
Jurisprudentie
BC0095
Datum uitspraak2007-08-03
Datum gepubliceerd2007-12-20
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAssen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAwb 06/8259 en 06/8263
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-20
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAssen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAwb 06/8259 en 06/8263
Statusgepubliceerd
Indicatie
Ama / adequate opvang / Don Bosco / onvrijwillige terugkeer
Nu de Nederlandse overheid er, door middel van het IOM, zelf voor gekozen heeft de ‘vrijwilligheid van de terugkeer’ onderdeel te laten uitmaken van het contract met Don Bosco heeft zij kunnen voorzien dat er situaties als de onderhavige zouden kunnen ontstaan. Het onthouden van een vergunning aan eisers per 26 juni 2005 is, naar het oordeel van de rechtbank, niet redelijk nu niet in geschil is dat adequate opvang voor eisers feitelijk ontbreekt. Op grond van het vorenstaande is het voorts niet redelijk om de verblijfsvergunning niet voor de duur van vijf achtereenvolgende jaren althans tot hun achttiende levensjaar te verlenen.
Nu de Nederlandse overheid er, door middel van het IOM, zelf voor gekozen heeft de ‘vrijwilligheid van de terugkeer’ onderdeel te laten uitmaken van het contract met Don Bosco heeft zij kunnen voorzien dat er situaties als de onderhavige zouden kunnen ontstaan. Het onthouden van een vergunning aan eisers per 26 juni 2005 is, naar het oordeel van de rechtbank, niet redelijk nu niet in geschil is dat adequate opvang voor eisers feitelijk ontbreekt. Op grond van het vorenstaande is het voorts niet redelijk om de verblijfsvergunning niet voor de duur van vijf achtereenvolgende jaren althans tot hun achttiende levensjaar te verlenen.
Uitspraak
RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Zitting houdende te Assen
Sector Bestuursrecht
Zaaknummers: Awb 06/8259 BEPTDN A S2 & Awb 06/8263 BEPTDN A S2
Uitspraak: 3 augustus 2007
inzake:
[...],
geboren [...],
[...],
geboren [...],
burgers van de Democratische Republiek Congo (DRC),
IND-dossiernummers: 0303-19-0335 en 0303-19-0333,
V-nummers: 200.752.9446 en 200.752.9448,
eisers,
gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls, advocaat te Zwolle,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie
(Immigratie- en Naturalisatiedienst)
te 's-Gravenhage,
verweerder,
gemachtigde: mr. M.M. van Asperen, advocaat te ‘s-Gravenhage.
Procesverloop
Eisers hebben op 19 maart 2003 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ge-daan. Verweerder heeft deze aanvragen bij beschikkingen van 19 januari 2004 afgewezen en tevens ambtshalve geweigerd aan eisers een verblijfsvergunning regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder de beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, te verlenen.
Bij beroepschriften van 17 februari 2004 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 30 juni 2005 met reg.nrs. Awb 04/7601 en Awb 04/7596 is het beroep - voor zover gericht tegen het besluit van verweerder aan eisers geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen te verlenen - gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.
Bij beschikkingen van 15 augustus 2005 heeft verweerder wederom ambtshalve besloten aan eisers geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 te verlenen.
Eisers hebben daartegen bij brief van 8 september 2005 bezwaar gemaakt. Bij beschikkingen van 17 januari 2006 zijn de bezwaren ongegrond verklaard.
Bij beroepschriften van 14 februari 2006 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen.
Bij brief van 17 augustus 2006 heeft verweerder aan eisers medegedeeld dat de beschikkingen van 17 januari 2006 zijn ingetrokken en dat opnieuw op de bezwaren zal worden beslist.
Op 28 november 2006 zijn eisers gehoord door een ambtelijke commissie. Bij (de bestreden) beschikkingen van 4 december 2006 heeft verweerder de bezwaarschriften gegrond verklaard en aan eisers een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 juncto artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder x, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) onder de beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemde-ling verleend, met ingang van 19 maart 2003, geldig tot 26 juni 2005.
Op 8 januari 2007 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Leeuwarden, de behandeling van de zaken overgedragen aan deze rechtbank, zitting houdende te Assen.
De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.
