
Jurisprudentie
BC0102
Datum uitspraak2007-10-30
Datum gepubliceerd2007-12-13
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers136314/2007-2066
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-13
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers136314/2007-2066
Statusgepubliceerd
Indicatie
Omgang met biologische vader.
Uitspraak
RECHTBANK HAARLEM
Sector Familie- en Jeugdrecht
omgangsregeling
zaak-/rekestnr.: 136314/07-2066
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 30 oktober 2007
in de zaak van:
[naam vrouw],
wonende te [woonplaats],
hierna mede te noemen: de moeder,
procureur mr. Y. Welter,
--tegen--
[naam man]
wonende te [woonplaats],
hierna mede te noemen: de vader,
procureur mr. C.M. Smit.
1 Verloop van de procedure
Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar:
- het op 18 juni 2007 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de moeder;
- het op 6 september 2007 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de vader;
- de op 27 september 2007 ontvangen brief met bijlage van de procureur van de vader;
- het verhandelde ter terechtzitting op 28 september 2007 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun raadslieden en de nieuwe partner van de moeder, [naam partner].
2 De vaststaande feiten
2.1 Uit de kortstondige relatie van partijen is op [datum] 2003 te [geboorteplaats] de minderjarige [naam kind] geboren. De moeder heeft van rechtswege het gezag over de minderjarige. De heer [naam partner] heeft [naam kind] op [datum] 2005 erkend. Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 20 maart 2007 is het verzoek van de vader tot vernietiging van de erkenning van [naam kind] door de heer [naam partner] niet-ontvankelijk verklaard. De vader heeft hiertegen appel ingesteld, welke procedure nog aanhangig is.
2.2 Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 26 juli 2005 is een omgangsregeling vastgelegd waarbij de vader en [naam kind] gerechtigd zijn omgang met elkaar te hebben de ene week op zaterdag van 14.00 uur tot 17.00 uur en de andere week op een door partijen in onderling te bepalen vaste middag doordeweeks van 14.00 uur tot 17.00 uur. Hierbij gaat de rechtbank er vanuit dat op den duur zal worden toegewerkt naar een weekendregeling. Bovendien is beslist dat de eerste drie omgangscontacten onder begeleiding van de moeder zullen plaatsvinden en daarna zonder begeleiding.
3 Het verzoek en de grondslag daarvan
3.1 Het verzoek van de moeder strekt tot het wijzigen van voornoemde omgangsregeling, in die zin dat de omgang tussen de vader en de minderjarige [naam kind] wordt stopgezet, althans dat een zodanige regeling wordt vastgelegd als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
3.2 De moeder voert daartoe aan dat de omgangsregeling van aanvang af problematisch is verlopen. De vader zei in het verleden omgangsafspraken af, kwam te laat of zelfs helemaal niet opdagen. Sinds ruim een jaar is er in het geheel geen omgang meer. Primair is de moeder daarom van mening dat er gelet op het tijdsverloop geen sprake meer is van ‘family life’ tussen de vader en [naam kind]. Subsidiair acht zij naleving van de eerder vermelde omgangsregeling niet in het belang van [naam kind]. Zo heeft de vader zich onlangs tijdens een belcontact met [naam kind] op zijn verjaardag geprofileerd als zijnde zijn “papa”, terwijl dit voor [naam kind] de nieuwe partner van de moeder is en hij de vader bij zijn voornaam noemt. [naam kind] herkent op dit moment de vader niet meer en is ook niet op de hoogte van het feit dat de vader zijn biologische vader is. Meer subsidiair acht de moeder de vader kennelijk ongeschikt om omgang met [naam kind] te hebben, aangezien zij vermoedens van alcohol- en drugsmisbruik heeft. De vader is al eens veroordeeld tot een geldboete en daarnaast tot negen maanden rijontzegging, dit alles vanwege het rijden onder invloed.
