verstrekken van foto’s aan de vader. Nu overigens niet is gebleken dat het belang van de kinderen vereist dat geen foto’s aan de vader worden verstrekt, zal het hof het verzoek van de grootouders afwijzen, onder aantekening dat het aan Jeugdzorg ter verdere beoordeling wordt gelaten op welke wijze de informatieverstrekking concreet zal worden ingericht. In beginsel mag daarvan wat het hof betreft een foto van de kinderen onderdeel vormen, tenzij daartegen, nader door Jeugdzorg te onderbouwen, serieuze bezwaren zullen blijken. DNA-onderzoek 22. De vader heeft verzocht te bepalen dat een DNA-onderzoek zal worden gedaan om vast te stellen of hij de biologische vader is van de kinderen. De vader stelt dat het in hun belang is om te weten wie hun vader is en door hem te worden opgevoed. 23. De grootouders ervaren het verzoek van de vader als grievend. De suggestie wordt erdoor gewekt dat hun dochter zich eerloos zou hebben gedragen en zij willen uit piëteit niet meewerken. 24. Jeugdzorg heeft gesteld dat het belang van de kinderen zich tegen een DNA-onderzoek verzet. Er is geen reden te twijfelen aan de bloedband tussen de vader en de kinderen. Jeugdzorg refereert zich aan het oordeel van het hof; wel dient een bijzondere curator te worden benoemd. 25. De raad heeft zich over het DNA-onderzoek niet uitdrukkelijk uitgelaten. 26. Het Openbaar Ministerie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. 27. Het hof ziet geen gronden voor een DNA-onderzoek nu dit niet berust op een wettelijke basis. Immers, het verzoek is niet gekoppeld aan enig op de wet berustend verzoek en kan niet als een op zichzelf staand verzoek worden ingediend. Het hof wijst het verzoek van de vader derhalve af. Er is dan ook geen reden een bijzondere curator te benoemen. 28. Dit alles leidt tot de volgende beslissing. BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en in zoverre opnieuw beschikkende: ontzegt de vader het recht op omgang met de kinderen gedurende drie jaren met ingang van heden; bepaalt een informatieregeling ten behoeve van de vader met betrekking tot de kinderen, inhoudende dat Jeugdzorg als voogd de vader per jaar tweemaal schriftelijk en tweemaal in een persoonlijk onderhoud informeert over de kinderen en aan hem tweemaal per jaar een recente en goedgelijkende kleurenfoto van de kinderen doet toekomen, tenzij daartegen door Jeugdzorg schriftelijk aan de vader nader te onderbouwen serieuze bezwaren zullen blijken; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Mink en Bouritius, bijgestaan door mr. Martens als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2007.