Verweerder heeft op 28 februari 2007 een verweerschrift en op 7 maart 2007 nog een aanvullend verweerschrift ingediend.
Openbare behandeling van de beroepen heeft gevoegd plaatsgevonden ter zitting van 19 april 2007. Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. Gunster, procesvertegenwoordiger.
Aangezien het onderzoek niet volledig is geweest, heeft de rechtbank besloten het onderzoek op grond van artikel 8:68 Algemene wet bestuursrecht (Awb) te heropenen teneinde van verweerder nadere informatie te verkrijgen met betrekking tot de (adequate) opvang in de DRC voor terugkerende alleenstaande minderjarige vreemdelingen in het opvangcentrum Don Bosco. Tevens is eisers verzocht om de reis van hun pleegmoeder naar de DRC inclusief het bezoek aan Don Bosco aannemelijk te maken met bewijsstukken en hun bevindingen zo veel mogelijk met bewijsstukken te staven.
De rechtbank heeft kennis genomen van de reactie van eisers d.d. 29 mei 2007 en die van verweerder d.d. 12 juni 2007 alsmede de nadere reactie van eisers d.d. 22 juni 2007 en die van verweerder d.d. 27 juni 2007.
Het onderzoek ter zitting is in de stand waarin het zich bevond voortgezet op 17 juli 2007.
Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich wederom doen vertegenwoordigen, ditmaal door mr. M.M. van Asperen, advocaat.
Motivering
Standpunten van partijen
Verweerder heeft de gegrondverklaring van de bezwaren als volgt gemotiveerd. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat eisers destijds voldeden aan de voorwaarden van het speciale toelatingsbeleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen, zoals geformuleerd in paragraaf C2/7 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Op grond hiervan heeft verweerder alsnog besloten de aanvragen van eisers in te willigen en hen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen, met ingang van 19 maart 2003, geldig tot 26 juni 2005, zijnde de datum waarop voor eisers in het land van herkomst adequate opvang beschikbaar is in het opvanghuis Don Bosco.
Verweerder heeft daartoe verwezen naar paragraaf C8/44.6.6 van het landgeboden deel van de Vc 2000, waarin ten aanzien van de DRC staat vermeld dat blijkens het ambtsbericht van april 2005 met onder andere (financiële) middelen uit Nederland het opvangcentrum Don Bosco structureel wordt ondersteund. Deze particuliere opvanginstelling is aan te merken als naar lokale omstandigheden aanvaardbare adequate opvang voor minderjarigen in de DRC. Kinderen die door Don Bosco worden opgevangen kunnen in het tehuis verblijven totdat zij meerderjarig worden en worden tussentijds niet overgeplaatst naar andere opvanghuizen. Het feit dat er voor eisers in het land van herkomst geen familie aanwezig is, die voor hen kan zorgen, doet aan het vorenstaande niets af. Voorts is er in casu geen sprake van bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:84 Awb, waardoor verweerder gehouden zou zijn om ten gunste van eisers af te wijken van het geldende beleid.
Eiseres kunnen zich - kort gezegd - niet verenigen met de einddatum van de verleende verblijfsvergunning, omdat er ook na 26 juni 2005 geen sprake is van adequate opvang in de DRC. Eisers stellen zich onder andere op het standpunt dat de continuïteit van de opvang in het opvangtehuis Don Bosco niet is gegarandeerd en dat de opvang aldaar niet adequaat is aangezien er slechts vier plekken beschikbaar zijn alsmede dat een groot deel van de terugkerende alleenstaande minderjarige asielzoekers uiteindelijk niet of slechts kortdurend in het opvanghuis zal verblijven. Volgens eisers biedt het recente verslag van hun pleegmoeder naar Congo, waar ze het opvangtehuis Don Bosco heeft bezocht, een concreet aanknopingspunt voor de onvolledigheid en onjuistheid van voormeld ambtsbericht ten aanzien van Don Bosco.