4 Het verweer tevens zelfstandig verzoek
4.1 De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens de vader heeft de omgang tussen hem en [naam kind] van april 2005 tot mei 2006 juist door toedoen van de moeder niet regelmatig of in het geheel niet plaatsgevonden. Ondanks herhaalde verzoeken van de vader en zijn raadsman weigert de moeder ook thans de omgang toe te staan. Hoewel de vader middels een kort geding nakoming van de bij beschikking vastgelegde omgangsregeling getracht heeft, is deze vordering afgewezen. De vader betwist dat van ‘family life’ geen sprake meer zou zijn. Evenmin is er sprake van zwaarwegende belangen c.q. ernstig nadeel van de geestelijke ontwikkeling van [naam kind] die zich tegen een omgangsregeling verzetten. Mocht het al zo zijn dat [naam kind] van de vader vervreemd is, dan is dit volgens de vader te wijten aan de handelswijze van de moeder, nu zij de vader geheel buiten spel heeft gezet. Voorgaande blijkt ook uit de omstandigheid dat de moeder de vader niet op de hoogte heeft gebracht van de erkenning van [naam kind] door de nieuwe partner van de moeder, terwijl de vader van zijn kant de moeder meer dan eens heeft verzocht om [naam kind] te mogen erkennen. Daarnaast betwist de vader dat hij kennelijk ongeschikt is om omgang met [naam kind] te hebben. De enkele omstandigheid dat de vader ooit een boete en een onvoorwaardelijke rijontzegging is opgelegd wegens rijden onder invloed, staat geheel los van onderhavige kwestie nu [naam kind] op het moment van overtreding niet bij zijn vader was. De vader ontkent dat hij een alcohol- of drugsprobleem heeft.
4.2 Bij zelfstandig verzoek verzoekt de vader nakoming van de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling, onder verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag dat de moeder niet meewerkt aan de uitvoering van deze regeling.
5 Beoordeling
5.1 Het belang van een kind om te weten van wie hij afstamt en om zijn biologische vader te kennen weegt zwaar. Het is bovendien een misverstand om te denken dat een kind van [naam kind] leeftijd niet kan begrijpen dat er naast degene die hij als zijn “papa” beschouwt nog een andere (biologische) vader is of dat een kind van die leeftijd geen behoefte zou hebben aan contact met zijn biologische vader. Het is schadelijk voor de ontwikkeling van kinderen om een eenmaal bestaand contact met een ouder te verbreken, waardoor bij het kind een verkeerd beeld kan ontstaan over zijn afstamming of die andere ouder.
5.2 De verantwoordelijkheid voor een omgangsregeling ligt primair bij de verzorgende ouder. Dat betekent in dit geval dat de moeder, in het belang van [naam kind], hem door haar houding steun, vertrouwen en toestemming dient te geven voor een omgangsregeling met de vader, daargelaten of [naam kind] er op dit moment blijk van geeft behoefte te hebben aan contact. Deze behoefte is immers mede afhankelijk van de opstelling van de moeder tegenover dit contact.
5.3 De moeder voert aan dat de omgangsregeling gelet op het belang van [naam kind] moet worden stopgezet of gewijzigd, omdat van ‘family life’ tussen de vader en [naam kind] geen sprake (meer) is. De rechtbank volgt dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt. Uit rechtsoverweging 5.5 van de (tussen partijen gewezen) beschikking d.d. 22 maart 2005 blijkt dat wordt aangenomen dat er tussen de vader en [naam kind] ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM bestaat. Vast staat dat partijen tegen voormelde beschikking geen hoger beroep hebben ingesteld, zodat deze in kracht van gewijsde is gegaan. In dit geval is de enkele omstandigheid dat tussen de vader en [naam kind] het afgelopen jaar geen omgang heeft plaatsgevonden, onvoldoende om te concluderen dat het bestaande ‘family life’ tussen de vader en het kind door het verloop van tijd verbroken zou zijn, temeer nu niet is gebleken dat van het gebrek aan contact vooral de vader een verwijt zou kunnen worden gemaakt. In dit verband is van belang dat niet is gesteld of gebleken dat moeder de omgangsregeling heeft ondersteund, door voorbereiding van [naam kind] of met haar opstelling tegenover de vader. De moeder heeft juist niet thuis gegeven op het moment dat de vader zich na enkele uren rijden meldde, kort na de afgesproken tijd. De door moeder gesignaleerde paniek bij [naam kind] op het moment dat de vader op zijn verjaardag belt, is bovendien niet zozeer het gevolg van de houding van de vader als wel de door de moeder in stand gelaten onbekendheid bij [naam kind] met het feit dat de vader “ook” zijn vader is. Tegen deze achtergrond beschouwt de rechtbank het mislukken van de eerder door deze rechtbank vastgestelde omgangsregeling dan ook niet zozeer als een gevolg van de opstelling van vader. Hij heeft immers meer dan eens, in en buiten rechte, aangedrongen op omgang.
5.4 Subsidiair stelt de moeder dat zij het voortzetten van een omgangsregeling niet in het belang van [naam kind] acht. Zij beroept zich daarbij op artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek. Deze stelling is verder niet onderbouwd, zodat niet aannemelijk is geworden dat van enige contra-indicatie sprake is. Meer subsidiair acht zij de vader ongeschikt tot omgang in verband met haar vermoedens van drugs- en alcoholmisbruik. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen de moeder naar voren heeft gebracht, mede gelet op de betwisting door de vader, onvoldoende is komen vast te staan en onvoldoende zwaarwegend is om de door de moeder gewenste beslissing te kunnen dragen.
5.5 Nu het bestaande ‘family life’ niet kan worden geacht als gevolg van gedragingen van de vader te zijn verbroken en geen sprake is van enige contra-indicatie ten aanzien van de omgangsregeling, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [naam kind] is dat het contact tussen hem en zijn vader zo spoedig mogelijk wordt hersteld. Aangezien inmiddels een jaar geen contact tussen hen is geweest, dient het weer voorzichtig te worden opgebouwd.
5.6 [naam kind] groeit op in het nieuwe gezin van de moeder en haar partner, de heer [naam partner], die hij als zijn ‘papa’ beschouwd. Dit brengt mee dat de vader op zijn beurt kunnen begrijpen dat hij zich in het belang van [naam kind] terughoudend dient op te stellen. In deze situatie lijkt nog geen plaats voor de rol van prominent op de voorgrond aanwezige ‘papa’, die de vader van vader kennelijk voor hem vervulde. De rechtbank zal dan ook een beperkte omgangsregeling vastleggen.
5.7 Het verzoek van de vader om aan nakoming van de omgangsregeling een dwangsom te verbinden, zal worden toegewezen. De moeder heeft de eerder bij beschikking vastgestelde omgangsregeling naast zich neergelegd, zodat gegronde vrees bestaat dat dit ook zal gebeuren bij de hierbij vastgestelde omgangsregeling. Indien de moeder geen bezwaar heeft tegen de beperkte hierbij vastgestelde omgangsregeling en de omgangsregeling wel nakomt, heeft de dwangsom geen effect, omdat van overtreding in dat geval geen sprake is en de dwangsommen niet worden verbeurd.
6 Beslissing
De rechtbank:
6.1 Wijzigt de beschikking van deze rechtbank d.d. 26 juli 2005 ten aanzien van de omgangsregeling in die zin dat de volgende regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht wordt vastgesteld:
De vader en de minderjarige [naam kind], geboren op [datum] 2003 te [geboorteplaats], zijn gerechtigd omgang met elkaar te hebben als volgt:
- vanaf heden tot 22 maart 2008 eenmaal per twee maanden, te beginnen op 11 november 2007, op zondag van 14.00 uur tot 16.00 uur;
- vanaf 22 maart 2008 eenmaal per maand op zondag van 12.00 uur tot 16.00 uur.
6.2 Bepaalt dat de moeder per keer dat zij in gebreke blijft van haar kant deze omgangsregeling na te komen een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeurt aan de vader ten bedrage van € 250 (zegge tweehonderdvijftig euro) met een maximum van
€ 5.000 (zegge vijfduizend euro).
6.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
6.4 Wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Roelvink-Verhoeff, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 30 oktober 2007, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Muller als griffier.