Eisers stellen voorts – onder overlegging van diverse rapportages - dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om gebruik te maken van zijn inherente afwijkings-bevoegdheid. Verweerder heeft ten onrechte niet meegenomen dat eisers zijn opgevangen in de integratievariant en in een pleeggezin zijn geplaatst. Ten slotte stellen eisers dat verweerder onvoldoende is ingegaan op het gedane beroep op het Internationaal Verdrag voor de rechten van het Kind (IVRK). Naast de bezwaren tegen Don Bosco als adequate opvang kan de DRC als land - gelet op de verslechterde veiligheidsituatie - niet de veiligheid bieden waarop eisers ingevolge artikel 19 IVRK recht hebben.
Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd primair tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van de beroepen
Gelet op het Koninklijk Besluit van 22 februari 2007 (nr. 07.000660, Stcrt. 2007, 41) en gelet op de portefeuilleverdeling, zoals vastgesteld tijdens de constituerende vergadering van 22 februari 2007 van het op diezelfde dag beëdigde kabinet, is de Staatssecretaris van Justitie verantwoordelijk gesteld voor het beleidsterrein Vreemdelingenzaken. Daar waar in deze uitspraak voor wat betreft de periode van 14 december 2006 tot 22 februari 2007 wordt gesproken van verweerder dient te worden bedacht dat hiermede wordt bedoeld de Minister van Justitie en voor wat betreft de periode tot 14 december 2006 de (voormalige) Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (Koninklijk Besluit van 14 december 2006 (nr. 06.004621, Stcrt. 2006, 247). De handelingen en besluiten van voornoemde Ministers dienen rechtens te worden toegerekend aan de Staatssecretaris van Justitie.
In deze zaken dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseres een concreet en actueel belang bij handhaving van hun beroep omdat verweerder niet volledig tegemoet is gekomen aan hun bezwaren gelet op de eventuele rechtsgevolgen van een latere einddatum dan wel duur van de verleende verblijfsvergunning regulier.
Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 in samenhang met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, Vb 2000 is verweerder bevoegd ambtshalve een verblijfs-vergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder een beperking verband houdende met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.
Deze vergunning kan op grond van artikel 3.56 Vb 2000 aan een alleenstaande minderjarige vreemdeling worden verleend, indien zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfs-vergunning asiel is afgewezen, hij zich naar het oordeel van verweerder niet zelfstandig kan handhaven in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, en voor hem, naar het oordeel van verweerder, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang ontbreekt in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijker-wijs naar toe kan gaan. De ingevolge genoemd artikel 3.56 Vb 2000 toekomende beoorde-lingsvrijheid wordt door de minister aangewend met inachtneming van de uitgangspunten, neergelegd in paragraaf C2/7.4.3 Vc 2000 alsmede WBV 2005/30 van 15 juni 2005, waarin staat vermeld dat er voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen adequate opvang voor-handen is en dat minderjarige asielzoekers van Congolese nationaliteit niet in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Uit het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in de DRC van april 2005 (DPV/AM-872777) blijkt dat onder andere met Nederlandse middelen het opvangcentrum van de Congregatie des Salesianen (Don Bosco) wordt onder-steund. In dit opvangcentrum kunnen tot vier uit Nederland teruggekeerde alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen (amv’s) van alle leeftijden worden opgevangen.
Het centrum biedt tevens een opleiding aan op verschillende niveaus, variërend van de basisschool tot een beroepsopleiding. Met het aantal beschikbare opvangplaatsen kunnen grotere aantallen terugkerende amv’s worden opgevangen dan de beoogde vier, aangezien een groot deel van de terugkerende amv’s die in eerste instantie institutionele opvang nodig lijkt te hebben, uiteindelijk niet of slechts kort in het opvanghuis zal verblijven. Minderjarigen die door Don Bosco worden opgevangen kunnen totdat zij meerderjarig worden in het tehuis verblijven en worden tussentijds niet overgeplaatst naar andere opvanghuizen. Wel wordt getracht om de eventuele familie te vinden, onder andere via het opsporingsprogramma (tracing) van het Congolese Rode Kruis.
De algemene ambtsberichten over de situatie in de DRC van september 2005 en december 2006 vermelden woorden van gelijke strekking.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) kan een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Verweerder mag bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers met hetgeen zij in beroep hebben aange-voerd en met de overgelegde stukken hebben trachten te onderbouwen, onvoldoende aan-knopingspunten gegeven voor het oordeel dat van de juistheid en volledigheid van de informatie in meergenoemd ambtsbericht niet zou kunnen worden uitgegaan. Weliswaar hebben eisers een indrukwekkend reisverslag van hun pleegmoeder, met daarin relevante en tot twijfel stemmende informatie, overgelegd. Met name de informatie over het structureel zijn van de opvang en het gescheiden opvangen van jongens en meisjes heeft de rechtbank ertoe geleid nadere vragen aan verweerder te stellen. Deze vragen heeft verweerder schrifte-lijk maar met name mondeling ter zitting overtuigend beantwoord. Verweerder heeft bij monde van mr. Van Asperen de opvang door Don Bosco en het niveau ervan uitvoerig en gedetailleerd uiteengezet. Daarbij heeft mr. Van Asperen zich onder meer gebaseerd op de ervaringen van een delegatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken die onlangs, los van onderhavige zaak, de DRC en Don Bosco heeft bezocht. Mr. Van Asperen heeft gesproken met mw. Borsboom, een lid van genoemde delegatie.
De informatie die [...] heeft kunnen geven over Don Bosco komt in grote lijnen overeen met het reisverslag van de pleegmoeder. Waar het de vragen van de rechtbank, die tot heropening van de zaak hebben geleid, betreft, nuanceert verweerder de informatie die de pleegmoeder heeft vergaard.
Zo stelt verweerder, op basis van de informatie van mw. Borsboom, dat de reguliere opvang van straatkinderen in Don Bosco er inderdaad op is gericht deze opvang te beperken totdat familie van de straatkinderen gevonden is of totdat zij zichzelf weer kunnen onderhouden. Dit beleid is ingegeven uit kostenoverwegingen. Deze overwegingen spelen niet bij de opvang van amv’s uit Nederland omdat de Nederlandse overheid die opvang financiert. De opvang van minderjarigen in Don Bosco geschiedt tot aan de meerderjarigheid op 18-jarige leeftijd.
Evenzo stelt verweerder dat de opvang van jongens en meisjes voor wat de reguliere opvang van straatkinderen betreft op verschillende locaties geschiedt. Don Bosco maakt deel uit van een groter geheel aan opvanginstellingen waarbij Don Bosco bedoeld is voor jongens en bijvoorbeeld ‘Maison Mozzarello’ bedoeld is voor meisjes. Maar voor Nederlandse amv’s geldt dat zij allen door Don Bosco worden opgevangen. Ten behoeve van de Nederlandse amv’s is namelijk een apart huis beschikbaar op het terrein van Don Bosco. Ditzelfde geldt voor de Belgische amv’s. Ook voor hen is een apart huis beschikbaar, gefinancierd door de Belgische overheid. Thans zijn nog geen amv’s teruggekeerd maar indien dit zou gebeuren en er zou sprake zijn van jongens en meisjes dan zou het ene huis voor de jongens en het andere voor de meisjes kunnen worden bestemd, aldus verweerder.
Naar het oordeel van de rechtbank bieden de algemene ambtsberichten over de situatie in de DRC van 2005 en 2006 voldoende basis voor het beleid zoals dat is neergelegd in hoofdstuk C8 Vc 2000 en heeft verweerder in redelijkheid mogen stellen dat het opvangcentrum van de Congregatie des Salesianen Don Bosco te Kinshasa (DRC) naar plaatselijke maatstaven gemeten adequate opvang biedt voor minderjarigen. Namelijk opvang waarvan de omstan-digheden niet wezenlijk verschillen van de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een vergelijkbare positie als eisers bevinden.
Verweerder heeft - desgevraagd door de rechtbank - bevestigd en met bescheiden onder-bouwd, dat er sprake is van structurele opvang in die zin dat in de contracten met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en met het opvangcentrum Don Bosco in de DRC is vastgelegd dat de minderjarigen tot en met hun achttiende levensjaar kunnen worden opgevangen in het opvanghuis Don Bosco.
In de contracten die het IOM heeft gesloten met het opvangcentrum Don Bosco is vast-gelegd dat de opvangcapaciteit alleen wordt gerealiseerd ten behoeve van minderjarige kinderen die op vrijwillige basis zijn teruggekeerd naar de DRC.
Partijen houdt verdeeld de vraag of verweerder de geldigheid van de verleende vergunning heeft kunnen beëindigen per 26 juni 2005 nu duidelijk is dat eisers niet vrijwillig terug willen keren naar de DRC.
Op vragen van de rechtbank heeft verweerder ter zitting van 17 juli 2007 herhaaldelijk en uitdrukkelijk medegedeeld dat de opvang door Don Bosco inderdaad niet bestaat voor amv’s die niet vrijwillig terugkeren. Verweerder heeft voorts gesteld dat eisers niet zullen worden uitgezet naar hun land van herkomst zolang zij zich tegen hun terugkeer naar de DRC zullen verzetten omdat de opvang dan immers niet voor handen is. Verweerder heeft tenslotte eveneens uitdrukkelijk gesteld dat de weigering van eisers om vrijwillig terug te keren naar hun land van herkomst, nu daar adequate opvang aanwezig is, voor hun eigen rekening en risico komt en dat de weigering terug te keren geen recht op verblijf in Nederland genereert.
De rechtbank overweegt gelet op vorenstaande als volgt.
De enkele weigering, door eisers, om terug te keren naar hun land van herkomst nu daar sprake is van adequate opvang kan niet leiden tot enig verblijfsrecht hier te lande. Eisers geraken echter in een patstelling nu niet in geschil is dat voor eisers geen opvang (meer) in het opvangcentrum Don Bosco beschikbaar is, omdat zij weigeren Nederland vrijwillig te verlaten en zich tegen uitzetting zullen verzetten. Verweerder heeft toegezegd hen niet gedwongen te zullen verwijderen naar hun land van herkomst en daarmee in hun verblijf hier te lande te berusten totdat zij meerderjarig zijn.
Voorts is niet gebleken dat andere adequate opvang voorhanden is. Het beleid van ver-weerder inhoudende dat algemene adequate opvang voor minderjarigen in de DRC voor-handen is, is ook onbetwist gebaseerd op de aanwezigheid van het opvangcentrum Don Bosco.
Nu de Nederlandse overheid er, door middel van het IOM, zelf voor gekozen heeft de ‘vrijwilligheid van de terugkeer’ onderdeel te laten uitmaken van het contract met Don Bosco heeft zij kunnen voorzien dat er situaties als de onderhavige zouden kunnen ontstaan. Het onthouden van een vergunning aan eisers per 26 juni 2005 is, naar het oordeel van de rechtbank, niet redelijk nu niet in geschil is dat adequate opvang voor eisers feitelijk ont-breekt. Op grond van het vorenstaande is het voorts niet redelijk om de verblijfsvergunning niet voor de duur van vijf achtereenvolgende jaren althans tot hun achttiende levensjaar te verlenen.
Mede gelet op het feit dat tijdens het gehoor van de ambtelijke commissie van de kant van (de pleegouders van) eisers is aangegeven dat het aspect van vrijwillige terugkeer c.q. opvang in Don Bosco van belang moet worden geacht voor de beantwoording van de vraag of er adequate opvang voor eisers in de DRC werkelijk beschikbaar is en zo nee of de verblijfsvergunning van eisers al dan niet voor de (volledige) geldigheidsduur van vijf achtereenvolgende jaren dient te worden verleend, komt de rechtbank tot het oordeel dat de bestreden besluiten in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 Awb moeten worden geacht te zijn genomen.
De beroepen zijn derhalve gegrond. Hetgeen verweerder verder heeft overwogen en wat daar zijdens eisers tegen in is gebracht behoeft hierdoor geen (nadere) bespreking. Verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Voorts bestaat aanleiding de Staat aan te wijzen als de rechtspersoon die aan eisers het door hun betaalde griffierecht dient te vergoeden.
Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden beschikkingen van 4 december 2006;
- draagt verweerder op nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- wijst de Staat der Nederlanden aan als (de) rechtspersoon om het betaalde griffierecht van totaal € 276,- (2 x € 138,-) aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,- (1 punt ad € 322,- voor het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting en de nadere zitting) onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als (de) rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet voldoen.
Rechtsmiddel
Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, Vw 2000 één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.
Aldus gegeven door mr. L.J. Hofstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van B. de Vogel als griffier op 3 augustus 2007.
Afschrift verzonden op: